pvp
Home Organisatie Cijfers Contact Medewerkers

Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg

 

13e jaargang nummer 1 voorjaar 2003

Inhoudsopgave


Gebrekkige informatie over de behandeling leidt tot klachten

Je moet niet zoveel vragen!

Een cliënt moet voldoende geïnformeerd zijn over de behandeling voordat hij of zij daarvoor weloverwogen toestemming kan geven. De behandelaar is dan ook verplicht om te controleren of alle informatie wel goed is overgekomen. Maar de praktijk is vaak anders. Regelmatig krijgen pvp’en vragen en klachten van cliënten die gaan over een gebrek aan informatie over de behandeling. Klachtencommissies geven de cliënten vaak gelijk.

Een cliënte wendt zich tot de klachtencommissie van een psychiatrisch ziekenhuis omdat haar behandelaar haar niet duidelijk wil maken waarom zij is opgenomen en waarom zij als enige op de afdeling elke dag in afzondering moet. Zij heeft gevraagd of zij haar dossier mag inzien. Volgens haar is inzage in dat dossier geweigerd met de opmerking: “Je moet niet zoveel vragen”. Het doel van haar opname wordt haar pas op de klachtzitting duidelijk. De klachtencommissie vermoedt dat de cliënte de wens om het dossier in te zien, niet uitdrukkelijk genoeg heeft gesteld. Maar de behandelaar, aldus de commissie, is duidelijk tekort geschoten in het geven van goede uitleg over de behandeling.

Deze cliënte was niet de enige. Jaarlijks behandelt de Stichting PVP meer dan vierhonderd vragen en klachten over het onvoldoende of onjuist informeren van cliënten. Problemen rondom het gebrek aan informatie doen zich tijdens alle fasen van het behandeltraject voor; bij opname, bij vaststelling en bijstelling van het behandelplan, en bij afsluiting van de behandeling. Het lukt de pvp niet altijd om samen met de cliënt de klacht op te lossen en tot een overeenstemming met de behandelaar te komen. Cliënten hebben dan ook de mogelijkheid om hun klacht door de klachtencommissie te laten toetsen. Zo hebben in 2001 cliënten met steun van de pvp 19 klachten over het onvoldoende geven van informatie aan de klachtencommissie voorgelegd. Klachtencommissies geven cliënten met deze klachten veelal gelijk.

Informed consent

In de jaren 1994-1995 werd wettelijk geregeld, dat alle cliënten die een beroep doen op hulp bij de gezondheidszorg het recht hebben om goed geïnformeerd te worden over hun behandeling (zie kader). Dit geldt als een cliënt op een afspraak bij de huisarts komt, als hij naar een medisch specialist in het ziekenhuis gaat voor een behandeling en dus ook als een cliënt opgenomen wordt in een psychiatrisch ziekenhuis. Als een cliënt met een gezondheidsprobleem bij een hulpverlener komt, zullen zij in overleg met elkaar tot een overeenstemming moeten komen over de behandeling: er wordt, mondeling of schriftelijk, een behandelingsplan gemaakt.

De basis voor de uitvoering van zo’n behandelingsplan ligt in de toestemming die de cliënt op basis van goede informatie heeft gegeven. Dit principe wordt ook wel informed consent genoemd.

In het psychiatrisch ziekenhuis

Een cliënt komt bij de klachtencommissie van een psychiatrisch ziekenhuis. Hij heeft voor het eerst in zijn leven meegemaakt, dat hij onder dwang werd behandeld, vertelt hij, maar hij wist niet eens dat zoiets mogelijk was. De klachtencommissie stelt vast dat er geen behandelplanbespreking met de cliënt heeft plaatsgevonden en dat de cliënt niet van de inhoud van het behandelplan, onder andere het gebruik van dwangmiddelen, op de hoogte was. Het behandelplan is ook niet door de cliënt ondertekend. De commissie oordeelt de klacht gegrond omdat de voorlichting over de behandeling voor de cliënt niet duidelijk is geweest.

In een psychiatrisch ziekenhuis hebben vrijwillig opgenomen cliënten te maken met de Wgbo, en bij onvrijwillige opnames hebben cliënten naast de Wgbo ook met de Wet Bopz te maken. Beide wetten benadrukken dat de behandelaar de cliënt goed moet informeren en een behandeling in overleg met de cliënt afgesproken moet worden.

Cliënten die zijn opgenomen in een psychiatrische instelling, zijn vaak in de war, boos, teleurgesteld en/of verdrietig. De meeste mensen zijn dan verre van evenwichtig. Dit maakt het voor hen extra moeilijk om alle informatie over de behandeling direct te overzien en te begrijpen. In een dergelijke situatie zal de hulpverlener daarom extra zijn best moeten doen om die informatie voor de cliënt begrijpelijk te maken. De informatie moet bijvoorbeeld in een later stadium worden herhaald, of in begrijpelijke taal op papier worden gezet.

Informatie afstemmen op de cliënt

Een cliënte klaagt er bij de klachtencommissie over dat zij niet is geïnformeerd over mogelijke bijwerkingen van een medicijn. Zij was bezorgd of ze de medicatie wel zou verdragen. Toen zij om deze informatie vroeg, verwees de behandelaar naar het repertorium, een soort handboek waarin veel medicatie beschreven wordt. De informatie in het repertorium begreep ze niet.

De klachtencommissie vindt dat de cliënt recht heeft op begrijpelijke informatie. Daarnaast merkt zij op, dat het recht op informatie over de bijwerkingen van medicijnen nog meer geldt als cliënt ook nog andere middelen gebruikt, die in combinatie met medicijnen tot ongewenste of schadelijke effecten kunnen leiden. De klachtencommissie oordeelt daarom dat de behandelaar is tekortgeschoten in zijn wettelijke verplichting om de cliënt te informeren.

Niet alleen het ziektebeeld van de cliënt kan extra inspanning vragen van de behandelaar als hij informatie geeft. Ook zal een behandelaar rekening moeten houden met de leeftijd van zijn cliënt en het opleidingsniveau. Bijzondere aandacht zal hij moeten besteden aan het informeren van minderjarige, wilsonbekwame en allochtone cliënten. Bij de laatstgenoemde groep cliënten kan het bijvoorbeeld ook nodig zijn een tolk in te schakelen.

Wet en praktijk

De Wet Bopz is in 2002 voor de tweede keer geëvalueerd. Deze evaluatie laat zien dat de meeste behandelaars er in slagen om met de cliënt tot een gehele of gedeeltelijke overeenstemming over de behandeling te komen. Er zijn echter ook psychiaters die niet onverdeeld positief staan tegenover informed consent. Het rapport van de evaluatiecommissie citeert een psychiater: “Ik ben van mening dat een patiënt geen volledige informed consent kan geven”. De wet en de praktijk botsen, ook gezien het aantal klachten, blijkbaar nogal eens.

Een pvp zegt: “Wat mij stoort is de mentaliteit van sommige hulpverleners van: Wij maken deze afspraak met u.” Regelmatig laat een cliënt mij een behandelplan zien waarop staat: “Wij hebben de volgende afspraken met u gemaakt”, en dan volgen er een heel aantal regels, terwijl deze cliënt tegen mij zegt, dat hij het er helemaal niet mee eens is. Dan kan er vanzelf ook geen sprake zijn van “afspraken”. Dit is geen behandelovereenkomst zoals de wet dat bedoelt.”

Wanneer een cliënt iets wil veranderen in zijn behandeling, klopt hij soms aan bij de pvp, in plaats van het gesprek aan te gaan met de behandelaar. De oorzaak daarvoor is dat deze vaak weinig tijd heeft en dat het de cliënt soms dagenlang niet lukt een afspraak te maken met zijn behandelaar. Een pvp: “Ik ga dan met de cliënt naar de behandelaar om over de behandeling te praten. Wat mij dan opvalt is dat de arts een heel gemotiveerd verhaal heeft en uitvoerig de tijd neemt. Voor veel cliënten is dit gesprek een eye-opener. Voor hen is het de eerste keer dat ze zo goed worden geïnformeerd dat het hen duidelijk wordt. Deels wordt dit natuurlijk veroorzaakt door de problematiek waarmee cliënten te maken hebben. Toch lijkt het wel of de hulpverlener meer tijd voor de cliënt vrijmaakt omdat de pvp meekomt. Dit zou toch anders moeten gaan!”

TvV/AD


De wettelijke informatieplicht

De Wgbo, de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst

De Wgbo is in 1995 van kracht geworden. Op grond van deze wet (art. 7:448, opgenomen in het Burgerlijk Wetboek) zijn hulpverleners verplicht de patiënt op duidelijke wijze en desgevraagd schriftelijk te informeren over de diagnose, het voorgenomen onderzoek en de voorgestelde behandeling. Deze informatieplicht omvat onder meer het wijzen op risico’s van de behandeling en alternatieven. De patiënt heeft het recht om de informatie te weigeren.

In een ander artikel van de Wgbo (art. 7:450 BW) is het zogenaamde ‘toestemmingsvereiste’ geregeld: behandeling mag alleen plaatsvinden als de patiënt of, in sommige gevallen, zijn vertegenwoordiger daarvoor toestemming heeft gegeven. Die toestemming moet gebaseerd zijn op duidelijke en volledige informatie.

De Wet Bopz, de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen

De Wet Bopz is in 1994 in werking getreden. Ook de Wet Bopz gaat uit van het recht op informatie en de daarop gebaseerde toestemming van de patiënt. Art. 38 lid 1 draagt aan de behandelaar op om zo spoedig mogelijk na opname in overleg met de patiënt een behandelingsplan op te stellen. Als hierover geen overeenstemming kan worden bereikt, kan geen behandeling worden toegepast (art. 38 lid 5).

Beide wettelijke regelingen kennen uitzonderingen waardoor het mogelijk is soms onder dwang te behandelen.


Ontwikkelingen rond het recht op informatie

ZONDER INFORMATIE ZIJN ANDERE RECHTEN WAARDELOOS

Het recht van de patiënt op informatie is volgens mr. Johan Legemaate het belangrijkste patiëntenrecht. Johan Legemaate is juridisch adviseur en beleidscoördinator gezondheidsrecht van de KNMG*.

Zonder goede informatie kan de patiënt niet volwaardig deelnemen in de relatie met zijn hulpverlener en zijn ook veel van zijn andere rechten waardeloos. Het is belangrijk dat patiënten informatie krijgen over hun gezondheidstoestand en de voorgestelde behandeling. Maar daarnaast is informatie over hun rechtspositie essentieel voor patiënten. Rechten waarvan je het bestaan niet kent, kun je immers niet uitoefenen. Uit onderzoek is het nodige bekend geworden over de mogelijkheden en onmogelijkheden om dit recht in de praktijk toe te passen. In dit artikel gaat Legemaate in op de ontwikkelingen die zich de afgelopen jaren rond het recht op informatie hebben voorgedaan.

Wetgeving en rechtspraak

Het recht op informatie is opgenomen in de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo), die in 1995 van kracht werd. Het was echter geen nieuw recht. Al sinds de jaren zeventig was het binnen de gezondheidsrechtelijke literatuur en in de rechtspraak erkend. Door de regeling in de Wgbo is het recht op informatie wel veel 'zichtbaarder' geworden voor patiënten en hulpverleners. De Wgbo-bepaling over het recht op informatie is ook in de psychiatrie van groot belang. Met betrekking tot vrijwillige behandelingen, ambulant of intramuraal, is het recht op informatie direct relevant. Of het nu gaat om de doelstellingen, effecten, duur en mogelijke resultaten van een psychotherapie of om de effecten en bijwerkingen van psychofarmaca: steeds zal de hulpverlener de patiënt de informatie moeten geven die de Wgbo voorschrijft. Dit geldt ook voor onvrijwillig opgenomen patiënten. Weliswaar hebben deze patiënten vooral te maken met de Wet Bopz, maar dat sluit de betekenis van de Wgbo niet uit. De Wet Bopz regelt wel de toestemming voor het behandelingsplan, tenzij er een grond is voor dwangbehandeling, maar zegt niets over de voorafgaande informatie die nodig is om de toestemming geldig te maken. In de juridische verhouding tussen de Wgbo en de Wet Bopz betekent dit, dat ook onvrijwillig opgenomen patiënten een beroep kunnen doen op het recht op informatie uit de Wgbo.

De afgelopen jaren zijn verschillende elementen uit de Wgbo-bepaling in de rechtspraak aan de orde geweest en nader uitgewerkt. Daardoor weten we iets beter hoe bepaalde begrippen uit de wet moeten worden uitgelegd. Een voorbeeld is de vraag welke bijwerkingen van een behandeling, bijvoorbeeld van medicatie, wel of niet onder de informatieplicht van de hulpverlener vallen. Een ernstige bijwerking die vaak voorkomt, moet uiteraard steeds gemeld worden, maar geldt dat ook voor eventueel ernstige bijwerkingen die zeldzaam zijn, bijvoorbeeld met een kans van één op tienduizend? De rechtspraak leert dat zulke zeldzame bijwerkingen meestal niet tot de informatieplicht van de hulpverlener worden gerekend. Overigens zijn in deze rechtspraak niet of nauwelijks zaken uit de psychiatrie te vinden. Ongetwijfeld spelen er ook in de psychiatrie de nodige problemen rond de informatieplicht. Uit de jaarverslagen van de Stichting PVP weten we dat klachten daarover aan de pvp'en worden voorgelegd. Tot procedures voor de tuchtrechter of de civiele aansprakelijkheidsrechter komt het echter zelden.

Ontwikkelingen

Ik noemde al een aantal ontwikkelingen die zich de afgelopen jaren rond het recht op informatie hebben voorgedaan, zowel op het juridisch gebied als daarbuiten. Hier volgt een overzicht van de belangrijkste.

Empirisch onderzoek, waaronder de Wgbo-evaluatie, laat zien hoeveel waarde patiënten zelf hechten aan goede informatie en aan de manier waarop die wordt gegeven. In contrast daarmee staan onderzoeksbevindingen waaruit kan worden afgeleid dat hulpverleners te terughoudend zijn met informatie, vooral waar het gaat om voor de patiënt cruciale aspecten als risico's van een behandeling en alternatieven ervoor. Het is belangrijk dat dit gat tussen het patiëntenperspectief enerzijds en het feitelijk handelen van hulpverleners anderzijds zoveel mogelijk wordt gedicht.

Het recht op informatie is in de Wgbo in algemene bewoordingen geregeld. Over dit recht is een uitvoerige jurisprudentie (dat is: toegepaste rechtspraak) ontstaan, waarin verschillende aspecten van het recht op informatie nader zijn uitgewerkt. Dit is een mooi voorbeeld van de traditionele verhouding tussen de wetgever en de rechter. De wetgever stelt de algemene norm, en gaandeweg voorziet de rechter deze norm van handen en voeten. Bovendien is in richtlijnen vanuit de medische professie, soms ook in samenspraak met patiëntenorganisaties, nader invulling gegeven aan het recht op informatie. Hier ligt ruimte voor het veld om de algemene Wgbo-regel zelf nader in te vullen.

Hulpverleners vreesden dat het recht op informatie een rigide invulling zou krijgen. Die zou bijvoorbeeld inhouden dat alleen al het niet volledig informeren van de patiënt tot civielrechtelijke aansprakelijkheid zou kunnen leiden. Het niet-volledig informeren zal in het algemeen tuchtrechtelijk steeds verwijtbaar zijn. In de civielrechtelijke jurisprudentie wordt de streep echter op een andere plaats getrokken. Vanwege de causaliteitsregels leidt gebrekkige informatie alleen tot aansprakelijkheid als aannemelijk is dat de patiënt, was hij wel volledig ingelicht, een andere beslissing zou hebben genomen. In november 2001 heeft de Hoge Raad deze benadering goedgekeurd. De Hoge Raad erkent het grote belang van het recht op informatie, maar gaat daar afgewogen en genuanceerd mee om.

Organisatie

In de rechtspraak over het recht op informatie komt onder meer aan de orde de verhouding tussen de professionele verantwoordelijkheid van de hulpverlener enerzijds en de taken van het instellingsmanagement anderzijds. De tuchtrechter geeft in bijzonder aan dat de gang van zaken binnen de instelling zo moet worden georganiseerd dat de hulpverlener in staat is de op hem rustende verantwoordelijkheden, zoals het op juiste wijze informeren van de patiënt, waar te maken. Wordt de hulpverlener daarin belemmerd door beslissingen van het instellingsmanagement, dan vrijwaart hem dat niet van tuchtrechtelijke aansprakelijkheid. Hulpverleners in de psychiatrie en de instellingen waarbinnen zij werken, zullen met elkaar moeten overleggen over het slechten van organisatorische barrières voor het realiseren van de informatieplicht.

Dat overleg moet ook betrekking hebben op andere randvoorwaarden voor een goede implementatie van het recht op informatie. Niet alleen de evaluatie van de Wgbo maar ook ander onderzoek laat zien dat het welslagen van goede communicatie tussen hulpverlener en patiënt afhankelijk is van vele factoren: factoren die te maken hebben met de hulpverlener, de patiënt of de omgeving. Het verschil tussen norm en feit kan in de praktijk van de geestelijke gezondheidszorg groot zijn. Dat is nog sterker het geval als er aan de kant van de patiënt sprake is van, eventueel tijdelijke, wilsonbekwaamheid en een vertegenwoordiger moet worden ingeschakeld. Instellingen en hulpverleners zullen een voorlichtingsbeleid moeten ontwikkelen dat ertoe leidt dat patiënten zo goed mogelijk worden geïnformeerd. Daarbij gaat het om brochures, richtlijnen en andere hulpmiddelen, maar ook om de houding en communicatievaardigheden van de hulpverlener.

Uitbreiding

Tenslotte is van belang dat het recht op informatie wordt uitgebreid. Op goede gronden kan worden verdedigd dat het wettelijk recht op informatie van de patiënt en zijn vertegenwoordigers ook een recht inhoudt op informatie over gemaakte fouten. En op informatie over de onderzoeken die naar aanleiding daarvan zijn ingesteld. Dit houdt ook de plicht van de hulpverlener in om gemaakte fouten zelf aan de patiënt mede te delen.

Stond tot voor kort de informatie van de hulpverlener over de voorgestelde behandeling centraal, steeds meer wordt ook het belang van informatie over de hulpverlener zelf of over de instelling benadrukt. Vergelijkende informatie over hulpverleners en instellingen wordt steeds belangrijker. Het ligt overigens niet voor de hand dit aspect van de informatiebehoefte van patiënten te brengen onder de informatieplicht van hulpverlener of instelling zelf. Het zou enigszins bizar zijn en naar mijn mening ook niet effectief, om een hulpverlener een informatieplicht op te leggen over de prestaties en mogelijkheden van zijn concurrenten. Die informatie, op zichzelf belangrijk, zal op een andere manier voor consumenten en patiënten beschikbaar moeten zijn. Weliswaar zijn de keuzemogelijkheden nog beperkt, maar naar verwachting gaan we naar een situatie waarin patiënten steeds meer de wens uiten te kunnen kiezen tussen verschillende zorgaanbieders. Maar dan moet er wel informatie beschikbaar zijn op basis waarvan patiënten die keuze kunnen maken.

Tot slot

De genoemde aspecten over het recht op informatie laten zien hoe de rechtsontwikkeling verloopt en waar dat toe leidt: in dit geval tot een patiëntenrecht met een inhoud die uiteraard het belang van de patiënt voorop stelt, maar zonder de belangen van beroepsbeoefenaren of instellingen te miskennen. Maar ook tot een patiëntenrecht dat nooit de overstap van papier naar praktijk zal kunnen maken zonder een afgewogen implementatiepolitiek waarbij patiënten, beroepsbeoefenaars, instellingen en hun organisaties betrokken moeten zijn. Dit laatste is een gedeeld belang van patiënt en hulpverlener, gezien de grote betekenis die het recht op informatie heeft voor de keuzemogelijkheden van de patiënt, en vanwege de winst die informatie en communicatie opleveren voor de therapeutische relatie.

Zoals we gezien hebben geven wetgever en rechter normen en handvatten voor dit proces, maar zij kunnen geen eindresultaat garanderen. Dat eindresultaat kan alleen worden gerealiseerd in de praktijk van de zorg.

*De KNMG is de artsenfederatie Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst.


Meningen

Diverse deskundigen in het land gevraagd naar hun mening over de stelling: “Het is onzinnig om bij iedere verandering in het behandelingsplan toestemming van de betrokken patiënt te vragen.”

Corinne de Ruiter, hoofd kwaliteitsontwikkeling van de Stichting Ondersteuning Klachtenopvang Gezondheidszorg: “Ik ben het niet eens met de stelling. Maar daarnaast is het onbegonnen werk om alles steeds weer te bespreken. Uit onderzoek blijkt, dat mensen zich vaak te overrompeld voelen door de hoeveelheid informatie, om een goede beslissing te kunnen nemen. Het zou beter zijn wanneer de beroepsgroep van psychiaters en misschien ook die van verpleegkundigen, samen met patiëntenorganisaties criteria zouden formuleren over wanneer men de patiënt wel of niet informeert en om toestemming vraagt. Er zou overeenstemming moeten ontstaan over de grote lijn: welke informatie is wanneer noodzakelijk om een beslissing te nemen. Tegelijkertijd moet je daar ook voorzichtig mee zijn. Als een arts de medicatie een beetje verhoogt of verlaagt dan klinkt dat misschien als iets kleins, maar medicatietrouw is erg belangrijk. Een patiënt moet gemotiveerd zijn om die medicatie in te nemen en dan is het belangrijk om dat goed te overleggen.”

Anne Marie van der Sloten, cliënt ambulante dagbehandeling: Het gaat toch over mij?! Dan kunnen ze toch niet zomaar zonder mijn toestemming iets in het behandelplan dat ik samen met hen heb gemaakt, gaan veranderen? In het psychiatrisch ziekenhuis voel je je als cliënt heel ongelijkwaardig: je voelt het als falen dat je bent opgenomen, je hebt het alleen niet gered, en nu moeten ze je in het ziekenhuis maar weer oplappen. Het helpt mij als ik bedenk, dat ik net als een klant naar een winkel ga: als ik in de winkel iets koop, laat ik me goed informeren en op basis van die informatie koop ik iets, of juist niet. Het ziekenhuis is de winkel waar ik deskundigheid koop: een behandeling met medicijnen, of een therapie om te leren omgaan met mijn ziekte, of drie weken verblijf en begeleiding om tot rust te komen. Ik betaal daarvoor, net als in de winkel, alleen iets onzichtbaarder, via de verzekering. En hoe minder verstand ik heb van wat ik koop, hoe meer informatie ze me moeten geven om een goede keus te maken. En ze moeten natuurlijk betrouwbaar zijn, als ze daar hun best niet voor doen, kunnen ze me nog zo veel informatie geven, maar dan vertrouw ik ze niet en kan ik ook geen toestemming geven. (naam op verzoek gefingeerd)

Inspecteur drs. Patrick Gassman, Inspectie voor de Gezondheidszorg Regio Noord-West: “De stelling is niet eenvoudig. Behandelaar en patiënt sluiten een behandelingsovereenkomst op grond van artikel 446 van de Wgbo. Maar dat houdt niet in dat daarmee voor iedere verrichting automatisch ook toestemming is verleend. Artikel 450 bepaalt dat voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst de toestemming van de patiënt vereist is. Artikel 466, tweede lid, stelt dat een vereiste toestemming mag worden verondersteld te zijn gegeven, wanneer de desbetreffende verrichting niet van ingrijpende aard is. Uit de praktijk moet blijken wat dat is. Een behandelaar mag in situaties waar het om niet ingrijpende verrichtingen gaat, de toestemming veronderstellen als dit logischerwijze voortvloeit uit het gedrag van de patiënt. Het is dus nodig te bekijken of de wijziging in het behandelplan ingrijpend van aard is of niet en of de behandelaar van de veronderstelde toestemming uit mag gaan. In dit laatste zit de discussie. Wat is 'niet ingrijpend' voor de behandelaar en voor de patiënt, zitten zij hierover zodanig op dezelfde golflengte dat de behandelaar van veronderstelde toestemming mag uitgaan? Valt hierover een beleidsuitspraak te geven of blijft de kwestie te individueel bepaald dat daarover geen richtlijn te geven is? Naast hetgeen in de wet gesteld is, ga ik er overigens van uit dat een patiënt altijd in kennis wordt gesteld van een verandering in zijn behandelplan. De vertrouwensrelatie tussen patiënt en behandelaar dient zodanig te zijn dat de behandelaar altijd toestemming aan de patiënt vraagt wanneer hij of zij twijfelt of ook de patiënt de verandering in het behandelplan als klein (niet ingrijpend) van aard beschouwt.

A. Stevens, psychiater afdeling ziekenhuispsychiatrie van Adhesie, GGZ Midden-Overijssel: Een behandelplan is een weergave van de afspraken die gemaakt worden tussen patiënt en behandelaar/team over de behandeling, zodat het logische gevolg is dat veranderingen in een behandelplan pas kunnen plaatsvinden nadat dit met de patiënt is besproken. Wijzigingen in een behandelplan zonder met de patiënt te overleggen kunnen, vind ik, niet. Overigens is het uit praktisch oogpunt handig om een dusdanig behandelplan te maken, dat dit niet vrijwel dagelijks gewijzigd zou hoeven te worden.

Ingrid Peters, Coördinator CliëntenBelangenBureau GGZ Zuid-Holland Zuid: “En dan wou ik het nog even met u hebben over artikel 24, lid d. Ik zou willen voorstellen dat u gaat proberen wat meer te bewegen, wat vaker naar buiten te gaan.” De cliënt buigt zich over de stapel papieren die voor hem op tafel ligt, zijn behandelaar schuift met de muis van de computer. Verandering van artikel 24, lid d betekent ook dat artikel 63 (over toestemming) aangepast moet worden, en mogelijk heeft het voorstel van zijn behandelaar ook gevolgen voor artikel 13 (over medicatie). Gelukkig krijgt de cliënt na ieder bezoek een nieuwe uitdraai van zijn behandelcontract.” Het is heel gemakkelijk om de handhaving van de Wgbo in het belachelijke te trekken en een aantal zorgverleners maakt hier ook dankbaar gebruik van. Maar waar het om draait is dat je als cliënt naar een hulpverlener gaat omdat je iets mankeert; je hebt ergens last van en je wil daar van af. Het is de klacht zelf die jou onderuit haalt. En je behandelaar is - als het goed is - de deskundige die jou van je klacht af kan helpen. Op het moment dat een behandelaar vindt dat er iets in de behandeling gewijzigd moet worden, dan moet hij dit met de cliënt bespreken. Want waarom moet er iets veranderen in een behandeling die daarvoor als het beste remedie is gepresenteerd? Als een hulpverlener zijn positie als deskundige serieus neemt, dan neemt hij ook zijn cliënt serieus!


Aangifte

Mijn naam is Jo. Zes jaar woon ik al op een RIBW. Over het algemeen plezierige jaren als ik het vergelijk met de tijd daarvoor, toen ik gedwongen opgenomen was in het ziekenhuis. Nu kan ik mijn leven leiden zoals ik dat zelf wil. Natuurlijk heb ik wel eens onenigheid met de begeleiding, maar we komen er meestal wel uit. In het ziekenhuis was dat wel anders, mijn mening werd vaak niet gevraagd. Ik heb er dan ook veel bonje gehad.
Met de buurtbewoners heb ik over het algemeen een goede verhouding. Zij groeten me, en met sommigen houd ik wel eens een kletspraatje. Nooit heb ik het gevoel gehad dat ze mij als 'anders' zien omdat ik op het RIBW woon. Ja, dat weten ze natuurlijk wel, daar draai ik namelijk nooit om heen. Misschien naïef van mij, maar hierdoor ging ik ervan uit dat patiëntenrechten alleen thuishoorden in een kliniek. Ik had niet het idee dat het ook mijn persoon aanging!
Totdat er twee weken geleden iets heel vervelends gebeurde. Nadat ik 's avonds was wezen zwemmen liep ik terug naar huis door het park. Achteraf had ik dat nooit moeten doen. Ik liep er namelijk vier opgeschoten knapen van een jaar of achttien tegen het lijf. Voordat ik besefte wat er gebeurde hadden ze mij tegen de grond gewerkt en mijn tas gestolen. Daarna renden ze hard weg. In mijn schrik en paniek schreeuwde ik om hulp. Het mocht niet baten, er was op dat moment niemand in de buurt.
Buiten een schaafwond op mijn knie en op mijn hand mankeerde ik lichamelijk gelukkig niets. Ik was mijn tas met zwemkleding en mijn portemonnee met vijftien euro kwijt. Mijn pasje had ik gelukkig thuisgelaten. Ik was natuurlijk verschrikkelijk geschrokken, en rende huilend naar huis.
Gelukkig werkte Robbert, mijn persoonlijk begeleider. Hij ving me echt fantastisch op, en raadde mij aan de volgende ochtend aangifte bij de politie te doen. De volgende ochtend besloot ik dit ook te doen. Naast mijn schrik, voelde ik namelijk ook een ontzettende boosheid. Op het politiebureau werd ik heel vriendelijk en voorkomend te woord gestaan. Nadat ik had verteld dat ik op het RIBW woonde, veranderde de toon van de politieman plotseling. Hij zei dat het hem speet, maar dat hij mijn aangifte alleen in het bijzijn van een begeleider kon doen. Een oude afspraak met het psychiatrisch ziekenhuis in de stad. Hij wilde mij graag serieus nemen, maar vertelde mij hiervoor de bevestiging van een begeleider nodig te hebben. Hij kon namelijk niet inschatten of mijn verhaal uit mijn ziekte voortkwam.
Ik stond perplex. Ik was niet alleen beroofd, maar werd ook nog gediscrimineerd, omdat ik op een RIBW woonde. Ik kon niet geloven dat er zo'n afspraak met het ziekenhuis bestond. Toen ik hem dit vertelde, zei hij dat hij zich kon voorstellen dat ik het vervelend vond, maar dat hij zich toch aan deze afspraak wilde houden. Ten einde raad vroeg ik de politieman om dan maar met het RIBW te bellen. Na zijn telefoontje nam hij mijn aangifte in behandeling. De begeleiding op het RIBW was zeer verbolgen over de gang van zaken, en zij wisten ook niets over een soortgelijke afspraak. Bij navraag in het ziekenhuis bleek er ook niet zo'n afspraak te bestaan. Hooguit kon een begeleider een cliënt ondersteunen die erg in de war was.
Ik was zo verontwaardigd dat ik na een gesprek met de pvp direct in de pen klom. Ik sta nog steeds versteld van mijn daadkracht. Ik schreef een boze, maar correcte brief naar het hoofd van politie, waarin ik min of meer een gesprek eiste om deze kwestie uit te praten en op te lossen. Ik schreef hem dat ik vond dat mijn privacy was aangetast; de begeleiding had namelijk niets te maken met mijn aangifte. Ook schreef ik hem dat de politieman zich niet had gehouden aan de wet op de gelijke behandeling. Ook mensen met een psychische ziekte moeten zonder drempels serieus worden genomen. Als laatste schreef ik hem dat het ik het kwalijk vind dat een politieagent werkt met beweringen die onjuist zijn. De politie is er toch juist voor onze rechtsorde?
Binnen een week ontving ik een brief van de politie. Zij boden hun excuses aan voor de gang van zaken; ze vonden het erg vervelend voor mij. Straks heb ik een gesprek met hun hoofd en de desbetreffende agent. Ik denk dat het een goed gesprek wordt.

JWvD


Signalen en uitspraken van klachtencommissies

Twee belangrijke taken van een pvp zijn het ondersteunen van cliënten bij het indienen van een klacht bij de klachtencommissie en het aan de orde stellen van tekortkomingen in een instelling. In deze rubriek vindt u gevallen uit de praktijk die hebben geleid tot een signaal, geschreven door de pvp, of tot een uitspraak van de klachtencommissie.

Bevoegdheden pvp

“Het komt herhaaldelijk voor dat medewerkers, omdat ze niet op de hoogte zijn van de inhoud van mijn functie, mij bij mijn taakuitoefening geen antwoord durven geven op concrete vragen,” schreef een pvp onlangs aan de leidinggevende van een instelling. De bevoegdheden van een pvp zijn vastgelegd in de taakomschrijving en de gedragsregels van de Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon. De instelling moet zorgen dat de medewerkers hiervan op de hoogte zijn. Het komt nog steeds voor dat dit niet goed gebeurt. Uit het signaal van de pvp: “Ik vroeg op een afdeling om inzage in een dossier, daarvoor had ik natuurlijk schriftelijke toestemming van mijn cliënt. Het werd me geweigerd met een verwijzing naar de geheimhoudingsplicht van hulpverleners. Het zou toch voor iedereen duidelijk moeten zijn dat ik als pvp inzage heb als ik daarvoor toestemming heb van mijn cliënt. Ook toen ik in de separeercel een patiënt wilde bezoeken die om mijn bijstand had gevraagd, kon dat in eerste instantie niet, terwijl een pvp wel degelijk gesepareerde patiënten mag bezoeken.’

Na een gesprek met de leidinggevende zijn de medewerkers inmiddels geïnformeerd over de taak en de functie van een pvp. Er is een contactpersoon met wie de pvp meteen contact kan opnemen als dit soort problemen zich nog eens voordoen. Een bijeenkomst met het verpleegkundig team en de pvp heeft er zelfs toe geleid dat patiënten door medewerkers op de aanwezigheid van de pvp worden gewezen als er problemen zijn. De pvp is zeer tevreden over de resultaten van zijn signaal.

Taxivervoer

Een afdeling waar oudere mensen langdurig verblijven, verhuist van de grote stad naar een kleinere gemeente. Bijna iedereen is afkomstig uit de stad en de meeste mensen hebben daar hun contacten. Ook de mogelijkheden voor ontspanning zijn er groter. Gezien hun problematiek en leeftijd, kunnen veel bewoners geen gebruik maken van het openbaar vervoer. De gemeente waar de locatie nu is gehuisvest, vergoedt vrijwel geen taxikosten buiten de gemeentegrenzen. Bewoners kunnen voortaan alleen nog naar de stad, als ze veel geld besteden aan taxivervoer.

Naar aanleiding van een klacht hierover neemt de pvp contact op met het maatschappelijk werk. Waarschijnlijk zijn meerdere mensen door de verhuizing in de problemen gekomen. Na overleg met de Cliëntenraad schrijft de pvp een signaal aan de directeur waarin hij de problemen beschrijft. Hij constateert: “De verhuizing legt beperkingen op aan de mogelijkheden van ontspanning en recreatie die voor deze groep oudere, zorgafhankelijke mensen een wezenlijk onderdeel uitmaken van de kwaliteit van hun leven. Vanuit het oogpunt van kwaliteit van zorg is dat ongewenst.” De pvp vraagt de directeur dan ook de bewoners te compenseren voor de gevolgen van de verhuizing.

De instelling onderkent het probleem en laat weten dat men zal proberen om in de begroting extra geld vrij te maken. De pvp is hier blij mee maar maakt zich ook zorgen. “De kans is natuurlijk groot dat er door de activiteitenbegeleiders van de afdeling minder uitjes worden georganiseerd als de instelling de kosten moet dragen.”

De locatie-directeur geeft aan dat er extra geld is vrijgemaakt. “Na jarenlang zoeken hebben we, in overleg met de Cliëntenraad, gekozen voor deze locatie. Beide gemeenten vinden dat zij niet verantwoordelijk zijn voor vervoer buiten de gemeentegrenzen, maar wij vinden dat onze patiënten daar niet de dupe van mogen worden." En over een vermindering van het aantal uitjes hoeft de pvp zich geen zorgen te maken.

Te druk

Psychiaters hebben het vaak druk. Soms zodanig dat ze afspraken niet goed nakomen. Na klachten hierover van een aantal patiënten schreef de pvp de psychiater een signaal waarin zij stelde dat "het hebben van veel werkzaamheden er niet toe mag leiden dat u afspraken niet nakomt. Wanneer een afspraak onverhoopt niet door kan gaan, moeten cliënten erop kunnen rekenen dat zij daarover tijdig bericht krijgen en dat er een nieuwe afspraak gepland wordt." De pvp verzoekt de psychiater dan ook om afspraken met patiënten voortaan na te komen.

De psychiater is het eens met de pvp, maar volgens haar gaat het toch vooral om een aantal incidenten. “Die brief vond ik eigenlijk een beetje mosterd na de maaltijd. Ik had de kwestie immers al mondeling besproken met de pvp. Ik zie in de brief staan dat ook de Cliëntenraad en de Raad van Bestuur een kopie hebben gekregen. Die zijn nu dus ook op de hoogte. Overigens was ik al bezig met het afbouwen van een aantal taken want ja, ik had het inderdaad erg druk.”

De pvp vond het signaal nodig omdat ook na het gesprek nog patiënten over de psychiater hadden geklaagd. “Cliënten vinden haar nog steeds moeilijk bereikbaar.”

Bed Op Recept

Met zijn behandelaar heeft een cliënt de afspraak dat hij zich kan melden bij de afdeling wanneer het slecht met hem gaat. Hij kan dan gebruik maken van de Bed-Op-Recept-regeling, oftewel BOR-regeling. Dat houdt in dat hij voor een periode van maximaal drie dagen opgenomen kan worden.

Onder invloed van alcohol meldt de cliënt zich op een avond bij de verpleging van de afdeling. Nadat hij enkele uren heeft gewacht op een gesprek met de dienstdoende arts, kan hij pas opgenomen worden. Om 24.00 uur kan de cliënt op zijn kamer terecht. Na drie nachten moet hij weer naar huis. Voor zijn vertrek wil hij graag een arts spreken. Een verpleegkundige vertelt hem dat zij hierover met de arts contact op zal nemen. Na een aantal uren krijgt de cliënt te horen dat is besloten dat hij naar huis mag zonder een arts te spreken. Hierop verzoekt hij nogmaals de arts te spreken te krijgen. Dat blijkt onmogelijk.

De cliënt dient vervolgens bij de klachtencommissie twee klachten in: de eerste gaat over de lange tijd dat hij moest wachten op de arts voordat hij opgenomen kon worden. De andere klacht gaat erover dat hij geen arts te spreken kreeg voordat hij met ontslag ging.

De eerste klacht verklaart de commissie ongegrond. Een lange wachttijd valt niet te voorkomen bij een zo kort van tevoren aangekondigd verzoek tot opname. Wel moet er een goede wachtruimte zijn. Ook vindt zij dat gelet moet worden op de duur van de wachttijd.

De klacht over het niet voeren van een ontslaggesprek oordeelt de commissie gegrond. In de BOR-regeling staat dat er zowel een opname- als ontslaggesprek met een arts behoort plaats te vinden. De commissie constateert dat dit niet altijd gebeurt. De arts voert namelijk geen ontslaggesprek, wanneer het behandelteam van mening is dat er geen bijzonderheden hebben plaats gevonden tijdens de BOR-opname. De commissie constateert verder dat cliënt bij opname onvoldoende is geïnformeerd over de ontslagprocedure.

Een aantal maanden later meldt de cliënt zich op een avond opnieuw bij de afdeling. Hij wordt goed opgevangen en krijgt gelijk een kamer toegewezen. Na een aantal uren komt de arts. Die weigert opname, omdat cliënt onder invloed van alcohol is. Cliënt bestrijdt dat. Hij heeft niet gedronken. Wel heeft hij net zijn slaapmedicatie ingenomen. Toch moet hij naar huis. Hij klaagt bij de commissie over het niet gebruik kunnen maken van de BOR-regeling.

Cliënt blijkt een BOR-contract te hebben ondertekend. Daarin is de regel opgenomen dat hij niet op de afdeling terecht kan, wanneer hij onder invloed van alcohol is. De commissie meent dat de regel goed is toegepast en verklaart de klacht ongegrond.

Over de uitvoering van de regel is de commissie minder te spreken. Twee maanden geleden kon cliënt onder invloed van alcohol namelijk wel opgenomen worden en nu niet. Dat schept verwarring. Daarbij kreeg de cliënt ook nog gelijk bij binnenkomst een kamer toegewezen, waardoor hij dacht dat hij kon blijven. Vanwege het onduidelijk omgaan met de regel en de verwarring die hierdoor bij de cliënt is ontstaan, besluit de commissie de klacht op dit punt gegrond te verklaren.

Wens tot overplaatsing

Een cliënt wil overplaatsing. Op zijn afdeling voelt hij zich al langer dan twee jaar ongelukkig en onveilig. Het liefst wil hij verhuizen naar de afdeling waar twee vrienden van hem zijn opgenomen. Grote delen van de dag is hij daar al. Ook overnacht hij er regelmatig.

De behandelaar voelt daar niet veel voor. De cliënt is al op meerdere afdelingen in behandeling geweest, maar nergens ging het echt goed met hem, nergens zou hij zich echt veilig voelen. “Waar hij ook is opgenomen, steeds komt er een verzoek tot overplaatsing,” aldus de behandelaar. Hij wil niet meer meegaan in de steeds wisselende woonwensen. Daarbij gaat hij ervan uit dat de afdeling waar de cliënt nu verblijft, het beste in staat is om de gewenste veiligheid te bieden. Onzin, vindt de cliënt en hij besluit bij de klachtencommissie bezwaar te maken tegen het feit dat hij niet kan worden overgeplaatst.

De cliënt is vrijwillig opgenomen. Dat betekent dat de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo) van toepassing is. Deze wet bepaalt dat er tussen hulpverlener en hulpvrager een behandelovereenkomst behoort te zijn. In die overeenkomst is het behandelaanbod vastgelegd. Als het goed is, heeft de hulpvrager zich akkoord verklaard, nadat de hulpverlener hem over dat aanbod uitgebreid heeft geïnformeerd. Als de hulpvrager het aanbod niet accepteert, mag van de hulpverlener verwacht worden dat hij een alternatief hulpaanbod doet.

De commissie vindt de argumenten van de behandelaar om de cliënt niet over te plaatsen begrijpelijk en redelijk, maar het is haar ook duidelijk dat de cliënt zich daar niet in kan vinden. De klachtencommissie: “Dit betekent dat van de hulpverleners verwacht mag worden dat zij met klager in gesprek gaan om te komen tot een alternatief hulpaanbod. Dat het vinden van een alternatief in de gegeven situatie geen gemakkelijke zaak zal zijn, moge duidelijk wezen. Op grond van de wettelijke regels wordt echter wel van hulpverleners verwacht dat zij proberen een second-best behandelaanbod aan klager te doen.” De commissie verklaart de klacht gegrond voor zover aan de cliënt geen reëel alternatief behandelaanbod is gedaan.

RH/AdM


Rechtspraak

De PVP-krant zet ieder nummer interessante rechtspraak in de psychiatrie op een rij. Diverse uitspraken over bijvoorbeeld rechterlijke machtigingen en waarom ze wel of niet verleend worden.

Verder deze keer: de eis tot schadevergoeding aan een ziekenhuis, nadat een depressieve vrouw vanwege te soepel beleid de kans kreeg zelfmoord te plegen. En de gebrekkige hulpverlening van een psychiater aan een cliënt.

Betrokken bij de behandeling

Voor een reeds in het psychiatrisch ziekenhuis verblijvende patiënt wordt een voorlopige machtiging verzocht, onder overlegging van een geneeskundige verklaring van de waarnemend geneesheer-directeur.

De raadsvrouwe van de patiënt heeft ter zitting verzocht de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren op grond van de verklaring van de geneesheer-directeur. Enkele dagen ervoor heeft deze overleg gepleegd met de behandelend arts over een bij de patiënt toe te passen dwangbehandeling en dus, zo stelt de raadsvrouwe, is de directeur bij de behandeling betrokken geweest. Het psychiatrisch onderzoek ten behoeve van de geneeskundige verklaring was eveneens door hem verricht.

De rechtbank is met de advocaat van oordeel dat de waarnemend geneesheer-directeur inderdaad bij de behandeling betrokken is geweest en verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn verzoek. (Rb Amsterdam, 30-5-2002, BJ 2002, 36)

Opmerking van de juristen Stichting PVP:

Voorheen vereiste de Wet Bopz zonder nadere voorwaarden een geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur in het geval de patiënt reeds vrijwillig in het ziekenhuis verbleef.

Bij een wetswijziging in 2000 (Wet van 22 juni 2000, Stb. 292) is een onderscheid geïntroduceerd tussen de geneesheer-directeur die niet of wel bij de behandeling van de patiënt betrokken is geweest. In het eerste geval mag hij zelf de patiënt onderzoeken of het onderzoek uitbesteden aan een onafhankelijk psychiater; in het tweede geval moet het onderzoek door een onafhankelijke psychiater worden verricht. In beide gevallen blijft de verantwoordelijkheid voor de geneeskundige verklaring bij de geneesheer-directeur berusten.

SOV afdoende

De officier van justitie dient een machtigingsverzoek in voor een persoon die een week eerder is veroordeeld tot de maatregel Strafrechtelijke Opvang Verslaafden (SOV). Betrokkene verblijft vanwege die SOV in een penitentiaire inrichting. De verzochte machtiging zou zijn bedoeld als 'tweede paraplu' naast de SOV-maatregel.

De rechtbank overweegt dat onvoldoende duidelijk is in hoeverre naast de SOV een machtiging als bedoeld in de Wet Bopz noodzakelijk is om het gevaar van zelfverwaarlozing bij betrokkene af te wenden. Nadat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld opheldering te verschaffen, deelt deze na enige maanden mee dat gebleken is dat betrokkene in staat is het SOV-programma te volgen. Er zijn dus onvoldoende redenen om het verzoek te handhaven. De rechtbank oordeelt dat er een afdoende alternatief is en het gevaar buiten het ziekenhuis kan worden afgewend. (Rb. Amsterdam, 15-8-2002, BJ 2002, 48)

Opmerking van de juristen Stichting PVP:

'De Strafrechtelijke Opvang Verslaafden is vanaf 1 april 2001 van kracht. De maatregel heeft een duur van twee jaar en is bedoeld voor harddrugsgebruikers die geregeld door het plegen van delicten voor veel overlast zorgen en waarbij eerdere interventies niet tot gewenste resultaten hebben geleid. De SOV-maatregel is voorlopig ingesteld als zesjarig experiment en is momenteel uitsluitend bedoeld voor mannen vanaf 18 jaar. In 2007 besluit de Tweede kamer na een effectevaluatie over voortzetting en/of uitbreiding van de maatregel.

Voldoende realiteitsbesef

Voor een vrouw die lijdt aan een borderlinestoornis en al jaren lang een einde aan haar leven wil maken, wordt een machtiging tot voortgezet verblijf verzocht. De vrouw beroept zich op haar zelfbeschikkingsrecht.

De vrouw had zich eerder omwille van haar ouders vrijwillig laten opnemen. Dit was een laatste poging om suïcide te voorkomen. Nadat zij vijf maanden later had besloten om die opname te beëindigen werd zij in bewaring gesteld. Vervolgens werd een voorlopige machtiging voor twee maanden verleend.

De rechtbank overweegt dat in beginsel het zelfbeschikkingsrecht uitgaat boven de bevoegdheid van de gemeenschap om in te grijpen in de autonomie van een persoon. Dit uitgangspunt geldt ook voor mensen met een geestes- of persoonlijkheidsstoornis die een einde aan hun leven willen maken. Het zelfbeschikkingsrecht kan slechts worden ontzegd als iemand niet of onvoldoende in staat wordt geacht dit recht uit te oefenen. Daarvan is sprake als de psychische stoornis zo ernstig is dat deze het denken en handelen van die persoon grotendeels bepaalt en van invloed is op het vermogen zijn wil te bepalen. Ook moet meegewogen worden of er nog sprake is van een behandelingsperspectief voor desbetreffende persoon.

Volgens de rechtbank heeft de vrouw inzicht in haar borderlinestoornis en beschikt zij over voldoende realiteitsbesef. Haar doodswens wordt niet bepaald door haar stoornis. Het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis heeft ook niet het gehoopte positieve effect gehad. Tijdens de behandeling van het verzoek is de rechtbank gebleken dat er geen of nauwelijks kans is op een succesvolle behandeling. Het verlenen van de voortgezette machtiging zonder een realistisch behandelingsperspectief zou neerkomen op een langdurige vrijheidsbeneming om te voorkomen dat de vrouw een einde aan haar leven maakt.

De rechtbank concludeert dat verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis geen recht doet aan het zelfbeschikkingrecht van de vrouw.

Het verzoek wordt dan ook afgewezen. (Rb. Middelburg 25-4-2002, BJ 2002, 55, met noot van J. Legemaate)

Vermoeiende zoon

Bij de rechtbank in Zutphen wordt een verzoek ingediend ter verkrijging van een voorlopige machtiging voor een 44-jarige man, die thuis bij zijn 81-jarige moeder woont.

De psychiater heeft de geneeskundige verklaring afgegeven op basis van gegevens van de moeder, zonder de man te onderzoeken. Uit de verklaring blijkt dat op het moment dat de psychiater de man op zijn huisadres wilde onderzoeken deze vertelde weg te moeten naar een afspraak.

De rechtbank overweegt dat er geen zwaarwegend beletsel was om de man op een later tijdstip te onderzoeken terwijl evenmin blijkt dat de man categorisch heeft geweigerd om mee te werken aan het onderzoek van de psychiater. Het onderzoek wordt onvoldoende geacht om als basis te dienen voor de gevraagde machtiging. Bovendien hebben de feiten en omstandigheden tijdens het onderzoek ter zitting de rechtbank niet kunnen overtuigen dat een stoornis van de geestvermogens de man gevaar doet veroorzaken en dit niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Voorts merkt de rechtbank op dat het gevaar zoals dat naar voren komt er in bestaat dat het verblijf van de 44-jarige zoon in de woning van de moeder voor haar een te grote belasting vormt. Hoewel het gedrag van de man als buitengewoon vermoeiend dient te worden bestempeld en het aannemelijk lijkt dat de moeder en de zoon niet langer in dezelfde woning kunnen verblijven is een rechterlijke machtiging om dit te bewerkstelligen niet het juiste middel. Het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging wordt afgewezen. (Rb. Zutphen, 6-8-2002, BJ 2002, 59)

Ziekenhuis aansprakelijk voor suïcide

De rechtbank Breda oordeelt over een vordering tot schadevergoeding wegens de suïcide van een vrijwillig opgenomen patiënte. Op de vrouw, die depressief en suïcidaal was na de bevalling van haar eerste kind enkele weken daarvoor, werd een zogenaamd 'rode stip'-beleid toegepast. Dit hield in dat zij de afdeling niet zonder begeleiding mocht verlaten.

Tijdens de bewegingstherapie vroeg en kreeg zij toestemming om naar het buiten de sportzaal gelegen toilet te gaan. In plaats daarvan verliet zij echter het gebouw, waarna zij van een flatgebouw sprong en aan de gevolgen daarvan overleed. De ouders van de vrouw, die inmiddels zijn benoemd tot voogd over haar zoontje, eisen namens het kind schadevergoeding omdat zijn moeder nu niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien.

De rechtbank wijst de vordering toe omdat het 'rode stip'-beleid niet goed was uitgewerkt en in de praktijk soepeler werd gehanteerd dan de bedoeling was. De vrouw had zonder begeleiding de sportzaal niet mogen verlaten. Het ziekenhuis heeft hiermee een veiligheidsnorm overtreden, aldus de rechtbank, zodat schadevergoeding kan worden toegewezen zonder dat de ouders behoeven te bewijzen dat de suïcide door toedoen of nalaten van het ziekenhuis heeft plaatsgevonden. Het oorzakelijk verband tussen het overtreden van de veiligheidsnorm en de suïcide wordt aangenomen zolang het ziekenhuis niet kan bewijzen dat de suïcide anders ook zou hebben plaatsgevonden. (Rb Breda 20-08-2002, BJ 2002, 49)

Opmerking van de juristen Stichting PVP:

'Al langere tijd tekent zich een tendens af dat ziekenhuizen sneller aansprakelijk worden gesteld voor onvoldoende toezicht dan voorheen het geval was. Hoewel op zichzelf kan worden toegejuicht dat de bewijslast van de patiënt is verlicht, kan men zich toch afvragen of deze tendens uiteindelijk de rechtspositie van de patiënt ten goede komt. Zo valt te vrezen dat ziekenhuizen terughoudender zullen omgaan met het verlenen van vrijheden en het aanbieden van activiteiten buiten de afdeling. In dit geval is bovendien opmerkelijk dat de patiënte vrijwillig was opgenomen. Het was het ziekenhuis in beginsel dus helemaal niet toegestaan om de vrijheden van de vrouw te beperken zonder haar toestemming.'

Nalatigheid psychiater

Bij het Centraal Tuchtcollege wordt een klacht ingediend tegen een psychiater over de behandeling van de zuster van de klager, die eerst haar bewindvoerder was en daarna haar curator. Klager maakt zich zorgen over zijn zuster en de gebrekkige hulpverlening aan haar. Hij verwijt de psychiater als eindverantwoordelijk behandelaar onvoldoende te hebben ondernomen om een behandelrelatie met zijn zuster te realiseren. Ook zou de psychiater toezeggingen hebben gedaan over een dwangopname voor zijn zuster, maar vervolgens geen actie hebben ondernomen. Bovendien zou de psychiater hebben nagelaten om hem te informeren over het gebrek aan vooruitgang in de behandeling.

Het tuchtcollege stelt dat het gezien het zorgmijdende gedrag van de patiënte twijfelachtig is of er een behandelingsrelatie tussen de patiënte en de betreffende Riagg tot stand is gekomen. Maar dat met ingang van de benoeming van de broer tot curator verplichtingen zijn ontstaan ten opzichte van de patiënte, al naar gelang de hulpvraag van de curator. Opgemerkt wordt wel dat de hulpverlener een zelfstandige afweging hoort te maken en niet zonder meer een verzoek van de curator hoeft in te willigen. Het college is van oordeel dat de psychiater zijn verantwoordelijkheid om zelf na te gaan in welke toestand de patiënt verkeerde niet voldoende heeft waargemaakt. De psychiater had als eindverantwoordelijke de medische diagnose van de patiënte beter moeten uitwerken, zorg moeten dragen voor een uitgebreidere verslaglegging van de behandeling, het gevoerde beleid zorgvuldiger moeten controleren en zo nodig bijstellen. Ook had de psychiater het gevoerde beleid ten aanzien van de patiënte beter met de curator behoren te bespreken.

Toen duidelijk werd dat er geen vooruitgang zat in de behandeling, had de psychiater niet mogen afgaan op verhalen van een verpleegkundige, maar als eindverantwoordelijke zelf poolshoogte moeten nemen. Het college verwijt de psychiater ook dat hij actie voor een rechterlijke machtiging steeds heeft uitgesteld, zonder zelf de patiënte te zien.

Het college verklaart de klacht gegrond en legt de psychiater de maatregel van een waarschuwing op. (Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, 26 maart 2002, BJ 2002, 42)

GK


Uit de praktijk van een pvp

‘Dag mevrouw’

“Die vrouw krijgt nooit bezoek, dat kan toch niet?” De portier knikt instemmend, maar maakt geen aanstalten om er iets aan te doen. Zijn gezicht klaart op als hij mij aan ziet komen. Mevrouw Van Dalen moet maar eens met de pvp gaan praten, zegt hij.

Dat vindt mevrouw ook en ze begint te ratelen over haar kamergenote die de hele dag maar in een stoel zit en nooit iets wil zeggen en over het personeel dat die mevrouw maar gewoon in die stoel laat zitten. Zo’n gesprek, vind ik, moeten we maar niet staande bij de receptie voeren. We vinden een lege eetkamer waar mevrouw Van Dalen verder gaat: “Die vrouw heeft helemaal niemand, ze krijgt nooit bezoek en vaak zorg ik een beetje voor haar want het personeel heeft het altijd druk. Maar ja, ik heb ook mijn eigen sores en ik heb last van reumatiek in mijn handen en mijn knieën, kijkt u maar.”

Ik bevestig dat de gewrichten van mevrouw er gezwollen uitzien. “Het is erg pijnlijk, vooral ‘s ochtends als ik opsta. Ik haal dan eerst een kopje thee voor die vrouw want anders moet ze wachten tot het ontbijt en dat is pas om negen uur. Maar wat ik wil zeggen, er komt nooit iemand bij haar en dan zit ze maar in haar stoel te huilen, dat kan toch niet zomaar? Kunt u daar iets aan doen?”

Ik sta niet te trappelen om hiermee aan de slag te gaan, dat geef ik eerlijk toe, maar mevrouw Van Dalen is erg vasthoudend. Even later word ik voorgesteld aan een mevrouw die in een stoel voor zich uit zit te staren. Ze reageert niet op haar naam en ook niet op mijn uitgestoken hand. Eigenlijk reageert ze helemaal nergens op en daar gaat het nou net om, volgens mevrouw Van Dalen. “Ze kan niet voor zichzelf opkomen en ze heeft helemaal geen familie meer, de stakker.”

Ik raak nu toch geïnteresseerd, want als de kamergenote van mevrouw Van Dalen haar belangen inderdaad niet kan behartigen en als zij geen familie meer heeft, dan moet er gezocht worden naar iemand die dat namens haar zou kunnen doen. Ik leg mevrouw Van Dalen uit dat ik eerst nog eens moet proberen om met haar kamergenote te praten. Het kost wat overredingskracht maar mevrouw Van Dalen gaat akkoord en laat mij alleen bij de mevrouw die nog steeds in haar stoel voor zich uit zit te kijken.

Praten heeft geen effect, mevrouw reageert niet. Ik schrijf “dag mevrouw” in grote letters op mijn schrijfblok maar ook dat maakt geen zichtbare indruk. Na tien minuten en nog wat pogingen om met haar in contact te komen, geef ik het op. Het is niet gebruikelijk dat een pvp in actie komt zonder toestemming van de patiënt maar dit lijkt me toch een uitzondering en ik besluit om op eigen gezag actie te ondernemen. Bovendien: hoe kan ik mevrouw Van Dalen anders nog onder ogen komen?

Het hoofd van de afdeling geeft me een kop thee en zegt dat hij blij is dat ik er over begin. Hij zit ook een beetje in zijn maag met de kwestie. Mevrouw Beel, want zo heet zij, kan inderdaad niet voor zichzelf opkomen en heeft ook geen familie of kennissen meer. Mevrouw is erg oud en iedereen is overleden, zo gaat dat in het leven. Eten en drinken is geen probleem en ook de medicatie die de arts haar voorschrijft, slikt ze door als het in haar mond wordt gestopt. Dat laatste vind ik interessant. Hoe weet de arts dat mevrouw die medicatie in wil nemen? Pijnlijke vraag, vindt het afdelingshoofd. Het is inderdaad niet helemaal zoals het hoort, maar ja, wat moeten ze dan? Zonder medicatie wordt mevrouw erg angstig en verdrietig en dat willen ze haar niet aandoen, maar hij is het met me eens dat het eigenlijk niet kan. “Mevrouw zou een mentor moeten hebben en daar hebben we ook naar gezocht, maar er is niemand meer in leven die haar nog kent. En aan wie moeten we het dan vragen? Zou jij het niet kunnen doen, jij bent toch onafhankelijk?” Ik vind dat geen goed idee.

Het heeft nog even geduurd, maar we hebben het kunnen oplossen. In het dossier van mevrouw Beel leest haar arts over haar christelijke achtergrond en dat zij vroeger als vrijwilliger actief was in de kerk. Daar ligt de oplossing. De maatschappelijk werker van de afdeling vindt bij het Leger des Heils iemand die bereid is om mentor te worden van mevrouw Beel. De rechter keurt het goed omdat hij denkt dat de visie van de mentor wel aardig aansluit bij de levensovertuiging van mevrouw Beel, zodat er nu iemand is die voor haar belangen opkomt en meekijkt over de schouders van de hulpverleners. Mevrouw Van Dalen is blij dat haar kamergenote weer bezoek krijgt. Wat mevrouw Beel er zelf van vindt? Geen idee.

RH