pvp
Home Organisatie Cijfers Contact Medewerkers

Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg

 

11e jaargang nummer 4 winter 2001

Inhoudsopgave


De andere PVP

De patiëntenvertrouwenspersoon werkt niet alleen in de volwassenenpsychiatrie: ook opgenomen kinderen en jongeren, verslaafde en forensische patiënten kennen de pvp.

Forensische psychiatrie: harder werken

“Het zijn vaak kwetsbare mensen die eenzaam en zonder vangnet in de maatschappij stonden. Onder invloed van hun psychiatrische ziekte hebben ze een delict gepleegd en daarom zitten ze nu in een forensisch psychiatrische kliniek. Maar zij zijn in de eerste plaats psychiatrisch patiënten”.

Bert Hofma, werkzaam in een forensisch psychiatrische kliniek in Drenthe, vindt het belangrijk om te benadrukken dat het in het forensische circuit toch in de eerste plaats om psychiatrische patiënten gaat en niet om criminelen. De vragen en klachten die hij krijgt zijn dan ook grotendeels vergelijkbaar met die uit de reguliere volwassenenpsychiatrie. “Er ligt wat meer nadruk op klachten over vrijheidsbeperkingen en dat is logisch. Het is nu eenmaal een gesloten wereldje met overal camera's en gesloten deuren. Bemiddeling pakt dan vaak goed uit. En soms ook niet,   maar dan verschaft een bemiddelingsgesprek de patiënt in ieder geval de nodige helderheid, zodat hij weet waar hij aan toe is.” Zoals in het geval van de vrijheidsbeperkingen omdat zieke personeelsleden niet vervangen worden. Hofma: “Dat is natuurlijk erg triest, ook hier is het moeilijk om gekwalificeerd personeel te krijgen. Terwijl mensen er behandelinhoudelijk aan toe zijn, kunnen ze wegens personeelstekorten soms helemaal niet naar buiten".

Alarmpieper

“Een belangrijke regel in de kliniek is: geen geweld. Ik ben verplicht om een alarmpieper bij me te dragen. Als een medewerker vindt dat ‘de veiligheid niet meer gegarandeerd is’ en zijn pieper gebruikt, komen alle medewerkers aanstormen, van schoonmaker tot directeur. Patiënten hebben dat erg goed door. Gelukkig heb ik van die pieper nooit gebruik hoeven maken.” Onveilig voelt Bert Hofma zich in de kliniek dan ook niet.

Werken in de forensische psychiatrie is behoorlijk arbeidsintensief. “Het gaat in bijna alle gevallen om zware psychiatrische problematiek en ernstige klachten. Mijn cliënten zijn mensen die door de uitzichtloosheid van hun problematiek vaak zwaar lijden aan het leven en zich moeten handhaven in een vreemde combinatie van culturen: een kliniek die psychiatrisch ziekenhuis en bajes tegelijk is. Dat hoort men in de instelling liever niet, maar patiënten ervaren het wel zo en doen dan ook vaker een beroep op de pvp.“


Verslavingszorg: veel klachten over gedwongen ontslag

“Een pvp in de verslavingszorg krijgt natuurlijk de nodige klachten over gedwongen ontslag van patiënten die 'gebruikt' zouden hebben. Men wijst het bezwaar tegen zo'n ontslag bijna altijd af. Dat is jammer, maar daar staat tegenover dat men cliënten ook snel, vaak binnen een paar weken, weer opneemt. Dat is een belangrijk verschil met de reguliere psychiatrie. Als mensen daar worden ontslagen is het érg moeilijk voor ze om weer een opname te regelen.”

Gerry Cornelissen werkt als pvp in de verslavingszorg in Amsterdam. Hij voelt zich daar op zijn gemak. “Ik heb meestal te maken met slimme, mondige mensen die in staat zijn om na te denken over zichzelf en daarvan kunnen leren. Anders dan in de gewone psychiatrie werk ik hier meer coachend: korte ondersteunende gesprekken. Meestal kunnen mijn cliënten het dan verder zelf.”

Ook de hulpverleners hebben een ander houding: “Een groot verschil met de reguliere psychiatrie is in mijn ogen dat men psychiatrische problematiek hier zo veel mogelijk negeert. Verslaving ziet men steeds meer als een probleem van een gekozen levensstijl. Het is ooit een keuze geweest en die keuze willen mijn cliënten veranderen. Dat probeert men vooral te bereiken door een groepstherapeutische aanpak waarbij 'de groep' de sociale controle uitoefent.”

Zorgverschraling

Het uitgangspunt is overigens niet automatisch dat iedere verslaafde helemaal moet stoppen. “Er zijn mensen die hun verslaving, die levensstijl, niet willen opgeven. Zij kunnen ondersteuning krijgen bij het omgaan met hun verslaving of leren accepteren dat die levensstijl hun leven beheerst en blijft beheersen.” Dat loopt overigens niet altijd op rolletjes. Ook in de verslavingszorg slaat de verschraling van de zorg toe. Er is een tekort aan personeel, waardoor men onlangs een afdeling tijdelijk moest sluiten. Door de inzet van nieuw en onervaren personeel ontstaan regelmatig communicatiestoornissen. Zeker nu men bezig is om binnen het groepstherapeutische   behandelklimaat meer ruimte te scheppen voor de individuele invulling per cliënt, gaat dat wringen.

Frustrerend

Eén van de uitgangspunten van de Stichting PVP is partijdigheid: de pvp staat altijd aan de kant van de patiënt. Voor Gerry Cornelissen is met name die partijdigheid belangrijk bij het ondersteunen van cliënten in de verslavingszorg. “Mensen met een verslaving willen nog wel eens rigoureus opkomen voor hun belang en gebruiken daarbij alles en iedereen. Zeker in een ontslagsituatie zal een cliënt in de verslavingszorg alles inzetten om zijn doel te bereiken, ook de pvp. Het is daarbij logisch dat je vooral en alleen die kant van het verhaal hoort en daar ga je dan mee aan de slag. Je moet je dat als pvp realiseren als mensen gebruik maken van je diensten en je er niet door laten frustreren. Het hoort er gewoon bij en juist in die situaties is het ontzettend belangrijk om vast te houden aan onze uitgangspunten.”


Kinder- en jeugdpsychiatrie: vertrouwen staat voorop

“Het voornaamste verschil met de volwassenenpsychiatrie is eigenlijk de leeftijd.” Lia van Muyen is pvp in een instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie. Toch zijn er, behalve de leeftijd van haar cliënten, meer verschillen. “Het opbouwen van een vertrouwensrelatie is voor kinderen érg belangrijk. Dat moet altijd eerst gebeuren.”

“Uiteraard pas ik mijn woordgebruik en mijn houding aan. Kinderen benader je anders dan volwassenen. Ik neem de tijd om kinderen eerst op hun gemak te stellen door het over algemene dingen te hebben. Pas daarna gaan we het hebben over dat waar het kind mee zit.”

“Ik ben geen tovenaar maar ik ga heel erg mijn best doen voor je …” Op deze wijze maakt Lia kinderen duidelijk dat de pvp niet zomaar ieder besluit van een instellingsmedewerker kan veranderen. “Kinderen begrijpen dan wat ik bedoel. Taalgebruik op het niveau van het kind is noodzakelijk. Die minder formele houding is belangrijk, heb ik gemerkt, want kinderen nemen dingen vaak letterlijk. Tegen een volwassene kan ik makkelijk zeggen dat iets 'eigenlijk niet mag' maar tegen een kind zal ik dat niet zo stellig zeggen want dan schept het verwachtingen die ik niet altijd waar kan maken. En ik heb gemerkt dat kinderen feilloos aanvoelen of je hun vragen en klachten serieus neemt.”

Vervangende opvoeders

Naarmate kinderen jonger zijn heeft Lia ook meer medewerking nodig van de begeleiders: “Kinderen zijn afhankelijk van de groepsleiding en stellen zich loyaal naar hen op, het zijn immers vervangende opvoeders. Medewerking van het personeel is dan ook onontbeerlijk, meer nog dan in de volwassenenpsychiatrie. Ik heb de eerste tijd veel uitleg gegeven aan medewerkers over mijn taak en werkwijze. Dat maakte het contact makkelijker maar vooral werd de drempel voor kinderen daardoor lager want de jongere kinderen komen meestal samen met een begeleider naar mijn kamer voor een gesprek.” Voor Lia is het belangrijk om steeds weer met het personeel in gesprek te blijven, het zorgt er voor dat ook zij weten wat de positie is van de pvp.

Ouders

“Wat de jeugdpsychiatrie ook anders maakt is de rol van de ouders. Een groot verschil met de volwassenenpsychiatrie is dat kinderen niet zelf om ontslag kunnen vragen, dat moeten de ouders doen. Het is ook lastig als ouders bij mij proberen te klagen over de behandeling. Als pvp ga ik immers uit van de cliënt en dat is het kind. In de volwassenenpsychiatrie zou ik naar de cliënt gaan om het over die klacht te hebben en te vragen of de klacht door hem of haar gedeeld wordt. Bij kinderen doe ik dat niet, want dan speelt vaak weer die loyaliteit. Je gaat dan al heel snel sturen en welk kind durft ‘nee’ te zeggen tegen de wens van zijn ouders? Ik wijs ouders daarom op de wegen die ze zelf kunnen bewandelen binnen de instelling en als de ouders nog niet weten wat hun kind er van vindt, dan adviseer ik ze altijd om het eerst met hun kind te bespreken.”

(RH)


De pvp op de paaz

“Ze weten hier wat het beste voor mij is”

“Op de paaz vertelde een cliënte mij dat zij de eerste twee weken van haar opname helemaal niet naar buiten mocht. Toen ik haar vroeg of ze dat erg vond, zei ze: ‘Nee, ik ben toch ziek, en de dokter weet wat het beste voor mij is’.” Huub Jongeneelen vertelt over zijn werk als patiëntenvertrouwenspersoon op een paaz. Patiëntenvertrouwenspersonen André de Mol en Marja van der Zanden knikken instemmend: “Ja, dit voorbeeld is kenmerkend voor de houding van veel paaz-cliënten ten opzichte van de behandelaar”. Samen hebben zij ervaring in tien verschillende paaz-en.

Drie jaar geleden beten de noordelijke provincies het spits af. De eerste patiëntenvertrouwenspersonen vestigden zich op de Psychiatrische Afdelingen van Algemene Ziekenhuizen (paaz-en). In 2000 breidde de Stichting PVP deze dienstverlening uit naar vrijwel alle paaz-en in het land.

De drie pvp'en zien zeker verschillen tussen de paaz en het algemene psychiatrische ziekenhuis. Marja van der Zanden: “Ik dacht dat op de PAAZ minder mensen met ernstige problematiek zouden zijn dan in het algemeen psychiatrische ziekenhuis, maar dat is niet zo. Wel is de sfeer heel anders. In sommige paaz-en rijden ze vlak voor het eten met een kar met pillen over de afdeling. De psychiater, behandelaars en arts-assistenten worden met dokter aangesproken. Ze dragen nog net geen witte jas. Anders zou je denken dat je in een gewoon ziekenhuis bent opgenomen. Maar verder verschillen paaz-en onderling net zo veel als gewone psychiatrische ziekenhuizen. Het is moeilijk om algemene conclusies te trekken.”

Preventief separeren

André de Mol: “Ik zie minder dwangopnamen, meer kort verblijf en meer therapieaanbod. Ook zie ik dat er meer mensen naar de paaz gaan met een bepaalde soort ziekte, bijvoorbeeld met een depressie. Er komen patiënten voor een gerichte behandeling, zoals de elektroshockbehandeling.”

Huub Jongeneelen krijgt ook klachten over de medisch specialisten die in de rest van het ziekenhuis werken. Hij vindt het jammer dat hij deze klachten moet doorverwijzen, de pvp mag daar niets mee doen. De pvp behandelt alleen klachten over medewerkers die op de psychiatrische afdeling werken. Dat is de afspraak tussen de algemene ziekenhuizen en de Stichting PVP.

Marja van der Zanden heeft de indruk dat er minder agressie voorkomt op een paaz, vergeleken met de ‘gewone’ psychiatrie. Zij denkt dat dit onder andere komt doordat paaz-en zich deze agressie niet kunnen permitteren, het zijn veelal kleinere instellingen. Van der Zanden heeft ervaring op een paaz waar men patiënten waarvan men dácht dat ze agressief zouden kunnen worden, alvast preventief separeerde.

Gedwongen opname

De paaz-en zijn meestal veel kleiner dan de ‘gewone’ psychiatrische ziekenhuizen. Het gemiddeld aantal bedden is 25. Het percentage cliënten in de paaz met een gedwongen opname is relatief laag. Uit intern onderzoek blijkt dat de vragen en klachten van paaz- en overige cliënten over het algemeen op elkaar lijken. Het belangrijkste verschil tussen hen is dat de paaz-cliënten meer problemen hebben rondom hun behandeling en minder over het verblijf.

Het pvp-werk in de ‘gewone’ psychiatrie staat model voor de werkwijze waarop de pvp de paaz-cliënten helpt. Op de vraag of zij anders werken dan in het gewone psychiatrische ziekenhuis, zegt Huub Jongeneelen dat hij vaker adviseert en minder actief bij klachten bemiddelt. De nadruk ligt op informatievoorziening. De anderen beamen dat. Marja van der Zanden: “Veel informeren en adviseren. Mensen durven niet zo goed een klacht in te dienen. Patiënten voelen zich erg afhankelijk van de dokter.” André de Mol: “Patiënten laten zich meer vertellen en accepteren ook meer.”

Schaamte

De drie patiëntenvertrouwenspersonen vinden werk op de paaz desondanks zinvol. Marja van der Zanden zegt hierover: “Ik merk dat veel patiënten het een geruststelling vinden dat er een pvp is.”

Huub Jongeneelen vertelt dat hij met patiënten een ander soort gesprekken voert: “Het zijn Pandora-achtige gesprekken” (Stichting Pandora zet zich in voor de emancipatie van mensen met psychische en psychiatrische problematiek, red.). “Mensen vragen mij bijvoorbeeld vaak of zij de werkgever op de hoogte moet brengen van de ziekenhuisopname. De patiënt ervaart meer schaamte over zijn psychiatrische ziekte.”

André de Mol vindt dat het pvp-werk op de paaz zeker wat oplevert: “Ik geef stelselmatig informatie en voer stelselmatig gesprekken met patiënten. Dat is zinvol, ik merk dat men over meer zaken gaat nadenken. De bedoeling is dat dit leidt tot het voorkómen van klachten.”

(FW)


Pvp in opleiding

Veel mensen zijn benieuwd naar de achtergrond die iemand moet hebben om pvp te kunnen worden. Moet je jurist zijn? En is het een voorwaarde dat je in de psychiatrie hebt gewerkt om het tot pvp te kunnen schoppen?

Hoe ziet de scholing er uit die nieuwe pvp'en volgen in hun introductieperiode?

In de wervingsadvertentie voor pvp'en staat onder andere de volgende functie-eis: kandidaten dienen te beschikken over minimaal HBO werk- en denkniveau. Het gevolg van zo’n eis is dat kandidaten met een heel diverse achtergrond reageren. Juristen, psychologen. Maar ook verpleegkundigen die een vervolgopleiding hebben afgerond. Het is dus geen voorwaarde om een juridische achtergrond te hebben, maar kennis van de psychiatrie is dat weer wel.

Hoe wordt een pvp nu die deskundige op het gebied van het patiëntenrecht? Dat gebeurt onder andere tijdens een intensieve scholingsperiode van vier maanden. Men neemt altijd meerdere pvp'en tegelijk aan, meestal ongeveer vijf, zodat zich een soort klasje vormt. Dat is ook wel nodig, want het zou onhaalbaar zijn om het hele blok scholing steeds weer aan één nieuwkomer tegelijk te geven. De eerste maand van de scholing brengt de nieuwe pvp voornamelijk in de schoolbanken door die staan op het landelijk bureau van de Stichting PVP in Utrecht. De volgende drie maanden bestaan uit een dag scholing in de week. De overige dagen werkt de pvp dan al in zijn of haar instelling(en).

Diepgaande kennis

Het onderdeel juridische scholing neemt in de introductieperiode een belangrijke plaats in.

Ada Blok was vroeger pvp, daarna advocaat en nu juridisch medewerkster bij de stichting pvp. Zij verzorgt, samen met jurist Ton-Peter Widdershoven, sinds enige tijd de juridische scholing van beginnende pvp'en.

Ada Blok: “Pvp'en hoeven geen juristen te zijn, moet je er ook niet van maken, maar ze horen wel redelijk diepgaande kennis te hebben over een deelgebied van het recht: van het gezondheidsrecht, voor zover dat gaat over psychiatrie. En om die deskundigheid te bereiken komen heel wat wetten en regels aan de orde. In korte tijd krijgt men veel stof te verwerken. Met name het onderwijs in de eerste maand is erg theoretisch. Daarna is er meer verdieping, met veel ruimte voor casuïstiek.

We beginnen bij het begin: hoe ziet het Nederlandse recht eruit? Dan gaan we vlot door naar het gezondheidsrecht. De belangrijkste wetten zijn de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo) voor vrijwillig opgenomen cliënten, en de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) voor gedwongen opgenomen cliënten. Deze behandel ik het uitvoerigst. In de kantlijn daarvan staan we ook stil bij wetten als de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz), de Kwaliteitswet zorginstellingen, de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ), enzovoort. Vervolgens fietsen we door aanpalende gebieden als de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG), de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), de Wet wetenschappelijk medisch onderzoek met mensen (Wmo) en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz).”

Die eerste maand wordt afgesloten met een ouderwetse toets. ”Dat wordt nog wel eens als schools ervaren,” vertelt Ada Blok, ”maar de kennis moet wel toetsbaar zijn, het moet voor ons duidelijk zijn of de kennis is overgekomen. Ik ben tevreden als het raamwerk goed is aangebracht, de verdieping komt later”. Een tweede toets krijgt men aan het eind van de introductieperiode, na vier maanden, als afsluiting van de juridische scholing.

Bevoorrecht

Christa Noordam was een van de vijf startende pvp'en in het nieuwe millennium. Als arbeids- en organisatiepsycholoog lag haar werkervaring niet in de psychiatrie. Zij herinnert zich het volgende van de juridische scholing: ”Dat hele stuk recht, daar wist ik helemaal niets van. Het klinkt misschien dom, maar ik wist ook niets van de Bopz af. Ik vond het wel erg interessant, nu nog steeds trouwens. Zo hou ik nog steeds de jurisprudentie bij, het is dynamisch en dat houdt het boeiend. Ik heb het wel als een intensieve periode ervaren, want naast de veertig uur scholing in de week, moest ik ‘s avonds en in het weekend studeren om de behandelde stof in me op te nemen. Toch gaf het geen stoffige indruk vond Christa Noordam: ”De juristen gaven op een heel leuke manier les, ik voelde me bevoorrecht dat zo’n klein clubje zo professioneel les kreeg.”

Gedragsregels

Al ligt de nadruk in de introductieperiode vooral op de juridische scholing, er komt nog veel meer aan bod. Een belangrijke rol in de overdracht van basale kennis vervullen de beide hoofden pvp, Harry Manders en Ton Stoop. Hoe deel je je dag in? Hoe introduceert een pvp zich in zijn of haar instelling? Met welke externe organisaties heeft een pvp van doen?

De gedragsregels waar de pvp zich aan moet houden kwamen ook uitgebreid aan bod. Christa Noordam: “Men leert je heel goed wat je wel en niet mag als pvp. Het waren geen vreemde regels, maar je moet ze wel even weten. Alhoewel ik de partijdigheid soms best moeilijk vond”.

Verder zijn er korte cursussen waar men intensief aandacht besteedt aan een bepaald onderdeel van het werk. Zo is er een cursus onderhandelen, maar ook een cursus omgaan met agressie. Vooral die laatste cursus vond Christa Noordam erg nuttig: ” Vanwege mijn vroegere werk was ik vrij bekend met gesprekstechnieken en dergelijke. Toch heb ik het als leerzaam ervaren om weer eens te horen hoe het ook al weer zat. In die cursus omgaan met agressie, die overigens werd gegeven door ervaren collega’s, ging het vooral over: ’hoe geef ik m’n grenzen aan?’ En hoe je dat netjes zegt”.

Verlangen

Tegen de tijd dat de periode van vier maanden voorbij is, verlangen de meeste pvp'en inmiddels wel naar de praktijk. Ze zijn immers nog maar heel beperkt in de instelling aanwezig geweest en vaak stapelen de klachten en vragen zich op.

De scholing gaat door, zij het in beperktere mate: de pvp'en komen terecht in het reguliere systeem van een terugkomdag in de drie weken. ‘s Ochtends is er ruimte voor intervisie of casuïstiek. In het middagdeel is er onder andere plaats voor juridische scholing over bijvoorbeeld actuele zaken in het patiëntenrecht. Pvp'en raken nou eenmaal niet uitgeleerd…

(AG)


Juridische ontwikkelingen en de Stichting PVP

Wist u dat de Stichting PVP instanties zoals de overheid adviseert over beleid rond patiëntenrecht? Gevraagd maar ook ongevraagd becommentarieert de stichting wetsvoorstellen. Zij probeert daarmee de belangen van de patiënt te behartigen.

Klachtenprocedure voor patiënten ingrijpend anders

De Stichting PVP pleitte ervoor: de klachtenprocedure op basis van artikel 41 van de Wet Bopz wordt uitgebreid met een cassatiemogelijkheid bij de Hoge Raad.

Op 11 mei 1999 werd het wetsvoorstel om de Wet Bopz op technische punten te veranderen bij de Tweede Kamer ingediend. Dit wetsvoorstel bevat ingrijpende wijzigingen in de klachtenprocedure van artikel 41 van deze wet: De klachtencommissie krijgt de bevoegdheid om beslissingen te nemen en maatregelen waarover patiënten klagen te schorsen. Deze bevoegdheden lagen bij het bestuur van de instelling.

De termijn waarbinnen een klachtencommissie een klacht moet behandelen, wordt vier weken in plaats van twee weken voor klachten over toegepaste dwang die inmiddels is opgeheven.

De klachtenprocedure wordt uitgebreid met een cassatiemogelijkheid bij de Hoge Raad.

Daarnaast regelt het wetsvoorstel ook andere kwesties, zoals
Meer waarborgen voor de onafhankelijkheid van de psychiater die de geneeskundige verklaring opstelt, als het gaat om de aanvraag van een rechterlijke machtiging voor een patiënt die al vrijwillig is opgenomen.
De verschillende categorieën van gevaar die tot dwangopneming kunnen leiden, zoals vastgelegd in de model-geneeskundige verklaringen, komen in de wet te staan.
De kosten voor een contra-expertise (of second opinion) op verzoek van de patiënt bij dwangopneming komen ten laste van de overheid.
Een wettelijke verplichting om de Inspectie voor de Gezondheidszorg te laten weten dat een toegepaste dwangbehandeling is stopgezet.

Op 20 juni 2000 ging de Eerste Kamer akkoord, waarna de wet in het Staatsblad werd gepubliceerd (Wet van 22 juni 2000, Stb. 2000, 292). De veranderingen traden op 01-12-2000 in werking, met uitzondering van de wijzigingen in de klachtenprocedure. De reden voor de verlate inwerkingtreding van de nieuwe klachtenprocedure is dat eerst overleg met de Hoge Raad zal plaatsvinden, nu de Hoge Raad ook een rol in de klachtenregeling wordt toebedeeld.

Thuis pillen slikken onder ‘drang’

De Stichting PVP leverde commentaar op het wetsvoorstel over de voorwaardelijke machtiging. Het doel van de voorwaardelijke machtiging is een gedwongen opneming te voorkomen, door de patiënt thuis onder ‘drang’ te behandelen. En de behandelaar beslist of de patiënt thuis mag blijven.

Het ministerie van VWS in juni 1999 bracht een concept wetsvoorstel Voorwaardelijke Rechterlijke Machtiging naar buiten. De voorwaardelijke machtiging werkt als een stok achter de deur. Zolang de patiënt zich aan bepaalde voorwaarden houdt en zich geen gevaar voordoet, hoeft de patiënt niet onder dwang naar het ziekenhuis. De patiënt moet zich bereid verklaren de voorwaarden na te leven. Een ambulante behandelaar begeleidt de patiënt. Als de patiënt zich niet aan de voorwaarden houdt of als zich gevaar voordoet, kan deze behandelaar besluiten de patiënt gedwongen op te laten nemen.

Wat zijn die voorwaarden? In ieder geval moet de patiënt zich laten behandelen; meestal moet hij medicijnen nemen. Ook kan de rechter andere voorwaarden ‘betreffende het gedrag van de betrokkene’ stellen. Deze moeten verband houden het gevaar dat uit de geestesstoornis voortvloeit.

De voorwaardelijke machtiging zal naar verwachting de zogenaamde paraplumachtiging gaan vervangen die zich in de praktijk ontwikkelde.

Wachten op het resultaat

De stichting pvp pleitte voor alertheid op oneigenlijke dwang- en dranguitoefening. Ook wees de stichting op de (haar inziens te) grote rol die de behandelaar in het wetsvoorstel inneemt. Deze behandelaar kan bijvoorbeeld een sociaal psychiatrisch verpleegkundige zijn. Het lijkt beter om de geneesheer-directeur in plaats van de behandelaar te laten beslissen of de patiënt alsnog onder dwang moet worden opgenomen.

Daarnaast pleitte de stichting er ook voor dat patiënten, die thuis zitten met een voorwaardelijke machtiging, een beroep kunnen doen op de pvp.

Op het moment van het ter perse gaan van het jaarverslag was de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel voorwaardelijke machtiging nog niet afgerond.

White Paper van de Raad van Europa

Ook binnen Europa denkt men na over regels voor de behandeling van psychiatrische patiënten. En ook hier laat de Stichting PVP van zich horen. De patiënt moet een stem krijgen in de keuze van het dwangmiddel dat men hem oplegt.

Via het Landelijk Overlegforum Internationaal Beleid verzocht men de stichting pvp   commentaar te leveren op het White Paper on the protection of the human rights and dignity of people suffering from mental disorder, especially those placed as involuntary patients in a psychiatric establishment (Notitie over de bescherming van de mensenrechten en waardigheid van mensen die lijden aan een psychische ziekte, vooral degenen die onvrijwillig zijn opgenomen in een psychiatrische instelling, red.). Dit White Paper is een notitie van de Raad van Europa.

Separatie en fixatie

In augustus 2000 verzond de stichting haar commentaar: Het White Paper maakt ten onrechte geen onderscheid tussen de criteria voor gedwongen opneming enerzijds en de criteria voor dwangbehandeling anderzijds. Ook ontbreekt het onderscheid tussen dwangbehandeling op wilsbekwame en dwangbehandeling op wilsonbekwame patiënten.

De stichting pvp plaatst kritische kanttekeningen bij de in het White Paper voorgestane ambulante dwangbehandeling. Het is wenselijk als de rechter beslissingen tot dwangbehandeling voorafgaand toetst.

De ratio van de ‘status aparte’ die in het White Paper wordt toebedeeld aan separatie en fixatie is delen wij niet. In dit verband benadrukte de stichting het belang van het meewegen van de relatieve voorkeur van de patiënt voor een bepaald middel als men dwangtoepassing noodzakelijk vindt.


Wgbo: goed voor de patiënt

Hoe bevalt de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo)? Aan de rechtspositie van de patiënt levert deze wet een belangrijke bijdrage. Ook de artsen zijn positiever geworden.

Op 4 oktober 2000 werd het rapport over de evaluatie van de Wgbo aan de Tweede Kamer aangeboden. De belangrijkste conclusie uit de evaluatie was dat de Wgbo een belangrijke bijdrage levert aan het versterken en verduidelijken van de rechtspositie van de patiënt. De kennis over die rechtspositie is onder artsen én patiënten redelijk hoog. Artsen staan positiever dan vroeger ten opzichte van de Wgbo en de daaruit voortvloeiende patiëntenrechten.

Objectieve maatstaven

Maar er was ook kritiek. Zo gaven artsen aan objectieve maatstaven te missen om de wils(on)bekwaamheid van patiënten te beoordelen.

Problemen waren er met de vertaling van de wettekst naar de dagelijkse praktijk. Ook vond men de afstemming met andere wetten lastig. Ten aanzien van het gebruik van gegevens in onderzoekssituaties constateerde men lacunes in kennis.

Aanbevolen werd dan ook om maatregelen te treffen tot vergroting van de kennis van de wet en om richtlijnen te ontwikkelen voor de praktische invulling van de Wgbo. Tenslotte werd geadviseerd om de samenhang tussen de Wgbo en andere wetten die de rechtspositie van de patiënt betreffen te onderzoeken.

Nog lang niet overal een cliëntenraad

Niet alle nieuwe wetten worden bejubeld. De evaluatie van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) schetst een somber beeld. In de praktijk verloopt medezeggenschap van cliënten moeizaam.

Op 1 december 2000 werd het rapport over de evaluatie van de Wmcz uitgebracht.

Viereneenhalf jaar na de inwerkingtreding van de wet bestaat in nog lang niet alle instellingen die onder het bereik ervan vallen een cliëntenraad. Waar wél raden zijn blijken bovendien zowel directies als raden de ruimte om inhoud en vorm aan medezeggenschap te geven onvoldoende te benutten.

In de praktijk blijkt men geen gebruik te maken van de mogelijkheid om cliëntenraden met meer taken en bevoegdheden op te tuigen dan de minimumregeling van de wet voorschrijft. Integendeel zelfs: de invoering van de Wmcz heeft er toe geleid dat cliëntenraden eerder verworven bovenwettelijke bevoegdheden kwijtraakten.

Allochtonen

Een ander probleem blijkt te zijn dat cliëntenraden in de praktijk dreigen te bezwijken onder ingewikkelde beleidsnota’s en de druk van fusieperikelen. Hierdoor komen zij niet meer toe aan hun eigenlijke taak – het adviseren over het dagelijkse leefmilieu en de hulpverlening.

De deelname van allochtonen aan cliëntenraden blijkt vrijwel nihil te zijn.

Het rapport bevat zes aanbevelingen. De belangrijkste hebben betrekking op het bevorderen van de aansluiting op de directe leefwereld van de cliënten en de deelname van allochtonen aan medezeggenschap binnen de instellingen.

(AB)


De Stichting PVP als werkgever

“Gezond je pensioen bereiken is voor een pvp zeker haalbaar”

“Zal ik u doorverbinden met de afdeling personeelszaken?” Deze vraag krijgt de zieke pvp als hij zijn ziekte meldt bij het ziekenhuis. “Nee, want ik ben in dienst van een andere werkgever”, zegt de pvp dan keurig. Die andere werkgever is de Stichting PVP in Utrecht. Deze begeleidt de vijftig pvp'en die in de Nederlandse psychiatrische ziekenhuizen het pvp-werk uitvoeren. Hoe ziet die stichting als werkgever er uit?
Gijsbert Heres Hoogerkamp is directeur. Gerard Wiersema is behalve pvp ook voorzitter van de ondernemingsraad. Frédérique Schleidt-Couprie sprak met hen.

Wat is jullie eerste associatie met de Stichting PVP?

Wiersema: “Een kleine, platte organisatie. Er zijn weinig leidinggevenden en de pvp heeft veel ruimte voor een eigen invulling.”
Heres Hoogerkamp: ”Een bij uitstek door professionals gevormde organisatie met een klein landelijk bureau dat vooral het werk in het veld mee mogelijk moet maken.”
Wiersema: ”De lijnen kunnen kort zijn.”
Heres Hoogerkamp: ”Ja, in principe zijn de lijnen kort, maar door fysieke factoren   -je ziet elkaar weinig-   worden de lijnen wel eens verlengd. Het is ook individueel bepaald. De één heeft veel behoefte aan sturing en contact terwijl de ander het juist lekker vindt om op afstand te zitten.

Afstand oké, maar er moet toch een zekere controle zijn? Hoe hou je het zicht op al deze mensen die verspreid over het hele land werken?

Hoogerkamp: ”De basis van de pvp is gedrevenheid. Als ik als directeur er niet op kan vertrouwen dat mensen die werken bij deze club geloven in het werk en daarmee hun verantwoordelijkheid nemen, dan kan deze organisatie in zijn huidige structuur niet functioneren. Het is wel nodig om te weten hoe de pvp'en hun werk doen, maar dan heb ik het niet in de eerste plaats over controleren. Pvp'en ontmoeten nogal eens weerstand in de instellingen en dan is het moeilijk om elke dag weer de motivatie te hebben om door te gaan. De intervisie bijeenkomsten en de terugkomdagen   (pvp'en komen eens in de drie weken een dag bij elkaar, red.) zijn momenten die we gebruiken om ‘bij te tanken’. Ook zoiets als het registratiesysteem is een middel om te kijken hoe iemand zijn werk doet. Vragen als ‘hoeveel klachten behandel je per jaar’ kunnen een ingang zijn om te praten over hoe het gaat. Met dat ik dit zeg realiseer ik me overigens dat onze professionals niet makkelijk praten over productiecijfers.
Wiersema: ”Het ligt eraan hoe het wordt gebruikt, als controlemiddel kan het bedreigend zijn voor werknemers. Wanneer je het gebruikt om te leren van elkaar, dan is het een kans. Registratie is één van de weinige middelen die ons werk zichtbaar maakt, het kan daarom motiverend werken.”
Heres Hoogerkamp: ”Ik zie het minder als iets waar je intern verantwoording over moet afleggen. Veel belangrijker vind ik dat je hiermee aan de buitenwereld kunt laten zien wat we doen met de subsidiegelden die we ontvangen. Uit cijfers kun je heel aardige informatie halen. Het lijkt voor de hand te liggen om te concluderen dat in instellingen waar veel wordt geklaagd, het niet zo best is gesteld. Maar dat kun je nu niet zeggen, omdat de persoonlijke werkwijze van de pvp van (te) grote invloed is. We moeten een standaard zoeken waar we ons allemaal in kunnen vinden, want er moet ook ruimte zijn voor eigen invulling van het vak. We willen aan de ene kant een berekenbare dienstverlening hebben en aan de andere kant ruimte voor de eigenheid van de individuele pvp.”
Wiersema: ”Cijfers horen wat mij betreft niet te eng te worden uitgelegd. Eén klacht op een bepaalde afdeling kan veel meer impact hebben dan bijvoorbeeld tien klachten op een andere afdeling.”

Zelfstandige, misschien wat eigengereide professionals, wat voor soort mensen zijn pvp?

Heres Hoogerkamp: ”We vragen hbo- of academisch werk en denkniveau en ervaring in de ggz. Dat is erg breed en we hebben dan ook mensen met heel verschillende achtergronden in dienst. Er is geen studie of opleiding tot pvp, daarom scholen we de mensen intern (zie voor informatie over de introductieperiode elders in deze jaarkrant, red.). Een groot deel van ons werk bestaat uit bemiddelen en dat vereist het nodige aan sociale en communicatieve vaardigheden, daar selecteren we ook op.
Wiersema: ”Het is dan wel een solofunctie maar er gaat geen dag voorbij zonder dat je met veel verschillende mensen contact hebt.”

Het specifieke van het pvp-werk, zie je dat terug in het percentage en soort ziekteverzuim?

Wiersema: ”In vergelijking met mensen in gelijksoortige organisaties meldt een pvp zich vaker kortdurend ziek.”
Heres Hoogerkamp: “De meldingsfrequentie is hoog, de pvp heeft blijkbaar af en toe een time-out nodig”.

En daar wordt niet zo moeilijk over gedaan?

Heres Hoogerkamp: “Jawel, ik vind het veel te hoog, ziek melden is geen oplossing. De redenen voor ziekte blijken heel divers maar er speelt zeker ook een werkgerelateerde factor mee, en daaraan kun je zien dat het werk de meeste niet in de koude kleren gaat zitten.”
Wiersema: ”Ook al ben je niet honderd procent fit, je moet wel alles alleen uitvoeren. Bovendien heeft de cliënt te allen tijde recht op honderd procent inzet. Wij kunnen ook niet even wat werk doorschuiven naar een collega. Als een pvp zich niet fit voelt, breekt zo’n eenmanspost hem of haar eerder op.
Heres Hoogerkamp: ”Eén van de dingen die we uit 2000 hebben gehaald en waarmee we in 2001 aan de slag zijn gegaan, is ervoor te zorgen dat elke pvp tenminste één werkplek heeft waar hij zich thuis voelt en waar goede voorzieningen zijn. Deze plek kan dienen als uitvalsbasis in het werkgebied van de pvp.”
Wiersema: ”We hebben als ondernemingsraad aangedrongen op zo’n werkplek-onderzoek. Een slechte werkplek kan mede een reden zijn dat het werk op een bepaald moment te zwaar wordt en iemand zich bijvoorbeeld ziek moet melden.”

Tegenwoordig hoor je veel over het zogenaamde coachend management. Hanteert de Stichting PVP deze stijl van leiderschap?

Wiersema: ”Ik zie een management dat zich steeds meer inspant om te kijken hoe het patiëntenvertrouwenswerk het best kan worden uitgevoerd. Dat uit zich in een stijl van management waarbij men meer wil faciliteren en minder controleren.”
Heres Hoogerkamp: ”Ja, coachend management is wel een tendens die we proberen te versterken. Zelf heb ik in ieder geval niet de behoefte om mensen vanuit een hiërarchische positie aan te spreken, juist omdat het gaat om hoog opgeleide professionals mag je verwachten dat dat niet de juiste invalshoek is. Ik neem bij tijd en wijle wel een kritische houding aan, ik wil dat er ook over het werk wordt nagedacht en dat het niet allemaal vanzelfsprekendheden zijn. Het gaat soms gewoon over prestaties en ik wil in een veilige en uitdagende atmosfeer het gesprek daarover aangaan.”

Samengevat kun je stellen dat pvp best een pittig vak is: hoe lang houdt de gemiddelde pvp het vol?

Heres Hoogerkamp: ”Een gezond verloop zou ik tien procent vinden, dat halen we krap. Het vak van pvp kan een valkuil zijn omdat het niet kwalificeert voor andere beroepen. Je verdere mogelijkheden   ontleen je niet zozeer aan het feit dat je pvp bent geweest. Je moet het dan hebben van de andere kunstjes die je in huis hebt.”
Wiersema: ”De ondernemingsraad is bezig met een initiatiefvoorstel voor loopbaanbegeleiding.”
Heres Hoogerkamp: ”Komende jaren willen we dat elke pvp een persoonlijk ontwikkelingsplan maakt waarin   faciliteiten van de stichting zitten. Dit plan kan gericht zijn op het -beter- functioneren als pvp, maar ook gericht op ander werk.”
Wiersema: ”De bedoeling is dat alle medewerkers, dus ook het landelijk bureau, bewuster met hun toekomst omgaan en samen met het management naar hun verdere carrière kijken, of die nou bij de stichting is of ergens anders. Er zijn overigens genoeg pvp'en die definitief voor dit vak gekozen hebben en dus helemaal niet weg willen. Gezond je pensioen bereiken is voor een pvp zeker haalbaar.”

(FS)


Financiële verantwoording

De werkzaamheden van de Stichting PVP worden gefinancierd uit een opslag op de verpleegprijs van de algemene en categoriale psychiatrische ziekenhuizen. De bijdrage per toegelaten bed worden jaarlijks vastgelegd in een beleidsregel van het College Tarieven Gezondheidszorg. De stichting brengt deze bijdrage in rekening bij de ziekenhuizen, die om de bijdrage te kunnen voldoen een opslag ontvangen op de verpleegprijs. In 2000 bedroeg de bijdrage ƒ 245,- per toegelaten bed.

Rekening van baten en lasten in guldens over 2000

Baten

2000

1999

Gedeclareerde bijdragen

  6.224.540

  5.918.156

Ontvangen -/- betaalde interest

     65.832

     46.925

Diverse baten -/- lasten

-      3.076

      3.295

TOTAAL

  6.287.296

  5.968.376

Lasten

2000

1999

Personeelskosten

  5.635.950

  5.232.798

Huisvestingskosten

    122.661

    125.435

Bureaukosten

    279.030

    254.863

Reis- en verblijfskosten

    133.568

    137.384

Algemene kosten

    133.231

     81.692

TOTAAL

  6.304.440

  5.832.172

 

2000

1999

Exploitatieresultaat

-     17.144

    136.204

Balans per ultimo 2000

Activa

2000

1999

Vorderingen

     47.188

    195.516

Liquide middelen

    733.474

    580.674

TOTAAL

    780.662

    776.190

Passiva

2000

1999

Vermogen

    195.958

    213.102

Schulden op korte termijn

    584.704

    563.088

TOTAAL

    780.662

    776.190

Accountantsverklaring

Opdracht

Wij hebben het financieel verslag 2000 van de Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon Geestelijke Gezondheidszorg te Utrecht gecontroleerd. De jaarrekening is opgesteld onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de stichting. Het is onze verantwoordelijkheid een accountantsverklaring inzake de jaarrekening te verstrekken.

Werkzaamheden

Onze controle is verricht overeenkomstig in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controleopdrachten. Volgens deze richtlijnen dient onze controle zodanig te worden gepland en uitgevoerd, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de jaarrekening geen onjuistheden van materieel belang bevat. Een controle omvat onder meer een onderzoek door middel van deelwaarnemingen van informatie ter onderbouwing van de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. Tevens omvat een controle een beoordeling van de grondslagen voor financiële verslaggeving die bij het opmaken van de jaarrekening zijn toegepast en van belangrijke schattingen die het bestuur van de stichting daarbij heeft gemaakt, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening. Wij zijn van mening dat onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel.

Oordeel

Wij zijn van oordeel dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen op 31 december 2000 en van het resultaat over 2000 in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving.