pvp
Home Organisatie Cijfers Contact Medewerkers

Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg

 

Cliëntenrechten

De PVP-krant zet in ieder nummer interessante rechtspraak, klachtzaken en andere juridische ontwikkelingen in de psychiatrie op een rij.

Zomer 2009


Rubriek: Jurisprudentie 

Drie-maanden-termijn dwangbehandeling nieuwe stijl

Bij de Rechtbank Groningen (BJ 2009/15) klaagt een man over dwangbehandeling met medicijnen (Risperdal). De dwangbehandeling is ingezet op grond van het op 1 juni 2008 in werking getreden art. 38c lid 1 onder a Wet Bopz: zonder behandeling zou het gevaar dat aanleiding was voor dwangopneming niet binnen een redelijke termijn kunnen worden weggenomen. De rechtbank verklaart de klacht ongegrond en doet daarbij tevens uitspraak over de betekenis van een bijzondere termijn die voor deze nieuwe dwangbehandelingsgrond geldt: bij een dwangbehandeling die langer duurt dan drie maanden moet de geneesheerdirecteur de beslissing over voortzetting nemen.

Klager is in de zomer van 2008 met een rechterlijke machtiging opgenomen. Op 6 oktober 2008 wordt in het behandelingsplan vermeld dat aan klager ook in geval van verzet medicatie zal worden toegediend. In het behandelingsplan wordt ook opgenomen dat betrokkene de voorgenomen dwang kan aanvechten en dat, als hij dit doet, met het toepassen van dwang zal worden gewacht tot na de uitspraak van de klachtencommissie.  Op 4 november wordt de klacht door de klachtencommissie ongegrond verklaard en een dag later, op 5 november 2008, wordt de dwangmedicatie toegediend. De rechtbank gaat ervan uit dat een beslissing tot dwangbehandeling, genomen op basis van de nieuwe grond voor dwangbehandeling, op dezelfde manier moet worden getoetst als eerder door de Hoge Raad omschreven. Dit betekent dat de rechtbank eerst moet beoordelen of de omstandigheden ten tijde van het nemen van de beslissing tot dwangbehandeling aannemelijk maken dat zonder de behandeling het gevaar niet binnen een redelijke termijn zou kunnen worden weggenomen. En vervolgens dat de rechtbank tevens moet beoordelen of voortzetting van dwangbehandeling in het licht van de actuele omstandigheden nog steeds gerechtvaardigd is.
Nadat de rechtbank beide vragen instemmend beantwoordt verklaart zij de klacht van de man ongegrond. De rechtbank bepaalt vervolgens dat de dwangbehandeling moet worden gestaakt op 5 februari 2009, tenzij de geneesheer-directeur dan beslist tot voortzetting van de dwangbehandeling. Over die einddatum overweegt de rechtbank, dat art. 38c lid 2 Wet Bopz bepaalt dat de termijn van drie maanden (maximale duur van dwangbehandeling, behoudens verlenging) moet worden “gerekend vanaf de dag waarop de beslissing tot stand komt”; de rechtbank merkt als die dag aan de dag dat daadwerkelijk de dwang werd ingezet.

Opmerkelijk is het standpunt van de rechtbank over het moment waarop de genoemde termijn van drie maanden ingaat. De wettelijke bepaling geeft aan dat die termijn wordt “gerekend vanaf de dag waarop de beslissing tot stand komt”. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de laatste toevoeging nodig is “omdat het vanzelfsprekend niet aanvaard kan worden dat een beslissing tot dwangbehandeling wordt genomen «voor het geval dat». Dat wil zeggen dat de effectuering daarvan pas op een later moment plaatsvindt”. Het oordeel van de rechtbank lijkt daar niet zondermeer mee in overeenstemming. Maar een bijzonderheid is hier wel dat het uitstel van dwang van doen had met het klachtrecht van de patiënt. Hoe dan ook: het standpunt van de Rechtbank Groningen dat de dag dat effectief dwang wordt toegepast, de dag is dat de beslissing wordt genomen, zal mogelijk richtinggevend zijn voor de nabije toekomst. Het is dan overigens wel nog de vraag over welke beslissing de oorspronkelijke klacht bij de klachtencommissie eigenlijk gaat.
SvB


Rubriek: (on)gegrond 

(On)gegrond bespreekt zaken die voor de klachtencommissie van een ggz-instelling zijn geweest. De klachtencommissie onderzoekt de zaak en verklaart de klacht gegrond of ongegrond. Welke redenering volgt de commissie om tot haar oordeel te komen? Deze keer: Hulpverlener mag niet zomaar conclusies trekken

Vernietiging dossier

Een cliënt wil dat de instelling zijn volledige medische dossier vernietigt. De instelling wil daar alleen toe overgaan als hij bereid is een schriftelijke verklaring te ondertekenen. Met een tweetal punten van die verklaring is de cliënt het oneens. Er staat in de verklaring dat de verzoeker volledig geïnformeerd is over de mogelijke gevolgen van de vernietiging van het dossier. Verder staat er dat de cliënt in de toekomst zal afzien van het indienen van klachten jegens de instelling.
De cliënt weet niet of hij volledig geïnformeerd is over de mogelijke gevolgen. Ook vindt hij dat hij niet belemmert behoort te worden in eventuele juridische stappen. Hij tekent de verklaring dan ook niet. Over de inhoud van de verklaring dient hij een klacht in bij de klachtencommissie.
Tijdens de zitting vertelt de aangeklaagde dat hij de procedure van de instelling heeft gevolgd. Hij heeft eerst bij de behandelaars van de cliënt geïnformeerd of er medische gronden waren om het dossier niet te vernietigen. Toen die er niet bleken te zijn heeft hij de verklaring ter ondertekening gestuurd. Tijdens de zitting blijkt dat de behandelaar vindt dat er daarnaast in het kader van goed hulpverlenerschap redenen zijn om het dossier niet te vernietigen. Ook als cliënt de verklaring wel zou tekenen, vindt hij vernietiging niet verstandig. Gegevens uit het dossier zouden namelijk volgens hem gebruikt kunnen worden bij een eventuele behandeling van de cliënt in te toekomst. Wanneer een medisch dossier ontbreekt, kan dat een eventuele behandeling in de toekomst negatief beïnvloeden. 
Volgens de commissie is dat geen wettelijk erkende reden die een uitzondering op het recht tot vernietiging van het dossier rechtvaardigt. Zij verklaart de klacht gegrond. Daarnaast adviseert zij de raad van bestuur de verklaring waar de cliënt over klaagt, aan te passen.
In de nieuwe verklaring zal staan dat de cliënt geïnformeerd is over de gevolgen van het vernietigen van het dossier. Het woord ‘volledig’ wordt eruit gehaald. Daarnaast komt er in de verklaring te staan dat de cliënt verklaart in de toekomst geen klacht te zullen indienen over het feit dat zijn/haar dossier is vernietigd door de instelling.

De betreffende instelling heeft het formulier vernietigingsverzoeken dossier volgens het advies van de klachtencommissie inmiddels aangepast. (Red.)

Koud en alleen

Een cliënte klaagt bij de klachtencommissie over een separatie. Zij is van mening dat de separatie voorkomen had kunnen worden. De cliënte vertelt over de gebeurtenissen voorafgaand aan de separatie dat zij door een aantal opmerkingen van medewerkers van de afdeling geïrriteerd was geraakt. Haar irritatie sprak zij hardop uit. Om weer rustig te worden is zij haar gezicht gaan wassen bij de toiletten. Toen de verpleging naar haar toekwam om met haar te spreken, heeft zij hen gezegd haar met rust te laten. Omdat de verpleegkundigen dat niet deden, heeft zij de deur van de toiletten voor hun neus dicht gedaan. Kort daarna stonden er ineens allemaal verpleegkundigen in de ruimte. Hoewel ze al rustig was geworden, moest ze mee naar een separeer. De medewerkers van de afdeling vertellen een ander verhaal over de gebeurtenissen. Volgens hen veroorzaakte de cliënte overlast op de afdeling. Zij zou onophoudelijk hebben geschreeuwd en het contact met de verpleging hebben ontweken door de deur van de toiletruimte meerdere keren dicht te gooien. Ook nam volgens de medewerkers de onrust van andere cliënten toe.
Tijdens de zitting van de klachtencommissie zegt de cliënte dat zij niet heeft geschreeuwd, alleen harder gesproken dan normaal. Ook vertelt ze dat ze niet met de deuren heeft geslagen. Zij gelooft niet dat andere cliënten onrustig zijn geworden want de situatie heeft maar kort geduurd.
De commissie constateert dat de verhalen van de cliënte en de medewerkers niet met elkaar in overeenstemming zijn. Vervolgens concludeert zij na navraag bij de medewerkers dat een minder ingrijpende maatregel dan separatie als time-out voor beperkte duur (in principe 1,5 uur) niet mogelijk was, omdat hierover met de cliënte op dat moment geen afspraken te maken waren. De commissie komt tot deze conclusie op basis van de verslaglegging, de verweerschriften en hetgeen tijdens de hoorzitting aan de orde is geweest. Zij verklaart de klacht ongegrond.

De cliënte klaagt ook over de temperatuur in de separeer.
Volgens haar was het er ijskoud. Voor haar gevoel zelfs kouder dan 15 graden. Volgens de commissie is de gemiddelde temperatuur in de separeer 20 graden. Omdat de bewuste separeer weinig gebruikt wordt, kan het zijn dat de temperatuur enige graden lager is geweest dan voor de cliënte comfortabel was. Hoewel de commissie begrijpt dat het in de beleving van de cliënte te koud is geweest, is de temperatuur naar de mening van de commissie, mede gezien de situering van deze ruimte, niet te laag geweest. Zij verklaart deze klacht ongegrond.

Een derde klacht gaat over het niet reageren op de bel van de separeer door verpleegkundigen. De cliënte moest plassen en had het koud. Daarom heeft zij meerdere keren op de bel van de separeer gedrukt.  Daar werd volgens haar niet op gereageerd. De  medewerkers erkennen dat zij niet hebben gereageerd op de bel. Dat was een bewuste keuze. Zij verwachtten dat de cliënte verder geagiteerd zou raken als zij wel op het bellen zouden hebben gereageerd. Bij aanvang van de separatie is niet aan de cliënte gemeld dat men niet zou reageren op de bel. De commissie oordeelt dat de cliënte het gevoel moet hebben gehad in de steek te zijn gelaten. Zij is van mening dat een uur in de separeer zonder communicatie disproportioneel is. Er had volgens de commissie binnen dat uur zichtbaar contact moeten plaatsvinden. Zij verklaart deze klacht gegrond

Tot slot klaagt de cliënte over de duur van de separatie. Zij stelt dat zij tweeënhalf uur is gesepareerd en dat er gedurende die tijd geen contact is geweest met de verpleging. Er was volgens haar afgesproken dat de verpleging na een uur met haar contact zou opnemen om te beoordelen of de separatie beëindigd kon worden. De commissie komt op basis van het medisch en verpleegkundig dossier tot de conclusie dat de separatie geen tweeënhalf uur geduurd heeft, maar anderhalf uur. Daarmee heeft volgens de commissie de separatie langer dan afgesproken geduurd zonder dat hierover met de cliënte is gecommuniceerd. Zij verklaart de klacht gegrond.
AdM