|
Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon
Cliëntenrechten
De PVP-krant zet in ieder nummer interessante rechtspraak, klachtzaken en andere juridische ontwikkelingen in de psychiatrie
op een rij.
voorjaar 2002
Voor een man die aangeeft graag dood te willen op grond van een gemoedstoestand die al
jaren duurt, vraagt men een machtiging tot voortzetting van de ibs aan bij de Rechtbank
Leeuwarden. De man geeft ook aan dat hij zich niet zelf van het leven kan beroven, hij
wenst het euthanasie-trajectin te gaan. Volgens zijn zuster, waarmeen
telefonisch contact is geweest, heeft haar broer een paar dagen voor het verhoor een strop
aan de trap van zijn woning bevestigd, die hij echter niet heeft gebruikt. De rechtbank
vindt dat de man mogelijk lijdt aan een stoornis van de geestesvermogens, maar dat er niet
voldoende aanwijzingen zijn dat hij daardoor een onmiddellijk dreigend gevaar voor
zichzelf is. Van suïcide gevaar is onvoldoende gebleken en een Bopz-maatregel is niet
bedoeld om te voorkomen dat de man euthanasie zoekt. Daarom wijst de rechtbank de
vordering af (Rb Leeuwarden 04-05-2001, BJ 2001, 49).
Tijdens de koffie niet naar buiten
De Rechtbank 's-Hertogenbosch krijgt te oordelen over een klacht van een vrouw dat ze
plotseling en zonder overleg verplicht wordt binnen te blijven tijdens de gezamenlijke
koffiepauze. Voorheen mocht ze tijdens deze pauze wel naar buiten. De vrouw verblijft in
het ziekenhuis op grond van een tbs-maatregel. Ze stelt dat de regel "het verplicht
binnen blijven tijdens de koffiepauze" een beperking is in haar bewegingsvrijheid
waarvoor geen rechtvaardiging bestaat. Voorts acht de vrouw het verplicht deelnemen aan de
koffiepauze een verkapte dwangbehandeling.
Het ziekenhuis voert aan dat er geen veranderingen zijn aangebracht in de huisregels, maar
dat het managementteam heeft besloten deze stricter te hanteren. De doelstelling van de
afdeling is om delictreductie en een sociaal wenselijker gedrag te bewerkstelligen en
cliënten te leren omgaan met hun sociale omgeving en elkaar.
De rechtbank oordeelt dat vast staat dat volgens de geldende huisregel cliënten tijdens
de therapietijden en ook tijdens de in de therapietijden vallende koffiepauze binnen horen
te blijven. Verder staat vast dat met de vrouw geen van deze regel afwijkende afspraken
zijn gemaakt. Het enkele feit dat er voorheen gedoogd werd dat ze naar buiten ging tijdens
de koffiepauze houdt niet in dat deze regel niet meer op haar van toepassing is. Naar het
oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een beperking van haar bewegingsvrijheid in
de zin van de Wet Bopz. Ook is er geen sprake van dwangbehandeling omdat ze niet gedwongen
wordt om daadwerkelijk mee te doen aan het koffiedrinken. De klacht wordt ongegrond
verklaard (Rb 's-Hertogenbosch, 06-03-2001, BJ 2001, 48).
Bij deze uitspraak kunnen kritische kanttekeningen worden geplaatst. De beperking in
kwestie mag immers niet op de huisregels worden gebaseerd, nu deze regels uitsluitend
mogen zien op het waarborgen van een ordelijke gang van zaken in het ziekenhuis. Indien
het nodig wordt geacht om beperkingen op te leggen naar aanleiding van problemen die
samenhangen met de problematiek van de patiënt, kan zulks worden opgenomen in het
behandelingsplan. Dit geldt ook als voor een groot deel van de patiënten om die reden het
opleggen van beperkingen noodzakelijk wordt geacht, zoals in deze casus het geval lijkt te
zijn.
Beperkingen in de bewegingsvrijheid zijn in individuele gevallen mogelijk op grond van
art. 40 lid 3 van de Wet Bopz. Opmerkelijk genoeg wordt niet naar deze bepaling verwezen
in de uitspraak. De casus geeft geen reden te veronderstellen dat de beperking de toets
aan art. 40 lid 3 kan doorstaan. Zo bezien, had de klacht dan ook gegrond moeten worden
verklaard.
Herhaalde ibs als verkapt hoger beroep
Bij de Rechtbank Leeuwarden wordt een vordering ingediend voor een machtiging tot
voortzetting van een inbewaringstelling. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat
betrokkene lijdt aan een ernstige psychotische depressie met religieuze schuldwanen en
melancholische kenmerken. Voorts wordt melding gemaakt van suïcidegevaar, waarbij
strangulatie-pogingen worden genoemd. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een
stoornis van de geestvermogens in de zin van de wet, maar niet van een onmiddellijk
dreigend gevaar, zodat een procedure in het kader van een (gewone) rechterlijke machtiging
afgewacht kan worden.
Het blijkt dat enkele dagen eerder voor deze man eenzelfde vordering is afgewezen. Drie
dagen na die afwijzing is de huidige geneeskundige verklaring opgesteld, die echter niet
van nieuwe feiten en omstandigheden doet blijken.
De rechtbank merkt op dat zij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat gelet op de
vorige uitspraak en de sindsdien gelijkgebleven omstandigheden, het thans gaat om een
soort "verkapt hoger beroep" tegen de eerdere uitspraak (Rb
Leeuwarden,11-05-2001,BJ 2001, 50).
Alzheimer en een bedenkelijke zoon
Voor een 87-jarige, nog thuis wonende demente vrouw, wordt een voorlopige machtiging
gevorderd om opname in een verpleeghuis mogelijk te maken. De vrouw zelf wil absoluut niet
naar een verpleeghuis, zij wil gewoon thuis blijven. Zij is echter niet meer in staat tot
de dagelijkse zaken zoals de noodzakelijke lichaamsverzorging, het doen van boodschappen,
het bedienen van de verwarming en het schoonhouden van haar huis. Bovendien is zij al eens
hulpeloos op de grond gevonden.
Voorheen was het mogelijk met behulp van derden haar thuis hulp te bieden, maar door haar
paranoïde, geagiteerde en agressieve gedrag is deze hulp niet meer mogelijk. Zij
vertrouwt niemand meer, alleen de Tafeltje-dek-je warme maaltijd service accepteert ze
nog.
Sinds haar zoon frequent bij haar verblijft, is haar houding ten opzichte van de
hulpverleners sterk veranderd. De zoon heeft een zeer slechte relatie met de hulpverleners
en de mentor van zijn moeder. De zoon kan de noodzakelijke zorg niet geven, niet alleen
doordat hij voor zijn werk een deel van de week weg is, maar ook omdat hij waarschijnlijk
daartoe niet bereid en in staat is. Hij gedraagt zich niet zoals van een zorgzaam zoon
verwacht mag worden; hij houdt bijvoorbeeld herhaaldelijk eten achter voor zichzelf zodat
er voor zijn moeder geen eten is en hij heeft haar (letterlijk) in de kou laten zitten.
De advocaat van de vrouw pleit voor een alternatief voor dwangopneming, namelijk 24 uur
per dag particuliere thuiszorg inkopen. Daarmee kan immers het gevaar die de geeststoornis
voor de vrouw veroorzaakt, worden afgewend. Mevrouw is vermogend en kan dit betalen.
Hoewel de rechtbank niet uitsluit dat de vrouw ook deze hulpverleners het werken
onmogelijk zal maken, vindt de rechtbank dit een reëel alternatief. Ook de mentor van de
vrouw kan zich hierin vinden en heeft zelfs deze mogelijkheid al onderzocht. Het bleek
echter dat deze particuliere zorg niet op korte termijn geboden kon worden.
Nu de alternatieve mogelijkheid nog niet voorhanden is, verleent de rechtbank een
machtiging voor de duur van drie maanden (Rb Arnhem 19-06-2001, BJ 2001, 45).
Bij de rechtbank in Haarlem wordt primair een voorlopige machtiging gevorderd, waarbij
niet de opneming in een psychiatrisch ziekenhuis het doel is, maar het opleggen van
voorwaarden aan een thuiswonende patiënt. De bedoeling is dat bij het niet naleven van de
voorwaarden de betrokkene (gedwongen) opgenomen kan worden. Subsidiair wordt een
"gewone" voorlopige machtiging gevorderd.
De rechtbank oordeelt dat, nu de voorwaardelijke machtiging nog niet in de wet is
geregeld, het niet duidelijk is in hoeverre aan een voorlopige machtiging voorwaarden
kunnen worden gesteld en welke rol de rechter daarin heeft met betrekking tot toetsen van
de voorwaarden. Bovendien eist de Wet Bopz dat de voorlopige machtiging binnen twee weken
tenuitvoer gelegd wordt, hetgeen in casu niet zal geschieden. De Hoge Raad heeft zich
weliswaar uitgelaten over het verlenen van een machtiging onder het opleggen van
voorwaarden, maar dit waren alle machtigingen tot voortgezet verblijf, aldus de rechtbank.
De rechtbank verleent de voorlopige machtiging onder voorwaarden niet omdat zij deze, op
grond van bovenstaande overwegingen, in strijd acht met de Wet Bopz en zij niet wil
vooruitlopen op toekomstige wetgeving. Ook de subsidiair gevorderde "gewone"
voorlopige machtiging wordt niet verleend. Alhoewel er reden is tot zorg over de situatie
van betrokkene is onvoldoende gebleken dat sprake is van een stoornis die gevaar
veroorzaakt dat niet kan worden afgewend zonder tussenkomst van een psychiatrisch
ziekenhuis, aldus de rechtbank (Rb Haarlem, 16-07-2001, BJ 2001, 47, m. n.t red.).
Op dit moment is een voorwaardelijke machtiging niet geregeld bij wet. Wel is er een
wetsontwerp in behandeling bij de tweede Kamer ( wetsontwerp 27289), waarover wij enkele
malen in de PVP-krant berichtten (o.a. in nr. 3 2000, p. 31).
De rechtbank Assen zag eerder geen bezwaar tegen het verlenen van een voorlopige
machtiging onder het opleggen van voorwaarden (Rb Assen, 03-11-1999, kBJ 2000, 6).
In PVP-krant 2, 2000, p. 19, besteedden wij aandacht aan o.a. deze zaak en plaatsten wij
kritische kanttekeningen bij het vooruitlopen op het wetsvoorstel voorwaardelijke
machtiging.
|