<
pvp
Home Organisatie Cijfers Contact Medewerkers
Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon 

 

Cliëntenrechten

De PVP-krant zet in ieder nummer interessante rechtspraak, klachtzaken en andere juridische ontwikkelingen in de psychiatrie op een rij.

Zomer 2002

Voorwaardelijk ontslag en zorgvuldigheid

Nadat het voorwaardelijk ontslag van een vrouw is ingetrokken, vraagt ze het oordeel van de rechtbank hierover.
De vrouw stelt dat haar niet is meegedeeld waarom het voorwaardelijk ontslag is ingetrokken, dat ze niet in de gelegenheid is gesteld om haar mening te geven en dat ze geen schriftelijke mededeling van de geneesheer-directeur heeft ontvangen.
De rechtbank overweegt dat de beslissing is genomen zonder dat de vrouw vooraf in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen, zodat de beslissing tot stand is gekomen in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Bovendien had op grond van de Wet Bopz (artikel 47 derde lid en artikel 46 eerste lid) de geneesheer-directeur de vrouw, uiterlijk binnen vier dagen na de intrekking van het voorwaardelijk ontslag, schriftelijk en gemotiveerd in kennis moeten stellen van de beslissing tot de intrekking.
De rechtbank overweegt dat ook uit de Algemene wet bestuursrecht volgt dat beschikkingen bekend moeten worden gemaakt en goed gemotiveerd dienen te worden, hetgeen in deze zaak niet is gebeurd. De rechtbank oordeelt dan ook dat de intrekking van het voorwaardelijk ontslag op onzorgvuldige wijze en in strijd met de wet is afgehandeld. De rechtbank benadrukt daarbij dat een intrekking van een voorwaardelijk ontslag in wezen een vrijheidsbenemende maatregel is, die met de grootst mogelijke zorgvuldigheid moet worden genomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is de vrouw in dit geval echter niet geschaad in haar belangen door de onvolkomenheden in de besluitvorming. De rechtbank constateert voorts dat het besluit tot intrekking op goede gronden berustte, zodat de beslissing in stand wordt gelaten. (Rechtbank Amsterdam 4-1-2001, BJ 2001, 54). 

Doodswens en ibs

Voor een man met een uitdrukkelijk doodswens wordt bij de rechtbank Amsterdam een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling gevorderd. Een week eerder heeft de man een ernstige suïcidepoging ondernomen. Tijdens de terechtzitting betwist de man dat zijn doodswens verband houdt met een geestesstoornis in welke vorm dan ook en verdedigt hij zijn opvatting dat ieder mens het recht heeft om zelf te bepalen waar de grens ligt om met het leven op te houden.
De behandelend arts is echter van oordeel dat er aanwijzingen zijn dat de man lijdt aan een depressie en als gevolg daarvan als zeer suïcidaal moet worden beschouwd.
De man wil geen medicijnen, maar is wel bereid om enkele maanden af te zien van zelfdoding en om in die periode gesprekstherapie te volgen. Door middel van deze therapie wil hij aantonen dat er bij hem geen sprake is van een geestesstoornis, dan wel zich van het tegendeel laten overtuigen. In ieder geval wil hij niet opgenomen worden in een psychiatrisch ziekenhuis.
De rechtbank is van oordeel dat ernstig moet worden vermoed dat de uitdrukkelijke doodswens van de man haar oorzaak in een geestesstoornis vindt en verleent de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor de duur van drie weken (Rechtbank Amsterdam 9 -10-2001, BJ 2002, 11).

De kwestie van het al of niet respecteren van een zeer duidelijke doodswens die hier aan de rechtbank wordt voorgelegd, is niet geschikt voor een uitvoerige bespreking in het kader van een spoedmaatregel, die de inbewaringstelling nu eenmaal is.
Als het niet duidelijk is of er een oorzakelijk verband bestaat tussen een geestesstoornis en een doodswens, behoort er in principe geen gedwongen opname te volgen. In deze zaak lijkt de rechtbank dit uitgangspunt om te keren en de man "het nadeel van de twijfel" te geven. Daarbij moet echter worden aangetekend dat een ernstig vermoeden dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen geestesstoornis en gevaar in het kader van een inbewaringstelling volstaat. Indien een voorlopige machtiging of een machtiging tot voortgezet verblijf zou zijn gevorderd, had het oordeel van de rechtbank wellicht anders geluid.

Deelbeschikking blijkt mogelijk

Voor een man die onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, wordt een machtiging tot voortgezet verblijf gevorderd. Uit de geneeskundige verklaring en de toelichting van de arts blijkt dat hij lijdt aan schizofrenie. Zonder medicatie zal hij weer psychotisch en agressief worden. Hij heeft vanuit zijn psychose al verschillende keren zijn moeder mishandeld en mensen met een mes gestoken. Al vele malen is hij uit het psychiatrisch ziekenhuis weggelopen en herhaaldelijk daar teruggebracht door de politie.
Het horen van de man in verband met de gevorderde machtiging kan niet plaats vinden omdat hij opnieuw uit het ziekenhuis is weggelopen. De rechter gaat naar het huisadres van de man, maar treft hem ook daar niet aan. De machtiging wordt verleend voor de duur van een maand, de verdere beslissing wordt aangehouden om betrokkene gelegenheid te bieden zijn mening kenbaar te maken.
Na ommekomst van deze maand wordt de zaak verder behandeld bij de rechtbank; ditmaal is de man aanwezig. Op grond van de korte periode die verstreken is sinds de eerste beslissing in samenhang met de verklaringen van de arts en de man zelf en de nog voldoende actuele geneeskundige verklaring verleent de rechtbank de machtiging voor de resterende 11 maanden. De advocaat stelde zich op het standpunt dat deze gang van zaken niet geoorloofd was: zonder nieuwe vordering zou niet tot voortzetting van dwangopneming kunnen worden besloten; op de voorliggende vordering was immers een maand tevoren al beslist.
In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat geen wettelijke bepaling er zich tegen verzet om de beslissing met betrekking tot de totale duur van de periode van het voortgezette verblijf voor een korte termijn aan te houden op grond van bijzondere omstandigheden, zoals het niet kunnen horen van de patiënt (HR 22-06-2001, BJ 2001 37, m. nt. W. Dijkers).

Fundamenteel recht uitgezonderd

Bij de rechtbank Arnhem wordt een machtiging tot voortgezet verblijf gevorderd voor een vrouw die lijdt aan een organisch hersensyndroom. De vrouw reageert bijzonder heftig en paniekerig op ieder bezoek en volgens de behandelaars is het onverantwoord om haar in verband met het verlenen van een rechterlijke machtiging te horen. Haar advocaat heeft geprobeerd om met haar te praten over de verlenging van de machtiging, maar zij begrijpt niet waar het over gaat. Ze raakt in paniek. In het verleden heeft de vrouw in paniek zichzelf ernstig verwond, zodanig zelfs dat haar benen geamputeerd moesten worden. Ook haar advocaat vindt het onverantwoord om de vrouw te horen.
De rechtbank overweegt dat het horen van degene voor wie een machtiging is gevorderd een fundamenteel recht is. Maar omdat er een reëel risico bestaat op ernstig nadeel voor de vrouw (zichzelf ernstig letsel toebrengen) als zij gehoord wordt door de rechter en nu haar advocaat haar wel heeft gesproken, acht de rechtbank in dit speciale geval het horen van de vrouw onverantwoord. Met instemming van de advocaat van de vrouw ziet de rechtbank af van het horen.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging en geeft daarbij het advies om na te gaan of een ondercuratelestelling of een mentorschap mogelijk is, opdat wordt voorkomen dat toekomstige verlengingen van de machtiging als een hamerstuk worden afgedaan (Rechtbank Arnhem 13-7-2001, BJ 2001, 59).

Dwang, klachtrecht en schadevergoeding

Bij de rechtbank Den Bosch wordt in een civielrechtelijke procedure schadevergoeding gevorderd voor onrechtmatig toegepaste middelen en maatregelen en dwangbehandeling. Eerder werden klachten over deze interventies door de Bopz-rechter (artikel 41) gegrond verklaard.
Het psychiatrisch ziekenhuis is het er niet mee eens dat de separatie en dwangmedicatie als onrechtmatig moeten worden beschouwd. Uit de uitspraak van  de Bopz-rechter in de klachtenprocedure kan volgens het psychiatrisch ziekenhuis niet worden afgeleid dat het onrechtmatig heeft gehandeld. Daarnaast zou de man in ieder geval geen schadevergoeding kunnen vorderen over de periode voorafgaand aan het indienen van de klachten bij de klachtencommissie. Bovendien zou de man geen schade hebben geleden en alleen maar voordelen en geen nadelen hebben ondervonden van de medicatie.
De rechtbank overweegt dat als de Bopz-rechter de klacht gegrond heeft verklaard, dit in beginsel bindende kracht heeft voor de burgerlijke rechter die een oordeel moet geven over de gevorderde schadevergoeding. De rechtbank verwerpt eveneens de stelling van het ziekenhuis, als zou geen schadevergoeding kunnen worden gevorderd over de periode voorafgaand aan het indienen van de klachten bij de klachtencommissie.
Ook het standpunt dat de man geen schade heeft geleden, wordt verworpen. De man is door de ongeoorloofde toepassing van dwang in zijn persoon aangetast. Op grond daarvan heeft hij aanspraak op vergoeding van het ondervonden leed. Het is bovendien niet redelijk om de beweerde gunstige invloed van de medicatie te verrekenen met het nadeel dat de man heeft ondervonden door de ongeoorloofde toediening ervan, aldus de rechtbank.
Voor de onrechtmatige separatie acht de rechtbank een vaste schadevergoeding van fl. 50.- per dag redelijk. Bij de vaststelling van dit bedrag is er rekening mee gehouden dat de man door zijn gedwongen opname al aanzienlijk in zijn vrijheid was beperkt. Voor de onrechtmatige medicatie is de omvang van de schadevergoeding o.a. afhankelijk van de manier waarop de medicatie wordt toegediend, wat voor medicatie het is, hoe vaak het wordt toegediend, de invloed ervan op lichaam en geest en de eventuele bijwerkingen. De rechtbank hanteert in dit geval fl. 100,- per keer dat de medicatie is toegediend ( Rb 's-Hertogenbosch, 2-11-2001, BJ 2002, 18).

Paraplumachtiging op eigen verzoek?

Bij de rechtbanken Amsterdam en Breda komen vorderingen binnen voor een machtiging op eigen verzoek. In beide gevallen gaat het om een patiënt die van zichzelf weet dat zijn ziekte ups en downs kent. Duidelijk is dat de patiënten niet onmiddellijk opgenomen willen worden en de machtiging niet meteen ten uitvoer gelegd willen zien. De machtiging op eigen verzoek is bedoeld als paraplumachtiging voor het moment dat het slecht met hen gaat.
In de Amsterdamse zaak gaat het om een man die lijdt aan een bipolaire stoornis. In zijn manische episodes is er gevaar dat hij maatschappelijk ten onder gaat. Het gevaar dat tijdens die manische episodes optreedt, kan niet afgewend worden buiten een psychiatrisch ziekenhuis; hij weet echter van zichzelf dat hij dan niet bereid is om opgenomen te worden en wenst daarom een rechterlijke machtiging. De Rechtbank Amsterdam verleent de machtiging, ook nu duidelijk is dat betrokkene niet meteen opgenomen wil worden, maar de machtiging slechts als vangnet wil gebruiken.
In de Bredase zaak gaat het om een vrouw die vrijwillig op een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis verblijft. De rechtbank wijst de vordering af omdat de vrouw aangeeft geen opname te  wensen en kiest voor een ambulante behandeling. De rechterlijke machtiging is slechts bedoeld ter motivatie van die ambulante behandeling als stok achter de deur. De rechtbank oordeelt dat, nu blijkt dat de bereidheid tot opname ontbreekt en er alternatieven buiten het psychiatrisch ziekenhuis zijn om het gevaar af te wenden, niet voldaan is aan de wettelijke vereisten voor een rechterlijke machtiging (Rb Amsterdam, 20-04-2001, BJ 2001, 42 en Rb Breda 18-05-2001, BJ 2001, 46, m. nt. red.).

De Wet Bopz veronderstelt in de situatie dat er een machtiging op eigen verzoek gevraagd wordt, dat de betrokkene meteen opgenomen wordt. In beide zaken is een directe opname niet de bedoeling. Op de geschetste situatie zou de voorwaardelijke machtiging of de zelfbinding een passender antwoord kunnen bieden. Over het wetsvoorstel voorwaardelijke machtiging berichtten wij reeds enkele malen in de PVP-krant (laatstelijk in nr. 3, 2000, p. 3); over de zelfbinding trof u in de vorige krant een artikel aan.
Eerder verleende de Rechtbank Zwolle ook een paraplumachtiging op eigen verzoek (Rb Zwolle, 06-01-2001, kBJ 2000, 38). Aan deze zaak besteedden wij aandacht in PVP-krant nr. 2, 2000 p. 19.

Dwangopneming voor dwangbehandeling

Een voorlopige machtiging wordt verleend voor een vrijwillig opgenomen patiënte, omdat zij iedere behandeling weigert en het ziekenhuis slechts als verblijfsaccommodatie gebruikt. De machtiging was aangevraagd met het doel de vrouw gedwongen medicatie te kunnen toedienen. De vrouw stapt naar de Hoge Raad en voert daar aan dat de machtiging ten onrechte is verleend, omdat zij niet te kennen had gegeven haar vrijwillig verblijf te willen beëindigen en de nodige bereidheid tot voortzetting van dat verblijf bij haar aanwezig was. De Advocaat-generaal stelt in zijn conclusie dat ook in het geval dat een reeds vrijwillig in het ziekenhuis verblijvende patiënt niet te kennen geeft dat verblijf te willen beëindigen, een rechterlijke machtiging wordt vereist bij het ontbreken van de nodige bereidheid tot voortzetting van het verblijf op vrijwillige basis. Nu de patiënte iedere behandeling weigert heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat bedoelde nodige bereidheid ontbrak, aldus de Advocaat-generaal.
Voorts stelt de Advocaat-generaal vast dat een dwangopneming nodig is wanneer men gedwongen behandeling mogelijk wil maken. Een verschil van mening tussen een behandelaar en een vrijwillig opgenomen patiënt over een voorgenomen behandelwijze kan aldus inderdaad aanleiding vormen een rechterlijke machtiging uit te lokken. De Advocaat-generaal overweegt: “Formeel staat het verlenen van een machtiging los van de vraag hoe de machtiging ten uitvoer wordt gelegd, dus ook los van de vraag of tijdens de duur van de machtiging een dwangbehandeling zal worden toegepast... Inhoudelijk echter, kan een patiënt het verband leggen tussen de gevorderde machtiging en de wijze van tenuitvoerlegging door zijn bereidheid tot voortzetting van het vrijwillig verblijf in het ziekenhuis afhankelijk te stellen van het antwoord op de vraag of een bepaalde behandelwijze wel of niet zal worden toegepast. De rechter ontkomt er dan niet aan, in het kader van de beoordeling of de nodige bereidheid aanwezig is, impliciet een oordeel te geven over de voorgenomen behandelwijze”. De Advocaat-generaal concludeert dat de rechtbank in dit geval niet in hoefde te gaan op de verschillende behandelmogelijkheden binnen het ziekenhuis, omdat evident was dat de patiënte iedere vorm van behandelinterventie weigerde.
De Hoge Raad verwerpt het beroep op de gronden die de Advocaat-generaal heeft aangevoerd (HR 2-11-2001, BJ 2002, 1).

Het standpunt van de Advocaat-generaal in deze zaak, dat door de Hoge Raad in zijn beschikking niet wordt weersproken, brengt twee nieuwe gezichtspunten. In de eerste plaats lijkt de conclusie gerechtvaardigd, dat een gedwongen verblijfstitel moet worden verkregen indien een vrijwillig opgenomen patiënt niet langer blijk geeft van de nodige bereidheid tot voortzetting van het vrijwillig verblijf in het ziekenhuis. Dit kan betekenen dat bij wisselende stemmingen van een vrijwillig opgenomen patiënt al een inbewaringstelling of rechterlijke machtiging moet worden aangevraagd, terwijl tot dusver werd aangenomen dat de omzetting van een vrijwillig naar een onvrijwillig verblijf pas aan de orde komt als de patiënt expliciet aangeeft het ziekenhuis te willen verlaten. In de tweede plaats is het opmerkelijk dat de Advocaat-generaal wel heel stellig zegt dat een gedwongen opname nodig is wanneer men dwangbehandeling mogelijk wil maken. In de rechtspraak en de literatuur wordt hierover verschillend geoordeeld. Een andere optie dan via omzetting van het vrijwillig naar een onvrijwillig verblijf een voorgenomen dwangbehandeling onder het regime van de Wet Bopz te brengen, is dwangbehandeling toe te passen onder de vigeur van de Wgbo. Aan deze mogelijkheid kleven evenwel bezwaren, zoals de gebrekkige rechtsbescherming die de Wgbo in dezen biedt en het feit dat het betreffende wetsartikel uitsluitend van toepassing is op wilsonbekwame patiënten.