De PVP-krant zet in ieder nummer interessante rechtspraak, klachtzaken en andere juridische ontwikkelingen in de psychiatrie
op een rij.
Zomer 2007
In deze rubriek komen twee uitspraken van de Hoge Raad aan bod. In de eerste uitspraak wordt op grond van Europese normering het wettelijk bereik van de observatiemachtiging ingeperkt. De tweede uitspraak specificeert de aard van het Bopz-klachtrecht in de fase voor de rechter, ex art. 41a van genoemde wet.
Voldoende zekerheid over aanwezigheid geestesstoornis vereist voor observatiemachtiging
De Hoge Raad oordeelt dat er voor het verlenen van een observatiemachtiging voldoende zekerheid moet zijn dat de betrokken patiënt een geestesstoornis heeft. Alleen een vermoeden van een dergelijke stoornis is niet genoeg.
Een mevrouw gaat in cassatieberoep tegen een ten aanzien van haarzelf verleende observatiemachtiging. Betoogd wordt dat het wettelijk criterium van art. 14h lid 1 van de Wet Bopz in strijd is met art. 5 (lid 1 aanhef en onder e) van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens het genoemde criterium van de Wet Bopz kan een observatiemachtiging verleend worden “indien het ernstig vermoeden bestaat dat een stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar voor zichzelf doet veroorzaken”. Volgens deze wettekst, die spreekt van “vermoeden”, hoeft dus noch het bestaan van de stoornis, noch het gevaar voor betrokkene, noch het oorzakelijk verband tussen beide met zekerheid vast te staan. De opneming op grond van een observatiemachtiging is juist mede bedoeld om te onderzoeken of van een dergelijke stoornis sprake is. In het EVRM is echter een striktere norm te vinden: afgezien van spoedeisende situaties of gevallen waarin betrokkene wegens diens gewelddadige gedrag is gedetineerd, zou art. 5 EVRM detentie slechts toelaten van hen die daadwerkelijk geestesziek zijn.
Voortbouwend op rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt de Hoge Raad dat vrijheidsbeneming van geesteszieken in beginsel alleen toelaatbaar is wanneer daaraan voorafgaand op deugdelijke wijze is aangetoond dat de betrokkene geestesziek is. Dit betekent dat uit de overgelegde geneeskundige verklaring met voldoende zekerheid moet kunnen worden opgemaakt dat de patiënt lijdt aan een stoornis van de geestvermogens. Wat betreft de omstandigheid dat deze stoornis de betrokkene gevaar doet veroorzaken, volstaat wel een ernstig vermoeden. In het voorliggende geval voldoet de geneeskundige verklaring over mevrouw aan bedoeld vereiste: daarin blijkt dat er sprake is van een paranoïde waanstoornis in het kader van schizofrenie. Het gevoerde betoog kan haar daarom niet baten (HR 15-12-2006, <> 2007/2, m.nt. W. Dijkers).
Dijkers merkt in zijn annotatie op dat de Hoge Raad met deze beschikking het toepassingsgebied van de observatiemachtiging zeer aanzienlijk heeft beperkt. Bij onzekerheid over het bestaan van een stoornis is onvrijwillige observatie niet aan de orde. Een “ernstig vermoeden” is enkel voldoende ten aanzien van gevaar en het causaal verband. De annotator ziet wel ruimte voor een observatiemachtiging als reeds vaststaat dát er een geestesstoornis is, maar de vraag wélke het betreft, nog beantwoord moet worden. Men kan zich afvragen of zekerheid over de aanwezigheid van een geestesstoornis denkbaar is zonder kennis van de aard daarvan. Overigens besteedt Dijkers ook aandacht aan het (niet )horen van betrokkene, dat in de beschikking eveneens een rol speelt.
Onderwerp van toetsing door rechtbank in procedure ex art. 41 e.v. Wet Bopz
De Hoge Raad oordeelt dat een rechtbank bij een klacht tegen een dwangbehandeling de volgende zaken moet toetsen: ten eerste, of oorspronkelijk terecht tot dwangbehandeling was beslist; en – zo ja – ten tweede, of ten tijde van de rechtszitting voortzetting van de dwangbehandeling nog noodzakelijk is. Er dient derhalve door de rechtbank gekeken te worden naar de vroegere én eventueel naar de huidige situatie.
Een patiënt verblijft onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis en wordt daar geconfronteerd met een besluit tot dwangbehandeling. Op de dag dat deze dwangbehandeling begint, dient betrokkene ex art. 41 Wet Bopz een klacht in bij de klachtencommissie. De commissie verklaart de klacht ongegrond, waarna betrokkene op grond van art. 41a Bopz aan de rechtbank verzoekt de klacht alsnog gegrond te verklaren. De rechtbank vraagt zich af wat ze precies moet toetsen, te weten 1) de beslissing tot toepassing van dwangbehandeling, genomen door de voor de behandeling verantwoordelijke persoon, 2) de klacht die bij de klachtencommissie is ingediend, 3) de beslissing van de klachtencommissie, of 4) de rechtmatigheid van de dwangbehandeling (zie <> 2006/41). Ofschoon de rechtbank zelf zou kiezen voor dat eerste, meent zij haar beoordeling toch te moeten richten op de rechtmatigheid van het toepassen der dwangbehandeling op het moment van haar beslissing. Dit standpunt baseert de rechtbank op rechtspraak die de Hoge Raad heeft ontwikkeld ten aanzien van verzoek tot ontslag en conversie van een voorwaardelijke machtiging. Aangezien de rechtbank gevaar aanwezig acht dat de dwangbehandeling rechtvaardigt, wijst ook zij het verzoek af.
Hierop legt betrokkene de zaak voor aan de Hoge Raad. Deze oordeelt, anders dan de rechtbank, ten eerste dat het gaat om de in volle omvang te onderzoeken vraag of, beoordeeld naar de ten tijde van de beslissing tot dwangbehandeling geldende omstandigheden (“ex tunc”), die behandeling volstrekt noodzakelijk was. Verder dient volgens de Hoge Raad de rechtbank eventueel, als de patiënt kenbaar maakt bezwaar te hebben tegen de voortzetting van de dwangbehandeling, tevens in volle omvang te onderzoeken in hoeverre deze voortzetting in het licht van de actuele omstandigheden (“ex nunc”) nog noodzakelijk is. Dat laatste geldt alleen indien in de toetsing ex tunc wordt geconcludeerd tot rechtmatigheid (HR 16-3-2007, <> 2007/14, m.nt. H.E. Bröring).
In zijn noot wijst Bröring erop dat een ongelukkige consequentie van de beschikking der rechtbank was dat de aansluiting met een schadevergoedingsverzoek ex art. 41b Bopz werd doorbroken. Zo’n verzoek vergt immers een toetsing ex tunc van de beslissing van de voor de behandeling verantwoordelijke persoon. Nu de Hoge Raad het voorwerp van geschil bij de klachtrechtelijke procedure voor de rechtbank in de hierboven beschreven ruime zin heeft bepaald, is de bedoelde aansluiting hersteld. Wel blijft het onduidelijk waarom de Hoge Raad met betrekking tot dwangbehandeling opteert voor een combinatie van ex tunc-en ex nunc-toetsing, terwijl hij in ontslag- en conversiezaken uitsluitend het ex nunc-spoor bewandelt.
SW
(On)gegrond
Gegrond, ongegrond, deels gegrond. Dit zijn de drie mogelijke uitspraken van een klachtencommissie. Hieronder worden twee (werkelijk gevoerde, geanonimiseerde) klachtzaken besproken. Wat was het oordeel van de commissie bij deze zaken, en hoe kwam ze tot deze beslissing?
Niet serieus nemen
Cliënte heeft met haar behandelaar de afspraak dat ze kan bellen met de verpleging als het niet goed met haar gaat. Samen met de verpleging kan ze dan overleggen wat te doen. Op een avond belt ze omdat ze bang is dat ze ‘gekke dingen’ gaat doen. Ze wil graag voor een aantal dagen opgenomen worden. Het gesprek met de verpleegkundige verloopt erg vervelend. Zelfs zo vervelend dat cliënte besluit over de bejegening van de verpleegkundige een klacht in te dienen bij de klachtencommissie.
Bij de zitting van de commissie is de verpleegkundige zelf niet aanwezig. Wel is zijn leidinggevende aanwezig en heeft hij een verweerschrift gemaakt.
Tijdens de zitting vertelt cliënte dat zij zich niet serieus genomen voelde door de verpleegkundige. Als voorbeeld noemt ze een opmerking die hij maakte tijdens het begin van het gesprek. Hij heeft volgens haar al snel gezegd dat er geen bed voor haar beschikbaar was op de afdeling, ‘en ook niet in de rest van Nederland’. Ook vertelt ze dat zij boos het gesprek beëindigd heeft, nadat hij haar had gevraagd: ‘zit je soms in de kroeg?’ Ze vond dat een stomme en kwetsende vraag. Ze vertelt de commissie verder dat ze eerder vergelijkbare ervaringen heeft gehad met de verpleegkundige.
De leidinggevende van de verpleegkundige vertelt dat de verpleegkundige de problemen niet als ernstig inschatte. Ook meldt ze dat cliënte tot drie maal toe gebeld heeft en dat de verpleegkundige steeds geprobeerd heeft het gesprek met haar gaande te houden, maar dat cliënte het gesprek steeds beëindigde.
De klachtencommissie oordeelt dat niet is gebleken dat de verpleegkundige voldoende heeft geïnventariseerd wat er aan de hand was, voordat hij oordeelde dat een opname niet nodig was. Verder behoort volgens de commissie een verpleegkundige neutraal te communiceren wanneer hij een gesprek voert met een cliënte die aangeeft dat het niet goed met haar gaat. De commissie vindt de vraag of cliënte in een kroeg of horecagelegenheid was onvoldoende neutraal gesteld. Zij verklaart de klacht gegrond.
Bij een verhuizing naar een nieuwe afdeling wil cliënte een vitrinekast en een stoel die ze op medische indicatie heeft gekregen meenemen naar haar nieuwe kamer. Volgens de sectormanager is dat niet mogelijk. Hij heeft haar wel toestemming gegeven voor het meeverhuizen van een tv en een tv-meubel. Het meebrengen van nog meer meubels vindt hij onverantwoord. Er zou dan een gevaarlijke situatie kunnen ontstaan, omdat de zogenoemde vrije ruimte in de kamer te krap wordt. Cliënte is het daarmee oneens en dient een klacht in bij de klachtencommissie
Cliënte verblijft al langere tijd bij de instelling. De verwachting is dat ze daar nog langere tijd zal verblijven. De commissie vindt het om die reden begrijpelijk dat ze haar kamer persoonlijk wil maken en in wil richten met eigen spullen. De regel dat persoonlijke inventaris niet verhuisd mag worden, doet naar het oordeel van de commissie onvoldoende recht aan de reële behoeften van cliënten die langdurig binnen de instelling verblijven. De commissie wijst daarbij op artikel 2 van de Kwaliteitswet dat zorginstellingen verplicht tot het leveren van verantwoorde zorg. Daarmee wordt onder meer bedoeld: zorg die is toegesneden op reële behoeften van cliënten.
De commissie gaat verder in op het argument van de verweerder dat er een gevaarlijke situatie kan ontstaan. In het kader van de veiligheid kan een instelling namelijk wel beperkingen opleggen in de wijze waarop cliënten hun kamer wensen in te richten. Het is de commissie bij deze verhuizing niet duidelijk waar dat gevaar dan uit zou bestaan. Cliënte had de stoel en de kast toch ook al op haar oude kamer. Die kamer was kleiner, en volgens de commissie kan het niet zo zijn dat het plaatsen van twee meubelstukken van geringe omvang op de nieuwe kamer ineens onverantwoord of gevaarlijk is. Zij verklaart de klacht gegrond.
ADM