pvp
Home Organisatie Cijfers Contact Medewerkers

Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg

 

Cliëntenrechten

De PVP-krant zet in ieder nummer interessante rechtspraak, klachtzaken en andere juridische ontwikkelingen in de psychiatrie op een rij.

voorjaar 2008


Rubriek: (on)gegrond

De klachtencommissie beoordeelt klachten van cliënten over beslissingen door medewerkers van de instelling. De commissie bekijkt de feiten, de wet- en regelgeving, en laat beide partijen aan het woord; daarna doet de commissie uitspraak of ze de klacht gegrond, ongegrond of deels gegrond acht. De instelling onderneemt vervolgens navenante actie.

Ontslag na positieve alcoholcontrole

Voor de tweede keer positief? Op een afdeling hanteert men de regel dat cliënten zich dienen te onderwerpen aan controles op het gebruik van alcohol en drugs. Wanneer een controle een positief resultaat oplevert, krijgt de cliënt een gele kaart. Bij een tweede positief resultaat binnen een maand kan het team besluiten de cliënt met ontslag te sturen. Een cliënt heeft een terugval. Uit een controle blijkt dat hij opiaten heeft gebruikt. Een aantal dagen later volgt een ademcontrole. Zijn adem bevat een alcoholpromillage van 0,1 promille. Cliënt ontkent dat hij alcohol gebruikt heeft. Wel zegt hij dat hij een mondwater heeft gebruikt, dat een alcoholpercentage van 20 procent blijkt te bevatten. Ondanks de protesten van de cliënt besluit zijn behandelaar het ontslag door te zetten. Cliënt is het daarmee oneens. Hij dient een klacht in.

Twijfel moet worden weggenomen 

De klachtencommissie is van mening dat de regels rondom gebruik van alcohol en drugs en ontslag redelijk en doelmatig zijn. Voor het klimaat op de afdeling en de inhoud van de behandeling is het goed dat deze regels er zijn. Wel is het bij het toepassen van regels altijd de vraag of ze op de juiste wijze zijn toegepast. Deze vraag wil de commissie beantwoorden. Volgens de verweerder is bij twijfel over het gebruik het risico voor de cliënt. Dit uitgangspunt vindt de klachtencommissie niet onredelijk zolang de nodige zorgvuldigheid in acht wordt genomen. En daar wringt volgens de commissie de schoen. Verweerder heeft namelijk aangegeven dat bij het gebruik van mondwater de ademtest een laag promillage geeft en dat er na dertig minuten geen alcohol meer in de adem gemeten kan worden. Er was volgens de commissie sprake van een twijfelgeval. Die twijfel had men weg kunnen nemen door na een half uur een tweede keer de adem te testen. Dat is niet gebeurd. Zij verklaart de klacht gegrond.

AdM


Rubriek: Rechtspraak

Eigen inbreng van cliënten in Bopz-procedure

Rechtspraak in de psychiatrie speelt een rol bij de ontwikkeling van het recht en de rechtspositie van de psychiatrische cliënt. Met name ten aanzien van de Wet Bopz worden er regelmatig belangrijke uitspraken gedaan. Hieronder worden drie rechtszaken besproken. De procedure van dwangopname staat daarin centraal, maar met name ook de eigen inbreng van cliënten in deze procedure. Steeds volgt een kort commentaar door een pvp.

Patiënt wordt niet opnieuw gehoord

Ten aanzien van een psychogeriatrische cliënte word een voorlopige machtiging verzocht, onder overlegging van een geneeskundige verklaring. De betrokkene wordt door de rechtbank gehoord en dezelfde dag nog verleent de rechtbank een machtiging ingaand op 13 augustus 2007 tot en met 13 februari 2008. De familie wil niet dat de betrokkene wordt opgenomen in verpleeghuis Y (waar waarschijnlijk op korte termijn plek is), maar dat zij wordt opgenomen in verpleeghuis X. De wet bepaalt dat een voorlopige machtiging niet meer kan worden uitgevoerd als na de dagtekening ervan meer dan twee weken zijn verlopen (artikel 10 van de Wet Bopz). Die termijn wordt niet gehaald door de langere wachttijd voor verpleeghuis X. Er moet daardoor opnieuw een machtiging aangevraagd worden om cliënte in dat verpleeghuis te kunnen plaatsen. Die nieuwe machtiging wordt verzocht onder overlegging van dezelfde geneeskundige verklaring als bij de eerste machtiging. De machtiging wordt door de rechtbank verleend en de geldigheidsduur wordt beperkt tot de oude geldigheidsdatum 13 februari 2008. De rechtbank verwijst daarbij naar de eerder gevoerde machtigingsprocedure. De rechtbank is van oordeel dat de stand van zaken ongewijzigd is: het betreft een vrouw die onomkeerbaar aan het dementeren is en van deskundige zijde was aangegeven dat er in de tussenliggende periode geen wijziging was opgetreden (Rechtbank Utrecht 30 augustus 2007, BJ 2007/53 noot W. Dijkers).

Commentaar: In deze casus komt het er eigenlijk op neer dat het opnieuw horen van de vrouw achterwege blijft omdat de uitkomst van de tweede procedure al vast zou staan. Het gaat om een demente vrouw, zonder kans op verbetering van haar situatie en ziekte. Anders dan dhr. W. Dijkers kan ik mij eigenlijk niet vinden in deze "korte weg" van de rechtbank. Het horen van betrokkene is geen te verwaarlozen recht, en ondanks dat het wellicht belastend is voor deze vrouw zou het verloop van de procedure niet door de te verwachten uitkomst moeten worden bepaald.

Patiënt spreekt onbekende taal

Bij een machtigingsprocedure tot voortzetting van de inbewaringstelling blijkt het horen van betrokkene een probleem omdat onduidelijk was welke taal hij spreekt. De man had tijdens zijn separatie enkele woorden in het Frans op het wandbord geschreven, maar het was niet mogelijk om met hem te communiceren. In geen enkele taal. Tijdens het verhoor reageert de man ook niet op de in het Frans gestelde vragen. De behandelaar geeft aan dat het niet reageren op de vragen tijdens het verhoor niets te maken heeft met het feit dat deze in de verkeerde taal gesteld worden, maar dat dit komt omdat de man een psychotisch toestandsbeeld vertoont. De rechtbank stelt vast dat er wordt voldaan aan de criteria voor de inbewaringstelling. De rechtbank maakt een afweging. Enerzijds is er de twijfel of de man is aangesproken in een door hem te verstane en te begrijpen taal, anderzijds is er het gevaar dat zou ontstaan als het verblijf van betrokkene in het ziekenhuis niet zou worden voortgezet. Op basis van die afweging verleent de rechtbank de machtiging. Daarbij beveelt de rechter dat er op korte termijn nader onderzoek komt naar de moedertaal van betrokkene en naar eventueel andere talen die hij in voldoende mate spreekt en begrijpt (Rechtbank 's-Hertogenbosch 18 mei 2007, BJ 2007/36)

Commentaar: Uit deze uitspraak blijkt dat het onmiddellijk dreigende gevaar dat de man veroorzaakt, zwaarder weegt dan het recht om in zijn eigen taal, of een andere taal die de man begrijpt, gehoord te worden. In verdragen en wetten komt het recht om gehoord te worden veelvuldig aan de orde. Er wordt aan dit recht groot belang gehecht, zeker in het geval van vrijheidsbeneming. Betrokkene moet de kans hebben zijn verhaal te doen en zijn kant van de zaak te belichten. Als niet is te achterhalen is waar iemand vandaan komt en welke taal hij machtig is en hij de hem gestelde vragen niet lijkt te begrijpen, kun je dan wel spreken van het horen van betrokkene? En als iemand om die reden niet kan worden gehoord, mag dan wel worden overgaan tot vrijheidsbeneming? Als dit recht steeds van doorslaggevend belang zou zijn, dan zou dat betekenen dat er nooit tot vrijheidsbeneming overgegaan kan worden indien iemand zwijgt of niet kenbaar maakt welke taal hij machtig is. Dat de rechtbank besluit het dreigend gevaar de doorslag te laten geven, vind ik daarom begrijpelijk.

Patiënt weigert onderzoek

Een 79-jarige vrouw verblijft al anderhalf jaar onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis. Voordat zij hier opgenomen werd, woonde zij thuis. Daar was zij onvoldoende in staat tot zelfzorg. Er wordt een machtiging tot voortgezet verblijf verzocht. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat de vrouw zou lijden aan organisch psychiatrisch syndroom en dementieel syndroom met frontale kenmerken. De vrouw weigert echter onderzoek om deze diagnose te bevestigen. Tijdens de zitting laat zij weten dat zij niet bereid is tot onderzoek omdat haar niets mankeert. Zij is het niet eens met haar opname en meewerken aan het onderzoek zou in haar visie slechts bevestigen dat de zorgen van de omgeving gegrond zijn. De advocaat voert aan dat de stoornis onvoldoende vaststaat omdat deze niet door onderzoek is vastgesteld. De rechtbank stelt dat de psychiater in staat is geweest op basis van de beschikbare informatie de diagnose te stellen. Het zou wenselijk geweest zijn om met behulp van nader onderzoek de diagnose te bevestigen (dan wel te ontkrachten). Dit betekent echter niet dat er thans sprake is van gerede twijfel aan de juistheid van de diagnose. Voorts stelt de rechtbank dat voor zover er al twijfel zou bestaan over de diagnose, het aan betrokkene is om de door haar gewenste duidelijkheid te verschaffen. De rechtbank verleent de machtiging (Rechtbank Zutphen 12 juni 2007, BJ 2007/39 noot T.P.Widdershoven).

Commentaar: De juridische kwestie is in deze zaak de inbreng van de cliënt zelf bij het onderzoek in het kader van de noodzakelijke geneeskundige verklaring. Deze cliënte wilde niet meewerken aan dat onderzoek. De rechtbank geeft daarop aan dat het aan haar is om meer duidelijkheid over de betwijfelde diagnose te verschaffen. Op die manier legt de rechtbank een erg grote verantwoordelijkheid bij de cliënt. Verder hierover valt te lezen in de noot van T.P. Widdershoven.

DdB