|
Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg
Cliëntenrechten
De PVP-krant zet in ieder nummer interessante rechtspraak, klachtzaken en andere juridische ontwikkelingen in de psychiatrie
op een rij.
Voorjaar 2006
De wet (Stb. 2005, 617) tot herziening van
de klachtenregeling van de Wet Bopz is op 1 maart 2006 in werking
getreden. Deze herziening brengt een redactionele verandering en
een aantal inhoudelijke wijzigingen. Wat dat eerste betreft, de
klachtenregeling is nu gesplitst in art. 41 Bopz enerzijds en art.
41a en 41b Bopz anderzijds: eerstgenoemd wetsartikel handelt over
de gang van zaken bij de klachtencommissie, laatstgenoemde
artikelen over de procedure voor de rechter. De belangrijkste
inhoudelijke wijzigingen volgen hieronder. De klachtgronden zelf
zijn onveranderd gelaten.
Gespecificeerde beslissingen
Op de eerste plaats is de aard van de door
de klachtencommissie dan wel rechter te nemen beslissing nader
gespecificeerd (art. 41 lid 7 t/m 10 resp. art. 41a lid 10 t/m
13). De beslissing kan inhouden (1) dat de commissie c.q. de
rechtbank onbevoegd is, (2) dat de klacht niet-ontvankelijk is,
(3) dat de klacht ongegrond is, of (4) dat de klacht gegrond is.
Overigens kan een klacht door de klachtencommissie ook buiten
behandeling worden gelaten, en wel wanneer een gelijke klacht nog
bij haar in behandeling is (art. 41 lid 5). Terzake van het
verschil tussen (1) onbevoegdheid en (2) niet-ontvankelijkheid,
blijkt uit de Memorie van Toelichting dat een klachtencommissie
zichzelf onbevoegd zal verklaren bij klachten over andere
beslissingen dan die welke genoemd worden in art. 41 lid 1 Bopz,
terwijl zij zal concluderen tot nietontvankelijkheid als een
klacht afkomstig is van iemand die daartoe niet bevoegd is
verklaard in art. 41 lid 1 Bopz; de rechtbank zal een verzoek of
klacht niet-ontvankelijk verklaren, indien de klachtencommissie
tijdig een beslissing heeft genomen die strekt tot
gegrondverklaring (zie noot
1), of indien de klager de
"beroepstermijn" van zes weken overschrijdt (art. 41a
lid 1 - zie verder). In geval van (4), gegrondverklaring,
vernietigt de oordelende instantie de bestreden beslissing geheel
of gedeeltelijk (art. 41 lid 8; art. 41a lid 11) en kan zij
opdracht geven tot het nemen van een nieuwe beslissing of tot het
verrichten van een andere handeling (art. 41 lid 9; art. 41a lid
12). Bij de uitwerking van de mogelijke beslissingen spreekt de
nieuwe wettekst over "de voor de behandeling
verantwoordelijke persoon" (art. 41 leden 9 & 10; art.
41a leden 12, 13 & 14). Deze formulering ondersteunt de
opvatting dat de behandelaar niet alleen verantwoordelijk is voor
de in art. 38 Bopz genoemde beslissingen met betrekking tot
wilsonbekwaamverklaring en dwangbehandeling en voor het niet
toepassen van het overeengekomen behandelingsplan, maar dat ook
beslissingen met betrekking tot middelen of maatregelen in
tijdelijke noodsituaties (art. 39 Bopz) en die met betrekking tot
overige vrijheidsbeperkingen (art. 40 Bopz) door de behandelaar
genomen dienen te worden. Genoemde opvatting bleek tot nu toe niet
met zoveel woorden uit de wettekst, maar was wel reeds gangbaar.
Beroepstermijn (zie noot
2)
Ten tweede
bevat de nieuwe regeling in tegenstelling tot de oude een termijn
waarbinnen uiterlijk bij de rechter - al dan niet via de
inspecteur - geklaagd kan worden. De termijn voor indiening van
een verzoek bij inspecteur c.q. rechter bedraagt zes weken (41a
lid 1 resp. lid 5). Deze termijn gaat in op de dag na die waarop
de commissie uiterlijk had moeten beslissen, of op de dag waarop
de beslissing van de commissie (niet inhoudende een
gegrondverklaring) aan de klager bekend is gemaakt.
Rechterlijke procedure
Op de derde plaats wordt een regeling
gegeven van de relatieve competentie van de rechtbank (41a lid 1):
bevoegd is de rechtbank van het arrondissement waarin het
betrokken psychiatrisch ziekenhuis ligt. Ten vierde is behalve aan
de klachtencommissie nu ook aan de rechter uitdrukkelijk een
schorsingsbevoegdheid toegekend ten aanzien van de beslissing
waarover wordt geklaagd (41a lid 7). Tevens is de mogelijkheid van
cassatieberoep bij de Hoge Raad opengesteld (41a lid 9). Door deze
wijziging kan meer rechtseenheid gebracht worden in de
interpretatie van de rechtmatigheid van klachtwaardige
beslissingen.
Dwangsom en schadevergoeding
Als voorlaatste inhoudelijke wijziging wordt
hier genoemd dat de rechter een dwangsom kan opleggen (41a lid
14). Dit betekent dat het psychiatrisch ziekenhuis een door de
rechter vast te stellen geldbedrag aan de patiënt moet betalen
als de behandelaar zich niet houdt aan de beslissing van de
rechter.
Tot slot introduceert de regeling voor de patiënt de mogelijkheid
om in dezelfde procedure als die waarin zijn klacht beoordeeld
wordt, aan de rechter te verzoeken hem een schadevergoeding toe te
kennen vanwege de onrechtmatigheid van de bestreden beslissing (art.
41b). In vergelijking met de voor schadevergoedingsacties
gebruikelijke dagvaardingsprocedure is deze procedure duidelijk
laagdrempeliger.
Kanttekeningen
De besproken herziening kwam eerder kort ter
sprake in de pvp-jaarkrant van zomer 2004 (14e jaargang, nummer 2,
p. 11). In genoemde bijdrage wordt
gewezen op het commentaar van de Stichting PVP bij het
desbetreffende wetsvoorstel. Hierin signaleerde de stichting onder
meer het probleem dat de in art. 41b Bopz bedoelde laagdrempelige
mogelijkheid tot het verkrijgen van een schadevergoeding niet
openstaat voor patiënten wier klacht al door de klachtencommissie
gegrond wordt verklaard. De suggestie om deze mogelijkheid mede
voor die laatsten open te stellen, is door de wetgever niet
overgenomen. Evenmin is geregeld dat de procedure bij de rechtbank
steeds gratis is. Zie in verband met deze kwestie ook het in deze
aflevering opgenomen artikel over griffierechten en andere
financiële aspecten ("Rechterlijke toetsing van dwang kost
patiënten veel geld", pag. 2), waarin het overigens nog gaat
om de oude regeling.
Inwerkingtreding en nieuwe wijziging?
De plotselinge inwerkingtreding van de
nieuwe Bopz-klachtenregeling heeft enigszins verrast. Op 15
november jongstleden is in de Eerste Kamer een motie aangenomen in
verband met de gewenste plicht voor de instelling om bij
gegrondverklaring van een klacht te overwegen welke psychiater het
best met de verdere behandeling van de patiënt belast kan zijn (Handelingen I 2005/06, 6, p. 232).
Aldus kan voorkomen worden dat een psychiater wordt gedwongen tot
het nemen van beslissingen of het verrichten van handelingen die
hij niet voor zichzelf kan verantwoorden (vgl. art. 41 lid 9 c.q.
art. 41a lid 12 Bopz). De minister van VWS reageerde positief op
deze motie. De verwachting was dan ook bij sommigen dat de
regeling voorafgaand aan de inwerkingtreding zou worden aangepast.
Dat is dus niet gebeurd.
-
Noot 1:
Vgl. Lennaerts, A.H.J. (2005). Het bestuursrechtelijk ABC van
de Wet Bopz (en aanliggende kwesties). <<BJ>>
Plus, jaargang 11, 11 juni 2005, p. 44.
Noot 2: Strikt genomen is er geen sprake van beroep (en
dus ook niet van een beroepstermijn), omdat de rechtbank niet
de uitspraak van de klachtencommissie, maar de oorspronkelijke
klacht aan een beoordeling onderwerpt (vgl. art. 41a lid 1
Bopz).
SPKW
Opnieuw rumoer omtrent voorwaardelijke machtiging
In eerdere PVP-kranten is reeds
herhaaldelijk aandacht besteed aan de voorwaardelijke machtiging
(zie bijvoorbeeld PVP-krant 2005-2, p. 5, en PVP-krant 2005-3, p.
8). Deze maatregel is bedoeld ter vervanging van de zogenaamde
paraplumachtiging, dat wil zeggen een machtiging waarbij
onmiddellijk voorwaardelijk ontslag aan de patiënt wordt verleend
(of die überhaupt niet ten uitvoer wordt gelegd zolang de
patiënt zich aan bepaalde voorwaarden houdt).
Een terugblik: grenzen aan de
voorwaardelijke machtiging
Met een voorwaardelijke machtiging wordt beoogd om gevaar in een
ambulante setting af te wenden door het stellen van voorwaarden,
waaronder veelal het innemen van medicatie. Voor zo'n
voorwaardelijke machtiging is een bereidverklaring van de patiënt
vereist (art. 14a lid 8 Bopz). Met de introductie van de
voorwaardelijke machtiging is dit bereidheidsvereiste ook
ingevoerd met betrekking tot het voorwaardelijk ontslag (art. 47
lid 2 jo art. 45 lid 3 Bopz). Bij beschikking van 29 april 2005
(HR 29-4-2005, <<BJ>> 2005/15, m.nt. T.P. Widdershoven)
is door de Hoge Raad bepaald dat een "voldoende
vertrouwen" dat betrokkene zich naar de voorwaarden gedraagt,
niet volstaat. Vanuit de regering was eerder aangegeven dat zo'n
vertrouwen wel voldoende kon zijn. De formulering "indien de
betrokkene zich bereid heeft verklaard" (art. 14a lid 8 Bopz)
dient naar het oordeel van de Hoge Raad strikt te worden
geïnterpreteerd. Gevolg van die uitspraak was dat er
uitdrukkelijke geïnformeerde toestemming van de patiënt moet
zijn met de voorwaarden. Met de uitspraak van de Hoge Raad werd
het minder eenvoudig om een voorwaardelijke machtiging te
verlenen. De regering maakte kenbaar dat een wetswijziging aan het
parlement zou worden voorgelegd, maar vooralsnog is het daarvan
niet gekomen. In de praktijk werd nu en dan opnieuw de
paraplumachtiging van stal gehaald. Daar maakt de Hoge Raad nu een
eind aan.
Huidige stand: exit paraplumachtiging
De desbetreffende beschikking van de Hoge
Raad is in lijn met die van 29 april 2005 (HR 11-11- 2005; te
verschijnen in <<BJ>> 2006, aflevering 1, m.nt. W.
Dijkers). Het gaat om een zaak waarbij door de Officier van
Justitie een machtiging tot voortgezet verblijf was verzocht voor
iemand die vanwege voorwaardelijk ontslag feitelijk niet in een
psychiatrisch ziekenhuis verbleef. De rechtbank had het verzoek
toegewezen, omdat de machtiging noodzakelijk was "als
vangnet, teneinde de thans bestaande situatie te kunnen laten
voortduren". De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de
rechtbank. In zijn motivatie beroept de Hoge Raad zich op de
toelichting van de wetgever bij de voorwaardelijke machtiging.
Hierin wordt gesteld dat voorwaardelijke machtigingen de voorkeur
verdienen boven paraplumachtigingen omdat eerstgenoemde
machtigingen een grotere rechtsbescherming voor de patiënt
impliceren. Deze rechtsbescherming blijkt enerzijds uit het nodige
overleg met de patiënt over de voorwaarden (tót de invoering van
de voorwaardelijke machtiging was dit immers niet vereist bij
voorwaardelijk ontslag), anderzijds uit het feit dat bij
voorwaardelijke machtigingen niet de geneesheer-directeur maar de
rechter de voorwaarden toetst. Het toelaatbaar achten van
paraplumachtigingen in gevallen waarin de vereiste instemming en
bereidverklaring van de patiënt niet kunnen worden verkregen, zou
de gewenste verbetering van diens rechtspositie op losse schroeven
zetten. Exit paraplumachtiging. Dijkers stelt in zijn annotatie
vast dat er voor diegenen die niet uitdrukkelijk bereid zijn om
voorwaarden na te leven, nog maar twee modaliteiten zijn, te weten
opgenomen worden in het ziekenhuis of afwachten totdat de situatie
zozeer is verslechterd dat opneming alsnog moet volgen. Volgens
Dijkers wordt hiermee "een hoogst ongelukkige situatie"
gecontinueerd. De annotator prijst het feit dat de Hoge Raad de
wetgever aan zijn eigen woorden houdt. Hij vindt het echter
onbegrijpelijk dat de regering er nog niet in is geslaagd een
voorstel tot reparatie van de Wet Bopz aan het parlement voor te
leggen. Als praktische benadering stelt hij voor dat in situaties
die zich hiervoor lenen, primair een voorwaardelijke machtiging
verzocht wordt en subsidiair een opnemingsmachtiging.
SPKW
|