De PVP-krant zet in ieder nummer interessante rechtspraak, klachtzaken en andere juridische ontwikkelingen in de psychiatrie
op een rij.
voorjaar 2007
Een nieuwe wet maakt het psychiatrische
patiënten mogelijk zelf aan te geven wanneer later verzet van hen
tegen hun opname of behandeling genegeerd moet worden. Deze op 20
november 2006 tot stand gebrachte wet zelfbinding (Stb. 2006, 680)
is daarom wel in verband gebracht met Odysseus, die zichzelf door
zijn manschappen aan de mast laat binden om het gezang der Sirenen
te kunnen weerstaan (zie noot 1). De cliëntenbeweging heeft deze
wetswijziging mede bepleit (zie noot 2).
Dwang zonder gevaar
Genoemde wet introduceert in de Wet Bopz
voor personen van zestien jaar of ouder die ervaring Hebben met
opneming en verblijf (MvT, p. 7, 12), in de sector psychiatrie de
rechtsfiguur zelfbinding.
Nieuw aan deze rechtsfiguur is dat een patiënt onder bepaalde
omstandigheden in wilsonbekwame toestand tegen zijn zin behandeld
en eventueel zelfs opgenomen kan worden, terwijl dat niet nodig is
om gevaar te voorkomen (het reguliere criterium voor dwangopname
en -behandeling in de Wet Bopz).
Voorwaarde is dat de patiënt zelf deze wens van tevoren in
wilsbekwame toestand heeft neergelegd in een zogeheten
zelfbindingsverklaring, en dat daarin de omstandigheden, de te
ondergane behandeling en de duur daarvan zijn gespecificeerd.
Twee typen zelfbindingsverklaring
De wet kent twee typen
zelfbindingsverklaring. Het eerste type heeft zowel betrekking op
opneming en verblijf, als ook op behandeling (art. 34a). In dit
type brengt de patiënt tot uitdrukking onder welke omstandigheden
hij wil worden opgenomen en welke behandeling hij dan wil
ondergaan.
Het tweede type zelfbindingsverklaring richt zich uitsluitend op
behandeling (art. 34p). Dit type is slechts toepasselijk indien de
desbetreffende patiënt gedwongen wordt opgenomen op grond van een
voorlopige machtiging of een inbewaringstelling.
Vastlegging en geldigheidsduur
Beide typen van zelfbindingsverklaring
worden opgesteld door de patiënt in overleg met een psychiater
die aan het ziekenhuis is verbonden waar eventuele opname zal
plaatsvinden. Een andere, niet bij de behandeling betrokken
psychiater moet, na de patiënt kort tevoren onderzocht te hebben,
verklaren dat deze wilsbekwaam was tijdens het afleggen van de
verklaring. Daarnaast dient laatstgenoemde psychiater te verklaren
dat de in de verklaring voorziene aanpak de patiënt naar
verwachting weer wilsbekwaam zal maken ter zake van behandeling.
Vervolgens wordt de verklaring schriftelijk vastgelegd, gedateerd
en ondertekend door de patiënt en de beide psychiaters. De
patiënt krijgt het origineel. De aan het ziekenhuis verbonden
psychiater verschaft gewaarmerkte kopieën aan (een) door de
patiënt aangewezen vertrouweling(en) en de inspecteur.
De geldigheidsduur van de verklaring bedraagt een jaar. Zij kan
volgens de hierboven beschreven procedure telkens voor eenzelfde
periode worden verlengd. Overigens is het tot de laatste dag
waarop de verklaring geldig is, mogelijk hierop een
zelfbindingsmachtiging -zie verder- te baseren (MvT, p. 12).
Machtiging door de rechter
Indien een patiënt een
zelfbindingsverklaring van het eerste type heeft opgesteld, kan de
rechter op verzoek van de officier van justitie een
zelfbindingsmachtiging verlenen. Dit kan wanneer de in de
verklaring beschreven omstandigheden zich daadwerkelijk voordoen,
maar de patiënt onvoldoende bereid is tot opneming, verblijf en
behandeling. De rechter toetst alleen of de bedoelde
omstandigheden inderdaad bestaan, en niet of opneming en
behandeling noodzakelijk zijn (MvT, p. 13). Op deze procedure zijn
de voorschriften omtrent de "gewone" voorlopige
machtiging van overeenkomstige toepassing. De rechter beslist
uiterlijk binnen vijf dagen na indiening van het verzoek. De duur
van de zelfbindingsmachtiging is maximaal even lang als die van de
in de verklaring beschreven behandeling; deze kan op haar beurt
hoogstens zes weken duren.
Mogelijk wordt ten aanzien van betrokkene tevens een
inbewaringstelling of voorlopige machtiging afgegeven, bij
voorbeeld omdat de in de verklaring voorziene interne
rechtspositie -zie verder- niet toereikend blijkt om de patiënt
adequaat op te vangen. De zelfbindingsmachtiging vervalt dan.
Vanaf dat moment telt de zelfbindingsverklaring als een verklaring
van het tweede type. Heeft een patiënt een zelfbindingsverklaring
van het tweede type, dan wordt deze juridisch actueel zodra de
betrokken patiënt een reguliere Bopz-titel krijgt. Hier gelden
uiteraard de gebruikelijke criteria voor gedwongen opneming.
Interne rechtspositie
Op een patiënt met een
zelfbindingsverklaring van het eerste type plus een daarop
gebaseerde zelfbindingsmachtiging is hoofdstuk III van de Wet Bopz
niet van toepassing. Dit betekent onder meer dat de mogelijkheden
van dwangbehandeling ex art. 38 lid 5 derde volzin, middelen en
maatregelen ex art. 39 en overige vrijheidsbeperkingen ex art. 40
op zo'n patiënt niet van toepassing zijn. Zonder toestemming kan
de patiënt enkel worden onderworpen aan die behandeling waarin
voorzien is in de zelfbindingsverklaring. Het Bopz-klachtrecht
staat niet open, tenzij de klacht inhoudt dat bedoelde behandeling
achterwege blijft. Anders ligt dit bij gedwongen opgenomen
patiënten met een zelfbindingsverklaring van het tweede type. Op
hen is hoofdstuk III wel van toepassing. Dwangbehandeling kan dus
plaatsvinden krachtens art. 38 lid 5. In aanvulling daarop kan de
in de verklaring voorziene behandeling onder dwang worden
uitgevoerd.
Tot slot
De hier besproken wetswijziging is nog niet
in werking getreden. Dit zal geschieden op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip. Hopelijk loopt het met diegenen die
daarvan gebruik zullen maken, even goed af als met Odysseus: na
een avontuurlijke reis keert die behouden weder thuis bij zijn
familie op Ithaka.
Noot 1:
Berghmans, R.L.P. (1992). Om Bestwil, Paternalisme in de
Psychiatrie: een gezondheidsethische studie. Amsterdam: Thesis
Publishers.
Noot 2: Cliëntenbond in de Geestelijke Gezondheidszorg. (1994).
Voorwaarden zelfbindingscontract. Bulletin (September 1994),
22-23.
Hunsche, P., Geelen, K., & Graaf, W. v.d. (1998). Een
haalbare kaart: wilsverklaringen en zelfbinding in de
psychiatrie. Utrecht: Trimbos-instituut i.s.m. Instituut voor
Gebruikersparticipatie en Beleid.
Stichting Pandora. (1994). Wilsverklaring en signalenplan.
Amsterdam.
SW
Gegrond of ongegrond: zo luiden
beslissingen van klachtencommissies. In deze rubriek worden
klachten besproken die aan een klachtencommissie zijn voorgelegd.
Wat besliste de commissie, en waarom?
Niet vrij wandelen
Een cliënt mag niet meer naar buiten
wanneer hij wil. Hij dient op de afdeling te blijven, hebben zijn
behandelaars bepaald. De cliënt dient over deze
vrijheidsbeperking een klacht in bij de klachtencommissie. De
cliënt heeft eerder al bij de behandelaar een verzoek ingediend
om meer vrijheden te krijgen; dat verzoek werd door de behandelaar
afgewezen. Vandaar dat de cliënt zich nu tot de klachtencommissie
wendt.
Hij geeft in zijn klaagschrift aan dat er naar zijn mening
onvoldoende grond is voor een vrijheidsbeperking; er is geen enkel
gevaar als hij af en toe wat buiten wandelt. De cliënt vraagt
eveneens aan de klachtencommissie om de maatregel te schorsen
totdat de commissie een uitspraak heeft gedaan. De commissie kan
dat doen wanneer ze uit het eerste onderzoek de indruk krijgt dat
daar voldoende reden voor is. De commissie neemt de klacht wel in
behandeling, maar gaat tot teleurstelling van de cliënt niet over
tot schorsing van de maatregel. Hij moet hangende de beslissing
van de commissie dus nog binnen blijven.
Nadelige gevolgen
Op de zitting wordt er geluisterd naar de
motivatie van de cliënt om opheffing van de maatregel te vragen
en ook het verweer van de behandelaar wordt besproken. De cliënt
maakt op de zitting nogmaals duidelijk dat het halve uur vrijheid
dat hij kreeg onvoldoende is en dat er onvoldoende gronden zijn om
zijn vrijheid zo te beperken. De verweerders stellen dat de
cliënt al jaren hetzelfde ziekteverloop vertoont, en dat ze uit
ervaring weten dat uitbreiding van vrijheden een verergering van
het ziektebeeld geeft. Het recht op vrijheid mag alleen beperkt
worden indien gevreesd wordt voor ernstige nadelige gevolgen voor
de gezondheid van de cliënt, of ter voorkoming van een strafbaar
feit. Uit de stukken en uit de informatie die de commissie op de
zitting heeft gekregen maakt de commissie op dat er voldoende
redenen zijn om aan te nemen dat de gezondheid van de cliënt
inderdaad in gevaar komt wanneer de cliënt volledige vrijheid
krijgt buiten de afdeling. Verder denkt de commissie dat het
behandelteam op zorgvuldige wijze omgaat met de
vrijheidsbeperking; er is een redelijk stappenplan opgesteld, de
cliënt is hierover uitgebreid geïnformeerd, en hij is goed op de
hoogte van de afspraken over zijn beperkte vrijheden. De commissie
is van mening dat de inperking van de vrijheid niet in strijd is
met wet- en regelgeving, en verklaart de klacht van de cliënt ongegrond.
NvdB