De PVP-krant zet in ieder nummer interessante rechtspraak, klachtzaken en andere juridische ontwikkelingen in de psychiatrie
op een rij.
Najaar 2008
Rubriek: jurisprudentie
Voorwaardelijke machtiging gewijzigd
De regeling voorwaardelijke machtiging is
gewijzigd. Sinds juni van dit jaar is het aangepaste artikel 14a van
de Wet Bopz in werking getreden, en kan de rechter een
voorwaardelijke machtiging verlenen als redelijkerwijs is aan te
nemen dat de cliënt de voorwaarden zal naleven. Voorheen was
expliciete instemming van de cliënt nodig. Hieronder worden twee
uitspraken besproken die betrekking hebben op de voorwaardelijke
machtiging. Allebei de uitspraken zijn gedaan vóór juni 2008. De
vraag bij beide zaken is: zouden de uitspraken na de wijziging van
artikel 14a Wet Bopz hetzelfde geweest zijn?
Tot voor kort kon de rechter uitsluitend een
voorwaardelijke machtiging verlenen als de cliënt instemde met het
behandelplan. Nu is het voldoende als redelijkerwijs verwacht kan
worden dat de cliënt de voorwaarden naleeft; expliciete instemming
van diens kant is niet meer een vereiste. In de nieuwe regeling
dient er aan het behandelplan een passage te worden toegevoegd.
Hierin staat ofwel dat het overleg tussen cliënt en behandelaar
heeft geleid tot overeenstemming, ofwel dat er geen overeenstemming
is, maar op welke grond de behandelaar tot het oordeel is gekomen
dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal
naleven.
Bij de rechtbank in Zwolle-Lelystad wordt
verzocht om een voorwaardelijke machtiging ten aanzien van de heer
X. In het behandelplan worden als voorwaarden gesteld: het gebruiken
van medicatie in depotvorm en contact houden met de polikliniek van
de betrokken ggz-instelling. Hoewel de heer X het behandelplan heeft
getekend, geeft hij ter zitting aan het oneens te zijn met bepaalde
passages van het plan. Na de zitting past de psychiater het
behandelplan aan en op basis daarvan verleent de rechtbank de
machtiging. Het aangepaste behandelplan is echter niet opnieuw aan
de heer X of zijn raadsman voorgelegd.
De zaak komt voor de Hoge Raad. Deze stelt vast dat het in de wet
verankerde recht op hoor en wederhoor is geschonden. Dat de heer X
tijdens de zitting te kennen heeft gegeven deels in te stemmen met
het behandelplan doet daar niets aan af. Daarmee deed hij geen
afstand van zijn recht kennis te nemen van en te reageren op het
aangepaste behandelplan, aldus de Hoge Raad. De beschikking van de
rechtbank (de machtiging) wordt vernietigd en de zaak wordt
terugverwezen naar de rechtbank voor verdere afdoening (Hoge Raad,
11 april 2008, BJ 2008/22 met noot W. Dijkers).
Commentaar: De uitspraak van de
rechtbank zou wellicht anders zijn geweest op basis van het
gewijzigde artikel als de rechter tot de conclusie was gekomen dat
de heer X weliswaar aangaf problemen te hebben met delen van het
behandelplan, maar dat redelijkerwijs aangenomen kon worden dat hij
de voorwaarden desalniettemin zou naleven. De voorwaardelijke
machtiging had dan direct verleend kunnen worden.
In casu wordt echter het behandelplan na de zitting gewijzigd en
niet opnieuw voorgelegd aan de heer X. Als dit zich zou hebben
voorgedaan na juni 2008 zou de uitspraak van de Hoge Raad niet
anders geweest zijn dan nu. Hier is sprake van een schending van een
fundamenteel recht, namelijk het recht op hoor en wederhoor. De
wetswijziging heeft daarop geen betrekking.
Ten aanzien van de heer Y wordt een opvolgende
(oftewel nieuwe) voorwaardelijke machtiging verzocht. Eén van de
voorwaarden van het behandelplan is gebruik van medicatie in
depotvorm, maar hiermee stemt de heer Y niet in. Tijdens de zitting
laat de heer Y weten dat hij deze medicatie al jaren tegen zijn zin
gebruikt en dat hij dit alleen heeft geaccepteerd om een gedwongen
opname te voorkomen. Aangezien hij de afgelopen jaren steeds
depotmedicatie accepteerde, neemt de rechtbank aan dat hij dat het
komende jaar ook zal doen. Bovendien beseft de heer Y dat hij
gedwongen wordt opgenomen als hij geen depotmedicatie accepteert.
De rechtbank oordeelt dat voldoende vaststaat dat de heer Y bereid
is de voorwaarden na te leven overeenkomstig het behandelplan en
verleent de machtiging.
De Hoge Raad beslist tot vernietiging van de machtiging omdat niet
is voldaan aan het vereiste dat de betrokkene met de voorwaarden
instemt (Hoge Raad, 25 april 2008, BJ 2008/26 met noot W. Dijkers).
Commentaar: De behandelaar en de
heer Y komen niet tot overeenstemming met betrekking tot de
depotmedicatie. De machtiging wordt verleend omdat de rechtbank
aanneemt dat er ondanks de beweringen van de heer Y toch voldoende
bereidheid is tot naleving van de voorwaarden. Deze beschikking
wordt door de Hoge Raad vernietigd, omdat de regeling indertijd nog
voorschreef dat er expliciete instemming met de voorwaarden moest
zijn.
Op grond van het gewijzigde artikel zou de voorwaardelijke
machtiging wel kunnen zijn verleend als, afhankelijk van de
waardering van de feiten, het redelijkerwijs aan te nemen was
geweest dat de heer Y de depotmedicatie (ondanks zijn nadrukkelijke
bedenkingen) feitelijk toch zou accepteren.
DdB
Rubriek: (on)gegrond
Separeertuin zonder privacy
Bij een afdeling is naast de separeer een
tuin. Daarmee is er een mogelijkheid dat gesepareerde cliënten van
de tuin gebruik kunnen maken in die situaties dat een behandelaar
dat verantwoord acht.
Een cliënt dient een klacht in bij de klachtencommissie omdat zij
tijdens een separatie geen gebruik mocht maken van die tuin.
De behandelaar en verpleegkundigen van de afdeling vertellen tijdens
de zitting van de klachtencommissie dat de begroeiing van de tuin
nog onvoldoende dicht is. Ter bescherming van de privacy van
cliënte, hebben
zij haar daarom voorgesteld om niet in de tuin te verblijven. Daar
zou cliënte volgens hen mee hebben ingestemd. Cliënte ontkent dat.
Ook was volgens de behandelaar cliënte vluchtgevaarlijk. Men wilde
terughoudend zijn met het nemen van risico’s.
De klachtencommissie constateert dat het zeer
triest is dat er een ‘separeertuin’ is aangelegd, die niet voldoet
aan de daaraan gestelde eisen en daardoor niet gebruikt kan worden.
Vervolgens
constateert ze dat er geen rapportage is over de vraag of cliënte nu
wel of niet heeft ingestemd met het niet gebruik maken van de tuin.
De commissie bestempelt dat als een omissie. Het argument van de
vluchtgevaarlijkheid houdt volgens de commissie geen stand. Dat
gevaar
had het behandelteam kunnen voorkomen door cliënte alleen onder
begeleiding in de tuin te laten.
Blijft over het argument van de bescherming
van de privacy van cliënte. De commissie is van mening dat het een
taak van de instelling is te waken over de privacy van cliënten. De
commissie heeft door eigen waarneming vastgesteld dat vanaf de
aangrenzende straat in de tuin een flinke inkijk mogelijk is. Zij is
het eens met de behandelaar en de verpleegkundigen
dat de privacy van cliënte beschermd diende te worden. Zij verklaart
de klacht ongegrond. Bij haar besluit neemt de commissie mee dat het
om een kortlopende separatie ging en de cliënte separeerkleding
droeg.
AdM