pvp
Home Organisatie Cijfers Contact Medewerkers

Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg

 

Cliëntenrechten

De PVP-krant zet in ieder nummer interessante rechtspraak, klachtzaken en andere juridische ontwikkelingen in de psychiatrie op een rij.

Winter 2008


Rubriek: jurisprudentie
 

Hoge Raad stelt regels aan psychiatrisch onderzoek bij ibs

De Wet Bopz maakt het mogelijk dat de burgemeester een inbewaringstelling (ibs) gelast op basis van een geneeskundige verklaring van een arts die geen psychiater is. De Hoge Raad heeft hierover recent nadere regels gesteld, mede naar aanleiding van rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Daarbij zijn ook regels gesteld aan de geneeskundige verklaring op basis waarvan de rechter een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling kan verlenen. De nieuwe regels zullen voor de praktijk belangrijke gevolgen hebben. Vaak komt er bij een inbewaringstelling namelijk geen psychiater aan te pas. De geneeskundige verklaring is dan bijvoorbeeld afkomstig van een arts-assistent. De Hoge Raad heeft aangegeven dat dit laatste slechts bij uitzondering is toegestaan en dat een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling steeds moet zijn gebaseerd op een echte psychiatrische verklaring.

Commentaar: De uitspraak van de Hoge Raad dateert van 26 september jl. en in een noot in BJ geeft W. Dijkers er uitvoerig commentaar op (BJ 2008/58). Aan dat commentaar zijn de volgende regels te ontlenen:
De burgemeester mag een last tot inbewaringstelling in beginsel slechts geven indien een niet-behandelend psychiater een geneeskundige verklaring heeft opgemaakt. Alleen in een noodsituatie mag de burgemeester zich baseren op een geneeskundige verklaring die door een andere arts is opgesteld (een bij de behandeling betrokken psychiater of een arts die geen psychiater is). In die laatste gevallen moet de burgemeester ervoor zorg dragen dat zo spoedig mogelijk na de vrijheidsbeneming alsnog een niet-behandelend psychiater betrokkene persoonlijk onderzoekt. En voor de rechter geldt dat een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling steeds moet zijn gebaseerd op een verklaring van een niet-behandelend psychiater die betrokkene persoonlijk heeft onderzocht.

 

Eerste zelfbindingsmachtiging

De regeling van zelfbinding (art. 34a t/m 34p Wet Bopz) die op 1 januari in werking trad, heeft bij de rechtbank Middelburg geleid tot de eerst verleende zelfbindingsmachtiging op 1 september 2008 (BJ 2008/66 met noot van de redactie).
De regeling is bedoeld voor cliënten met een wisselend ziekteverloop. In een zelfbindingsverklaring legt betrokkene vast dat er een gedwongen opname kan volgen (met een maximale termijn van 6 weken) als er aan van tevoren omschreven omstandigheden is voldaan (zie ook PVP-krant 1-2008, p.3.)
In dit geval had betrokkene in de zelfbindingsverklaring aangegeven dat hij bij signalen van herval in alcoholgebruik ter detoxificatie vier weken gedwongen opgenomen kon worden, eventueel met medicatie ter preventie van onttrekkingsverschijnselen. De rechtbank verleende een zelfbindingsmachtiging tot opname, verblijf en behandeling van de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van 4 weken, in overeenstemming met de verklaring van de betrokken cliënt (deze bovengrens is conform art. 34l lid 3 Wet Bopz).

Commentaar: In de redactionele noot wordt nog opgemerkt dat het opvallend is dat er door de rechtbank niet expliciet verwezen wordt naar de omstandigheden zoals die in de zelfbindingsverklaring genoemd zijn. Daarnaast besteedt de rechtbank geen overweging aan de beginselen van doelmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Hoewel de rechtbank zich heeft laten leiden door de eerdere wilsbekwame verklaring van de betrokkene, is het belang van een toets aan die beginselen toch opportuun.

 

Psychiater negeert uitspraak klachtencommissie

In een uitspraak van de klachtencommissie GGZ-centrum West Friesland/GGZ Dijk en Duin/GGZ Noord-Holland Noord. (BJ 2008/55, met noot van J.C.J. Dute) gaat het om een klacht tegen een dwangbehandeling kort na een gegrondverklaring van een eerdere klacht daarover.
Op 27 november 2007 kreeg klager gelijk bij de klachtcommissie met zijn klacht tegen dwangmedicatie. Op 3 december krijgt hij alsnog dwangmedicatie, en hij dient opnieuw een klacht in, ditmaal tegen de psychiater, de geneesheer-directeur en de betrokken arts-assistent. De klachtencommissie oordeelt de klacht ten aanzien van alle drie gegrond.
De psychiater beriep zich op een conflict van plichten en wees op een toegenomen suïcidegevaar na de eerdere klachtuitspraak. De commissie oordeelt echter dat de psychiater in redelijkheid niet tot een inschatting van een 'zeer hoog' suïcidegevaar had kunnen komen. De commissie stelt voorop dat de zorg van een hulpverlener in overeenstemming moet zijn met zijn verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Conform die professionele standaard (art. 7:453 BW) behoort de psychiater een uitspraak van de klachtencommissie in acht te nemen aldus de commissie. Dit is slechts anders als er zich na die uitspraak nieuwe feiten of omstandigheden voordoen die tot een ander oordeel van de klachtencommissie hadden kunnen leiden. Dat is volgens de commissie niet het geval geweest, zodat de dwangmedicatie in strijd met de wet is toegediend.
De commissie vindt voorts dat het op de weg van de geneesheer-directeur had gelegen (gezien zijn ervaring en zijn functie) om vooraf juridisch advies in te winnen. Het was zijn taak om ervoor te zorgen dat de behandelend psychiater tot een weloverwogen beslissing zou komen. De arts-assistent heeft zich geheel achter de psychiater geschaard, en de klacht is ook in dat opzicht gegrond.

Commentaar: In de noot worden meerdere aspecten van deze zaak verder uitgelicht:
De klachtencommissie brengt in haar oordeel tot uitdrukking dat haar uitspraak bindend is. De commissie ontleent die binding aan de professionele standaard van de arts, maar had die ook direct op de Wet Bopz kunnen baseren. Daarnaast is er nog het beroep op een conflict van plichten. De plicht van de hulpverlener om alles te doen om te voorkomen dat klager zich zou suïcideren, bestaat niet zonder de koppeling aan de professionele standaard aldus de commissie. De psychiater verklaarde ter zitting overigens dat hij niet wist wat die professionele standaard in dit verband voor hem inhield.

CS

 


Rubriek: (on)gegrond 

(On)gegrond bespreekt zaken die voor de klachtencommissie van een ggz-instelling zijn geweest. De klachtencommissie onderzoekt de zaak en verklaart de klacht gegrond of ongegrond. Welke redenering volgt de commissie om tot haar oordeel te komen? Deze keer: een klacht over het uitvoeren van een psychiatrisch onderzoek zonder dat de cliënt ervan wist.

Psychiatrisch onderzoek zonder medeweten cliënt

Wanneer de crisisdienst een huisbezoek aflegt om een psychiatrische beoordeling te doen, legt de medewerker van de crisisdienst zijn bevindingen vast in een dossier. Een mevrouw komt er bij toeval achter dat er een dossier van haar bestaat bij een ggz-instelling naar aanleiding van zo'n beoordeling. Uit het dossier blijkt haar dat een medewerker van de crisisdienst haar tijdens het bezoek onderzocht heeft en een diagnose heeft gesteld. Ook komt zij erachter dat dit dossier is doorgestuurd naar haar huisarts. Zij vindt dat de medewerker van de crisisdienst haar had dienen te vertellen wat de reden voor zijn bezoek was. Ook had hij moeten vertellen dat hij gegevens over haar zou vastleggen in een dossier. Verder vindt zij dat het dossier niet zonder haar toestemming bij haar huisarts terecht had moeten komen. Zij dient hierover een aantal klachten in bij de klachtencommissie.

Bij het komen tot een oordeel is met name de Wet op de Geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) van belang. De commissie noemt 4 artikelen uit die wet, die kort samengevat het volgende inhouden:

  • de hulpverlener moet handelen volgens zijn professionele standaard (artikel 453)

  • de hulpverlener moet de patiënt op duidelijke wijze inlichten (artikel 448)

  • de patiënt moet toestemming geven voor het behandelplan (artikel 450)

  • zonder toestemming van de patiënt mogen er geen inlichtingen over hem of haar aan anderen gegeven worden (artikel 457)

Volgens de instelling is er bij een psychiatrisch onderzoek zoals dat heeft plaatsgevonden bij klaagster geen sprake van een behandelingsovereenkomst in de zin van de WGBO. De commissie is het daar mee oneens. Volgens haar gaat het bij de WGBO niet alleen om overeenkomsten van langere duur. Ook overeenkomsten met een beperkt, zeer specifiek doel zijn overeenkomsten waarop deze wet van toepassing is. De commissie is dan ook van mening dat klaagster ingelicht had moeten worden over het voorgenomen onderzoek. Ook vindt de commissie dat men aan klaagster toestemming had moeten vragen voor het te houden onderzoek en haar had moeten inlichten over het aanleggen van een dossier. De zorg van goed hulpverlenerschap is onvoldoende in acht genomen. De klacht over het opstellen van een dossier, het houden van een onderzoek en het stellen van een diagnose verklaart zij dan ook gegrond.

Over het verstrekken van inlichtingen aan de huisarts beroept de instelling zich op de richtlijnen van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG). Volgens die richtlijn kan een instelling inlichtingen verschaffen aan de huisarts. Volgens de commissie kan een arts in bepaalde situaties informatie geven aan de huisarts over een patiënt zonder diens toestemming. Het gaat dan om situaties waarbij die toestemming verondersteld mag worden. Dat kan zo zijn als een huisarts een van zijn patiënten verwijst naar de crisisdienst. In de situatie van klaagster was er volgens de commissie helemaal geen reden om die toestemming te veronderstellen. Klaagster wist niet eens dat zij onderzocht werd. Zij verklaart ook deze klacht gegrond.

Vervolgens legt mevrouw haar klacht voor aan het regionaal tuchtcollege. Het college concludeert dat er verwijtbaar is gehandeld. Klaagster is volgens de tuchtrechter niet adequaat geïnformeerd over het afnemen van een psychiatrische anamnese. Ook had er toestemming gevraagd moeten worden aan klaagster en had zij achteraf op de hoogte gesteld moeten worden van de uitslag van het onderzoek. Hiervoor past volgens het tuchtcollege een zakelijke terechtwijzing. Zij waarschuwt de behandelaar.

AdM

 

Cliënte houdt geen maat: telefoon afgenomen

Een klachtencommissie deed een bijzondere uitspraak over beperking van het telefoonverkeer van een cliënte. Deze cliënte wendde zich tot de klachtencommissie omdat haar mobiele telefoon was afgenomen. De arts stelde dat dit noodzakelijk was omdat cliënte telkens allerlei medici buiten de instelling aan het bellen was over haar lichamelijke aandoeningen. Ze werd daar zó door in beslag genomen, dat hijzelf geen contact kon maken met mevrouw om over de behandeling en het behandelplan te spreken.

De commissie ging mee in de beoordeling van de arts en stond toe dat de telefoon van cliënte in bewaring bleef. Maar de commissie stelde een termijn van drie weken vast. Lukt het om in die drie weken contact te maken met cliënte en over het behandelplan te spreken, dan kon de telefoon worden teruggegeven, want dan was het doel bereikt. Lukte het niet om in drie weken contact met haar te leggen, dan moest de telefoon óók worden teruggegeven, want dan was de ondoelmatigheid van de maatregel aangetoond. Had men binnen drie weken al een goed contact met cliënte, dan kon de telefoon eerder worden teruggegeven. De cliënte was in eerste instantie teleurgesteld in de uitspraak, maar kon zich er wel in vinden. De behandelaar leek wat minder enthousiast, met name over de termijn van drie weken, maar zag zijn eigen beweringen over de vermeende doelmatigheid in de uitspraak geciteerd en kon zich daar niet aan onttrekken.