pvp
Home Organisatie Cijfers Contact Medewerkers

Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon 

 

Cliëntenrechten

De PVP-krant zet in ieder nummer interessante rechtspraak, klachtzaken en andere juridische ontwikkelingen in de psychiatrie op een rij.

Winter 2002

Deze keer diverse uitspraken over rechterlijke machtigingen (RM), waarom ze wel of niet verleend worden en een samenvatting van het vaak lange verhaal achter de aanvraag ervan.

Te gast in psychiatrisch ziekenhuis

Voor een vrouw wordt een machtiging tot voortgezet verblijf gevorderd. Reden voor deze vordering is het feit dat ze uitsluitend als gast in het psychiatrische ziekenhuis wil blijven. De behandelend arts stelt dat het ziekenhuis daarvoor niet bedoeld is. Bovendien vreest de arts dat als er geen machtiging komt de vrouw uit het ziekenhuis ontslagen zal moeten worden, terwijl zij naar zijn oordeel aan een geestesstoornis lijdt en een gevaar vormt.

Aan de vrouw is inmiddels voorwaardelijk ontslag verleend. Een voorwaarde is echter dat ze zelfstandige woonruimte zal betrekken en niet bij haar ouders gaat wonen, aangezien deze mensen door het gedrag van hun dochter dreigen te decompenseren. De vrouw zelf is van mening dat ze helemaal geen patiënt is, geen gevaar vormt en ook niet thuishoort in het psychiatrisch ziekenhuis. Ze vindt het onzin om naar woonruimte te zoeken omdat ze over vier weken naar het buitenland vertrekt.

De rechtbank is van oordeel dat er bij de vrouw geen sprake is van de door de wet bedoelde bereidheid om vrijwillig in het ziekenhuis te blijven. Het is immers niet de bedoeling van de wetgever geweest dat er ook sprake is van de nodige bereidheid als betrokkene uitsluitend als gast in het ziekenhuis wenst te verblijven. De rechtbank overweegt verder dat de vrouw, die zonder machtiging uit het ziekenhuis zal vertrekken, een gevaar zal veroorzaken omdat ze dan zal terugvallen op haar ouders. Nu ook aan de andere wettelijke criteria is voldaan, verleent de rechtbank de machtiging. (Rb Zwolle 14-11-2001, BJ 2002, 31.)

Burenzorg

Bij de Rechtbank Amsterdam wordt een voorlopige machtiging verzocht voor een zelfstandig wonende man. De rechtbank is van oordeel dat de geestelijke stoornis van de betrokkene geen substantieel gevaar oplevert en dat om die reden geen machtiging afgegeven wordt. De man verwaarloost zichzelf niet. Weliswaar is zijn eetpatroon niet in overeenstemming met wat normaal wenselijk wordt gevonden, maar van opvallende vermagering is geen sprake. Zijn woning zou beter opgeruimd kunnen worden, maar is niet ernstig vervuild. Hoewel de man zijn post niet tijdig opent, is dat onvoldoende om te stellen dat betrokkene zijn financiën slecht beheert. Hij betaalt zijn huur op tijd.

Ter zitting heeft de man verklaard dat hij voetbalt en bij een zangkoor zit en uit niets is gebleken dat deze informatie onjuist zou zijn. De buurtregisseur heeft verklaard dat de buren geen overlast van de man ondervinden, maar dat zij zich slechts zorgen om hem maken. De rechtbank concludeert dat niet voldaan is aan het vereiste gevaar en dat evenmin sprake is van maatschappelijke teloorgang, zodat het verzoek wordt afgewezen. (Rb Amsterdam, 5-3-2002, BJ 2002, 33.)

Goede baan en sociaal leven kwijt

Bij de Rechtbank Amsterdam wordt een voorlopige machtiging verzocht voor een jonge vrouw, die ten gevolge van haar wanen zichzelf verwaarloost en zich maatschappelijk te gronde richt.

Voordat zij ziek werd, had de vrouw een goede baan en een druk sociaal leven. Inmiddels is zij haar baan kwijt, haar vrienden zijn verdwenen en van haar drukke sociale leven is niets meer over. Zij is niet meer in staat om voor zichzelf te zorgen, zit de hele dag in het huis van haar ouders of dreigt zichzelf te schaden door haar reis- en zwerfgedrag. Zij weigert medicatie en behandeling omdat ze zelf vindt dat ze niet ziek is. De familie zorgt voor haar en houdt haar thuis.

Haar raadsman voert aan dat, zo er al sprake is van gevaar, dit kan worden afgewend buiten een psychiatrisch ziekenhuis omdat de vrouw terug kan vallen op het steunkader van haar familie, bij wie ze immers al wordt verzorgd.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de vrouw gevaar veroorzaakt door een stoornis van de geestvermogens, te weten een psychose mogelijk in het kader van een waanstoornis. Dit gevaar bestaat uit maatschappelijke teloorgang en zelfverwaarlozing en kan niet buiten een psychiatrisch ziekenhuis worden afgewend. Een voortdurend verblijf in het huis van haar ouders maakt geen einde aan haar geïsoleerde positie, maar versterkt die daarentegen. De rechtbank overweegt daarnaast dat het steunkader van haar familie niet doorlopend ter beschikking kan staan, daar de moeder al heeft aangegeven de continue zorg voor haar dochter niet langer aan te kunnen.

Nu bij de vrouw ook de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis ontbreekt, verleent de rechtbank een voorlopige machtiging voor de duur van zes maanden. (Rb.Amsterdam, 09-04-2002, BJ 2002 27.)

Hoorplicht verzaakt

Nadat het voorwaardelijk ontslag van een patiënt is ingetrokken en hij gedwongen (her)opgenomen is in een psychiatrisch ziekenhuis, vraagt hij het oordeel van de rechtbank over de gang van zaken.

Voor de heropneming verbleef betrokkene in zijn eigen woning, waar hem tijdens een gesprek met zijn sociaal-psychiatrisch verpleegkundige werd meegedeeld dat zijn behandelaars een langdurige klinische opname gewenst achtten, waarop betrokkene te kennen gaf dat niet te willen. Door de behandelaar(s) zelf is hij niet gehoord. Vervolgens is hij pas op de hoogte gesteld van de intrekking van het voorwaardelijk ontslag op het moment dat hij daadwerkelijk van huis werd opgehaald omdat men bang was dat hij, om opname te voorkomen, naar het buitenland zou vertrekken.

Volgens de behandelaar was intrekking van het voorwaardelijk ontslag onder meer nodig, omdat zijn moeder tijdens een familiegesprek - waarbij betrokkene overigens zelf niet aanwezig was - had gezegd dat het weer slechter ging met haar zoon en hij geluidsoverlast veroorzaakte. Daarnaast had een overbuurman van betrokkene verteld dat hij, kort voor zijn heropname, bezig was met brandende kaarsen voor zijn zolderraam. Volgens zijn behandelaar moet het gedrag van de betrokkene worden opgevat als crisissignalen, die duiden op het begin van een decompensatie.

Ten tijde van de (her)opname was echter geen sprake van decompensatie, verklaart de toenmalige behandelaar. De man was niet psychotisch of agressief. De rechtbank is van oordeel dat de patiënt gehoord had moeten worden voor het nemen van de beslissing tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag. De behandelaars hebben niet voldaan aan de hoorplicht zoals omschreven in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht.

Er waren volgens de rechtbank geen redenen om van het horen af te zien. Ook vindt de rechtbank dat de man de voorwaarden die aan het voorwaardelijk ontslag verbonden waren, niet heeft overtreden. Er was immers tijdens de heropname geen sprake van decompensatie.

Om die reden was van een wettelijke plicht tot opname evenmin sprake.

De rechtbank vernietigt dan ook de beslissing van de geneesheer-directeur vanwege het schenden van de hoorplicht en vanwege het ontbreken van gronden voor de intrekking van het voorwaardelijk ontslag. (Rb Amsterdam 9-01-2002, BJ 2002, 24.)

Latent gevaar

Een patiënt wordt vanuit een algemeen psychiatrisch ziekenhuis voor crisisinterventie geplaatst in een Kliniek Intensieve Behandeling. Daar wordt hij direct gesepareerd. Na enkele dagen wordt de separatie omgezet in afzondering op de eigen kamer van de patiënt. Het geheel duurt een kleine drie weken. Gedurende die periode mogen de ouders van de patiënt hem niet bezoeken. Elf dagen na opname worden de separatie en de afzondering in het behandelingsplan van de patiënt opgenomen en vindt melding van dwang­behandeling aan de inspectie plaats. De klachtencommissie van het ziekenhuis, waar de patiënt zich in eerste instantie toe wendt, toetst de separatie/afzondering aan art. 40 Wet Bopz (beperking van de bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis) en verklaart de klachten ongegrond. De patiënt wendt zich vervolgens tot de rechtbank.

De rechtbank verklaart de klacht tegen de beperking van het bezoek ongegrond, nu het ziekenhuis aannemelijk heeft gemaakt dat van het bezoek van de ouders ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheidstoestand van de man te duchten waren.

Met betrekking tot de klacht tegen de separatie/afzondering oordeelt de rechtbank dat de klachtencommissie deze ten onrechte heeft behandeld als een klacht tegen een beperking van de bewegingsvrijheid, nu de behandelend psychiater heeft verklaard dat de maatregel met name werd opgelegd omdat ernstig gevaar voor de patiënt zelf en voor anderen als gevolg van zijn geestesstoornis was te duchten. De rechtbank concludeert dan ook dat separatie/afzondering aanvankelijk plaatsvond in het kader van de toepassing van Middelen en Maatregelen (art. 39 Wet Bopz) en, na de maximum termijn van 7 dagen, in het kader van dwangbehandeling op de voet van art. 38 lid 5 Wet Bopz. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het ziekenhuis voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een ernstig latent gevaar voor de patiënt zelf en anderen. Bijvoorbeeld de mogelijkheid van brandstichting in de kliniek. Dit gevaar kon alleen door separatie/afzondering worden afgewend. Echter na termijn van 7 dagen voor het toepassen van Middelen en Maatregelen had het behandelingsplan in de separatie/afzondering moeten voorzien, maar dat is pas vier dagen later geschied. De rechtbank acht de afzondering gedurende die dagen dan ook onrechtmatig en verklaart de klachten op dat onderdeel gegrond. Voor het overige worden de klachten ongegrond verklaard. (Rb ’s Hertogenbosch 26-07-2002, BJ 2002, 40.)

Terecht rekent de rechtbank hier af met de wijze waarop de klachtencommissie de klacht tegen de separatie/afzondering heeft getoetst aan art. 40 Wet Bopz. Voor beperkingen op de voet van art. 40 gelden immers geheel andere (en lichtere) criteria dan voor het toepassen van Middelen en Maatregelen en/of dwangbehandeling. De door de wetgever beoogde rechtsbescherming bij ingrijpende dwanginterventies zou gemakkelijk ondergraven kunnen worden indien het ziekenhuis wordt toegestaan deze onder het lichtere criterium van art. 40 te brengen. Discussie is voorts mogelijk over de vraag of afzondering in de eigen kamer van de patiënt valt onder het begrip afzondering in het Besluit middelen en maatregelen Bopz. Afzondering wordt daar omschreven als het “insluiten van een patiënt in een speciaal daarvoor bestemde eenpersoonskamer”. Verdedigd kan worden dat de eigen kamer van de patiënt niet onder die definitie valt. Er is echter, vanuit het oogpunt van de rechtsbescherming van de patiënt, veel voor te zeggen dat er wel degelijk sprake is van afzondering (zeker als de deur wordt afgesloten, zoals in deze casus het geval was), maar dat deze niet wordt uitgevoerd in een speciaal daarvoor bestemde eenpersoonskamer.

Zieke moeder verwaarloost kinderen

Bij de Rechtbank Amsterdam wordt een voorlopige machtiging verzocht voor een vrouw die door een geestesstoornis haar kinderen verwaarloost. De verwaarlozing van de kinderen houdt in dat zij achterlopen in hun psychische en fysieke ontwikkeling. Hun moeder is niet in staat hen goed te begeleiden. Onder invloed van haar ziekte wil ze één van de kinderen, die in een medisch kleuterdagverblijf is geplaatst in verband met zijn ontwikkelingsachterstand, thuishouden. Het jongste kindje komt zelden tot nooit buiten en krijgt te weinig stimulans om zich te kunnen ontwikkelen.

Het gezin krijgt al van diverse instanties hulp, maar deze hulp stagneert door de ziekte van de moeder. Ook is een ondertoezichtstelling van de kinderen overwogen, waarbij een gezinsvoogd het gezin begeleidt bij de opvoeding van de kinderen, maar in deze situatie levert dit niet meer op dan de hulp die al geboden wordt. Een eventuele uithuisplaatsing van de kinderen zou het contact met de andere gezinsleden verbreken, zodat ook dat geen goed alternatief is. De moeder heeft haar raadsvrouwe gezegd dat zij bereid is om medicatie te nemen, maar haar echtgenoot (en vader van de kinderen) verklaart dat dit al langere tijd tevergeefs geprobeerd is.

De rechtbank is het met de psychiater eens dat de schade aan de ontwikkeling van de kinderen voornamelijk wordt veroorzaakt door de stoornis van de moeder.

Nu adequate alternatieven buiten het psychiatrisch ziekenhuis ontbreken en de vrouw onvoldoende bereidheid toont tot verblijf in het ziekenhuis, wordt de machtiging verleend. (Rb. Amsterdam 03-01-2002, BJ 2002.)

GK