pvp
Home Organisatie Cijfers Contact Medewerkers

Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg

 

13e jaargang nummer 2 zomer 2003

Inhoudsopgave jaarkrant


Voorwoord

Geachte lezer,

Een kritische houding, die hebben wij zeker. En dat steken wij niet onder stoelen of banken. Waar de rechtspositie van de cliënt in het geding is weet die cliënt dat hij (of zij) op de onvoorwaardelijke steun van een pvp kan rekenen. Doordat de pvp met de cliënt het gesprek aangaat met diens behandelaar. De zaak bepleit bij de klachtencommissie. Of samen met de cliëntenraad het signaal afgeeft dat iets zo echt niet langer kan.

Cliënten weten de steun van hun pvp te waarderen. In 2002 deden meer dan tienduizend cliënten een beroep op de diensten van een locale pvp. Ook de Helpdesk PVP was afgelopen jaar met ruim 2700 telefoontjes een groot succes. Mede daardoor steeg het totaal aan geregistreerde vragen en klachten fors; van ruim 16.000 naar 20.000. 

Wie kritisch is, moet ook kritisch naar zichzelf durven kijken. Daarom durfden we buiten­staanders te vragen; is de Stichting PVP zo langzamerhand niet overbodig? Eerlijkheids­halve meld ik u wel dat de antwoorden die we zo her en der ontvingen ons geruststelden. Want ook al worden cliënten steeds mondiger, het lijkt er op dat in deze tijd van  vraaggerichte zorg, de behoefte aan de steun van een pvp misschien alleen maar groter wordt.

Kwaliteit, is dit jaar het thema van de jaarkrant. Kwaliteit van leven en kwaliteit van zorg.

Om de kwaliteit van ons eigen werk nog verder te verbeteren zijn we begonnen met het opleiden van nieuwe pvp’en, iets wat duidelijk aanslaat bij nieuwe sollicitanten. En hopelijk ook bij de cliënten. Wie zij zijn en met wat voor vragen en klachten ze afgelopen jaar de Stichting PVP benaderden, daarover vindt u alles in de jaarcijfers achter in de krant (en elders op onze website).

Gijsbert Heres Hoogerkamp
directeur


Geen bezoek op de kamer!

Behoefte aan intimiteit en seksualiteit moeilijk bespreekbaar

Het lijkt of er tegenwoordig geen taboe meer rust op intimiteit en seksualiteit. Ziekenhuizen stellen steeds vaker regels op over wel of juist niet tolereren van seksualiteit. Maar het grootste probleem blijft toch dat niet alleen cliënten, maar ook hulpverleners het moeilijk vinden om  met hen gesprekken te voeren over de behoefte aan intimiteit en seksualiteit.

Uit een onlangs gepresenteerd onderzoek blijkt dat het overgrote deel van de cliënten in de ggz ervaring heeft met seksueel misbruik. Hulpverleners zijn daar echter nog altijd onvoldoende alert op. De vragen en klachten die pvp'en op seksueel gebied krijgen, gaan dan ook vooral over  ongewenste intimiteiten en onveiligheid.

Het aantal vragen en klachten dat cliënten jaarlijks aan hun pvp voorleggen over gewenste seksualiteit, is gering. Toen we de pvp’en vroegen naar hoe het in hun ziekenhuis is gesteld met de mogelijkheden voor cliënten om vorm te geven aan hun behoefte aan intimiteit en seksualiteit, kwamen er toch veel reacties los. Die geven aan dat het nog steeds een beladen onderwerp betreft. Een pvp schetste haar gevoel als volgt: “Toen ik de huisregels van het ziekenhuis las, bekroop me direct weer het benauwde gevoel dat ik tijdens mijn studie had. Mijn hospita zei toen dat ik op mijn kamer geen bezoek mocht ontvangen. En in de huisregels stond het weer: ‘Geen bezoek op de kamer.”  Veel pvp’en melden richtlijnen en regels voor het omgaan met ongewenste intimiteiten. Er zijn ook regels over welke gewenste contacten een cliënt wel of niet mag onderhouden tijdens de opname.

Huisregels

In veel huisregels is het verbieden van relaties geen uitzondering, zoals volgende voorbeelden laten zien; ‘Seksuele contacten tussen cliënten onderling worden niet getolereerd’, ‘seksueel contact tussen groepsleden onderling, kan een reden vormen om de therapie vroegtijdig te beëindigen’, en ‘het aangaan van of onderhouden van intieme relaties met medepatiënten gedurende de opname is niet toegestaan.’ Dit heeft in sommige gevallen een neveneffect. Zo vertelden enkele volwassen cliënten hun pvp dat zij ergens tussen de bosjes stiekem vrijen omdat ze bang zijn dat er maatregelen worden genomen als de behandelaar te weten komt dat ze een intieme relatie onderhouden. Een andere pvp schreef een signaal over een PAAZ (psychiatrische afdeling algemeen ziekenhuis - red.) waar cliënten in de huiskamers en de slaapkamers geen bezoek mogen ontvangen. Ze zijn aangewezen op de algemene hal van de instelling of moeten het gebouw verlaten. Slechts bij uitzondering mogen ze, na motivatie, van een gesprekskamer gebruik maken. Een cliënt klaagt dat hij met zijn vrouw erg emotionele gesprekken moet voeren en dat ze er veel moeite mee hebben dat ze die gesprekken in die hal moeten voeren. Zitten huilen tussen onbekende mensen is ook niet alles! Een andere cliënt vertelt dat zijn vrouw veel andere bezoekers kent vanuit haar werk en dat ze daarom bijna niet ongestoord kunnen praten. Een derde cliënt heeft al geruime tijd niet met zijn vrouw kunnen knuffelen.

Indirecte signalen

Sommige pvp’en bespreken met hun cliënten zaken als het gebrek aan privacy, impotentie ten gevolge van medicijnen, eenzaamheid, afstandelijkheid van de hulpverlener en het verbod op het aangaan van een relatie met een medecliënt. Andere pvp’en geven aan dat deze onderwerpen meer indirect aan de orde komen. Zo klagen cliënten over het ontbreken van een afgesloten ruimte om te telefoneren, het delen van de kamer met een medecliënt, het ontbreken van een ruimte op een afdeling waar men zich met een partner kan terugtrekken, het geen hulp kunnen krijgen bij het vinden van een partner of vriend en dat iedereen door een raampje in de slaapkamerdeur kan kijken.

Soms zeggen cliënten niet dat hun klacht te maken heeft met intimiteit of seksualiteit. Zo was er een cliënt die wilde stoppen met de medicijnen die de dokter hem had voorgeschreven. Hij had last van een droge mond, voelde zich een ‘zombie’ en kon niet goed nadenken. Tijdens een gesprek met de cliënt en zijn arts mompelde de cliënt dat hij het vervelend vond dat hij impotent geworden was. Toen de arts hierop reageerde bleek dit zijn belangrijkste bezwaar te zijn tegen de medicatie. Andere artsen anticiperen actief op de behoefte van de cliënt. Een arts in een kliniek waar veel cliënten worden behandeld met antipsychotica, informeert  de cliënten over alle veelvoorkomende bijwerkingen. Soms kan de arts de cliënten de keus geven tussen een medicijn waarvan men dikker kan worden of een medicijn waarbij de potentie afneemt. Natuurlijk voor veel cliënten een moeilijke keus.

Moeilijk bespreekbaar

Mo, cliënte begeleid wonen: “Seks is voor mij een ver van mijn bed show. Dat is echt alleen iets voor op Pasen en Pinksteren. Door de medicijnen zijn alle gevoelens afgezwakt, en zeker de seks. En bovendien ben ik door de medicijnen erg dik en onaantrekkelijk geworden. Ik voel  zo’n krop in mijn keel. Door mijn ziektebeeld voel ik me ook nog onzeker. Ik durf niet goed mensen op mijn kamer te ontvangen omdat het er zo’n rotzooi is. Ik heb er eigenlijk nog nooit met mijn begeleider over gesproken. Ik heb hem wel gezegd dat ik mijn kamer net een isoleercel vind. Maar daar ging hij verder niet op in. Ik ben een keer psychotisch geweest. Toen waren alle remmen los. En daar maakten anderen misbruik van. Dat heeft toen ook veel bij mij kapot gemaakt.”

Voor hulpverleners kan het moeilijk zijn om over de behoefte aan intimiteit van cliënten te praten. De signalen die cliënten hierover geven, worden niet opgepikt. Toch heeft tweederde van de cliënten problemen of vragen die te maken hebben met intimiteit en seksualiteit en vindt eenderde van de cliënten het een belangrijk onderdeel van hun hulpvraag. Meer dan de helft van de hulpverleners geeft aan dat er in hun opleiding nauwelijks aandacht was voor het voeren van gesprekken over intimiteit en seksualiteit. Veel hulpverleners zeggen zich niet prettig te voelen bij het bespreken van deze onderwerpen. Zij durven soms niet goed door te vragen, ze ervaren emotionele belemmeringen, of merken dat ze niet goed aansluiten bij het taalgebruik van de cliënt. Soms overheerst de angst om een actieve rol te hebben in het gesprek, en angst om teveel inbreuk te maken op de privacy van de cliënt. Sommige hulpverleners zijn zich ervan bewust dat de onderwerpen intimiteit en seksualiteit niet aan bod komen omdat zij dit niet met de cliënt willen bespreken. Ook binnen veel teams is het nauwelijks een onderwerp van gesprek.

Als veel hulpverleners het moeilijk vinden om de behoefte aan intimiteit en seksualiteit bespreekbaar te maken, schort het dan aan de opleiding van hulpverleners?

Mathilde Bos is als docent verpleegkunde HBO-V en verpleegkundige op een gesloten afdeling, sterk bij dit onderwerp betrokken. In de methode van handelen die verpleegkundigen leren, komt seksualiteit wel aan bod, zegt ze. Wel merkt ze op dat studenten het nog steeds moeilijk vinden om erover te praten. “Door de aandacht die de media aan intimiteit en seksualiteit besteedt lijkt het wel eens of het taboe verdwenen is. Ik merk echter dat collega’s veel te weinig aandacht besteden aan de behoefte aan intimiteit en seksualiteit van hun cliënten. Ik moedig hen dan ook aan om daarvoor open te staan. De beste manier om er over te leren praten is dat veel doen.” Mathilde vindt het belangrijk dat de woordkeus van de hulpverlener aansluit bij die van de cliënt. “Als een verpleegkundige bij de intake praat over de onderwerpen intimiteit en seksualiteit, zet hij de deur open om daar op een later tijdstip op terug te komen. Daarbij moet de hulpverlener natuurlijk oog blijven houden voor de signalen van de cliënt die duiden op juist wel of juist niet willen praten over deze onderwerpen.”

In het Model-huisreglement van GGZ Nederland (1999) staat in bijlage 2 onder het kopje seksualiteit: “In de huisregels kan dit recht niet in het algemeen ontnomen of beperkt worden. Indien de instelling dit nodig vindt kunnen er bepaalde regels opgesteld worden uit het oogpunt van overlast voor medebewoners. Eventuele verdere beperkingen staan alleen in het behandelingsplan. Een goede uitwerking van het onderwerp is een protocol over hoe er binnen de instelling (of afdeling) met seksualiteit en intimiteit wordt omgegaan. Men kan hierin aandacht besteden aan gewenste en ongewenste intimiteit.” 

GGZ Nederland heeft in 2000 een handreiking opgesteld voor ziekenhuizen om hun beleid met betrekking tot gewenste en ongewenste intimiteiten vast te stellen. Het is echter nog de vraag of het reglementeren van behoeftes net zo’n positief effect heeft op de situatie van cliënten, als het bespreekbaar maken van de behoefte aan intimiteit en seksualiteit. Naast een door de directie vastgesteld seksualiteits­beleid, is het minstens net zo belangrijk dat de medewerkers die dagelijks bij de patiënten zijn betrokken, intimiteit en seksualiteit net zo’n gewoon onderwerp gaan vinden om met patiënten te bespreken als de werking van een pijnstiller.

BB/AD


INTERVIEW

Protocol als hulpmiddel

Komt protocollering ten goede aan de kwaliteit van zorg aan cliënten? Daarover sprak redacteur Roeland Hofstee met Goof van Gemert en Rembrandt Zuijderhoudt. Beiden zijn voorstander van protocolleren.  En ook het vastleggen van regels in protocollen vinden ze noodzakelijk. Maar, waarschuwt Zuijderhoudt, protocollen kunnen ook een doel op zich worden en daar is niemand mee gebaat.

“Protocollen zijn een hulpmiddel. Het gaat er om wat de maatschappij vraagt, wat de medewerkers vragen en wat de cliënten vragen. Uitgangspunt is dat je de kwaliteit van de zorg kunt verbeteren als je werkt op basis van de beschikbare kennis, of dat nou wetenschappelijke kennis is of praktijkkennis. Zowel vanuit de professional als vanuit de cliënt gezien zijn protocollen een hulpmiddel”

Goof van Gemert, plaatsvervangend directeur van GGZ Nederland - de branche­organisatie van de instellingen voor de geestelijke gezondheids- en verslavingszorg -  ziet protocollering als een manier om ervaringskennis en wetenschap­pelijke kennis consequenter toe te passen dan nu gebeurt. “Je kunt er veel mee winnen in de praktijk, je moet dat echt proberen.” Een voorbeeld is de dosering van medicatie bij depressie. “We weten dat daar terughoudend mee wordt omgegaan, dat er veel te lage doseringen worden voorgeschreven. Dat is doodzonde want cliënten zien dan niet dat het helpt, terwijl het wel zou kúnnen helpen.” 

Kritiek

Van Gemert beseft dat er kritiek en weerstand is vanuit het werkveld tegen van bovenaf opgelegde protocollering. “Protocollen komen uit de beroepsgroepen, niet alleen vanuit het management. Want dat heeft in principe geen verstand van de inhoud van de zorg.” In de Nederlandse gezondheidszorg is meestal sprake van ‘duaal management’: er zit iemand die verstand heeft van geld en organiseren en iemand die verstand heeft van het vak. “In die zin heeft het management wel enig verstand van de zorg maar in principe is het management altijd voorwaardenscheppend. Dus waar komen die protocollen vandaan? Die komen bijvoorbeeld van de beroepsvereniging, die verzint ze. Het management in de ggz wil vervolgens dat wat er bekend is aan kennis over zorg, zo veel mogelijk wordt toegepast.” Dat je dan mogelijk in discussie moet met hulpverleners die geconfronteerd worden met protocollen en richtlijnen, vindt Van Gemert geen probleem. “In de nabije toekomst zal het steeds vaker voor komen dat er concurrentie komt van commerciële bedrijven die, juist aan de hand van duidelijke protocollen, goede resultaten boeken op het gebied van angsten en stemmingsstoornissen. Verzekeraars zijn erg geïnteresseerd om op dat gebied contracten af te sluiten. Het management is zich dat vaak al bewust, hulpverleners minder, die zijn gewend dat ze vanuit een monopoliepositie werken.”

Volgens Van Gemert kan die concurrentie een prikkel zijn voor het management om de professionals minder vrijblijvend aan te spreken op het gebruik van protocollen. “Ze kunnen dan afspreken om in zijn algemeenheid die manier van werken ook als standaard in te voeren. Tenzij er natuurlijk behandelinhoudelijke redenen zijn om het anders te doen.”

Implementatie

Er is veel wetenschappelijke kennis beschikbaar over hoe je protocollen en richtlijnen moet implementeren, stelt Van Gemert. Men gaat er volgens hem inmiddels van uit dat je landelijke richtlijnen niet zo maar overal in kunt voeren. In de regio en in de instelling moet een protocol steeds weer vertaald worden naar hoe mensen dáár vinden wat goede zorg is. “Het is belangrijk om met de vakgroepen van behandelaars in de instelling in discussie te gaan. Om hen te overtuigen van het nut van die richtlijnen en om steeds opnieuw enthousiasme te creëren, waarbij je natuurlijk ook open moet staan voor de beperkingen die er zijn. Het afkondigen  van protocollen heeft geen nut, tenzij je een organisatie hebt als een academisch ziekenhuis. Daar heb je een beperkt aantal hoogleraren en die zijn de baas. Dat systeem met een meester-gezelverhouding functioneert nog prima in een academische setting. Maar in een instelling waar het anders gaat moet je toch proberen dat draagvlak te creëren.” Van Gemert benadrukt nogmaals dat het belangrijk is dat er bij de invoering van protocollen ruimte is voor zowel ervaringskennis als voor wetenschappelijke kennis, en dat het vaak nodig is dat een voorhoede er als eerste mee aan de slag kan gaan. “Medewerkers die belangstelling hebben voor het vak, niet alleen om het toe te passen maar ook om het te ontwikkelen, die moet je de ruimte geven. Je moet een paar van die baanbrekers hebben.”

Probleem

Bij alle voordelen van protocollering zijn er cliënten die niet passen binnen een richtlijn of protocol en dat is voor Van Gemert een fundamenteel probleem waar aandacht voor moet zijn. “Als je kijkt naar de grootste groep cliënten in de ggz, met name de ambulanten, dan zie je dat die enerzijds bestaat uit mensen die last hebben van een angststoornis, waar ook nog wel eens depressieve gevoelens bij kunnen zitten en anderzijds depressieve mensen die ook last hebben van angst.  De protocollen voor de behandeling van die stoornissen lijken erg veel op elkaar.” Als er met die groepen volgens protocol wordt gewerkt dan denkt Van Gemert dat de meeste ambulante cliënten in ggz goed geholpen kunnen worden. “Dan zijn er natuurlijk de mensen die meerdere stoornissen hebben, of een mengvorm. Als de protocollen elkaar daarin tegenspreken dan moet de professional echt heel goed na gaan denken over wat hij dan gaat doen. Vindt hij dat er begonnen moet worden met het toepassen van een eenvoudig protocol of gaat hij bedenken wat in dit specifieke geval de aangewezen behandeling is? In discussies wordt volgens Van Gemert altijd gepraat over voorbeelden waarbij iemand een psychose en een depressie heeft en vaak ook nog gedragsproblemen. “Dan helpt zo’n protocol je weinig, dan moet je vooral zorgen dat je maatwerk levert.  Maar als je naar de grote aantallen kijkt dan kun je heel veel met protocollen, dat moet je niet wegwuiven.”

Schijnwerkelijkheid

Protocollering schept duidelijkheid voor cliënten en hulpverleners, iedereen weet waar hij aan toe is en wat hij kan verwachten, vindt Rembrandt Zuijderhoudt, psychiater en jurist. Maar hij heeft ook zijn bedenkingen en is voorzichtig positief. “Gesteld dat het protocol aan een aantal eisen voldoet en gesteld dat het aantal protocollen en de bekendheid ook zodanig is dat medewerkers weten wat ze doen. Er is een academisch ziekenhuis dat twee jaar geleden trots verkondigde dat men 2200 protocollen in werking had. Als je dan met mensen uit dat bedrijf praat, dan is er niemand die er ook maar twaalf kent. Dat is echt defensief handelen, men dekt zich in tegen iedere eventualiteit en zegt tegen het personeel: ‘maar jullie hebben je protocolletjes’. Het risico bestaat dan dat er een schijn­werkelijkheid wordt gecreëerd met een sterk defensief karakter. Door de omvang en de wijze waarop protocollering wordt toegepast kan een soort platregulering ontstaan waar niemand zich meer aan houdt.

Ooit heeft men in Europees verband het aantal verkeersregels flink teruggebracht. Waarom? Omdat je met een woud aan verschillende verkeersregels alleen maar de kans vergroot dat mensen zich tenslotte nergens meer aan houden. Dat is een beetje waar het omslagpunt ligt, waar het zich tegen de gebruiker keert. Bij mijn bezwaar tegen wat instellingen doen met protocollering telt een tweetal zaken: ten eerste dat aan de klant zorg op maat wordt beloofd maar door het protocol slechts confectiezorg wordt toegelaten; ten tweede dat er zaken zijn die, zo zij zich al überhaupt bij protocol laten regelen, vooral draaien om de mate waarin het per­soneel zich laat aanspreken op professionaliteit, ervaring, betrokkenheid en zedelijk gehalte. Waar ik mij zorgen over maak bij protocollering, is dat het de suggestie wekt dat het altijd bedoeld is om de consument te beschermen en de gebruiker een handreiking te geven, terwijl het soms alleen maar gaat om ‘cover your own ass’ van diegenen die bang zijn voor hun verantwoordelijkheid.”

Kwaliteit

Protocollen worden de laatste jaren niet alleen gebruikt om de kwaliteit van de zorg te verbeteren. “Het is ook een soort pavlov-reactie als er een incident plaatsvindt. Men vraagt zich af hoe dat incident heeft kunnen gebeuren, men gaat er van uit dat iemand een fout heeft gemaakt. Er moet ergens iemand zich niet aan de regels hebben gehouden en als dat wel zo is dan moeten de regels aangescherpt worden, dus komt er weer een nieuwe regel. Daarmee maak je natuurlijk geen beleid. Je maakt beleid door na te denken over waar de grootste risico’s liggen, wat zijn de dingen waar cliënten het meeste aan hebben en hoe regelen we dat.”

Zuijderhoudt wil niet neergezet worden als een tegenstander van protocollering. “Ik ben een krachtig voorstander van regulering zo dicht mogelijk bij de basis, als mensen dat zouden doen dan zou ik dat prima vinden. Laat men het maar zo veel mogelijk lokaal regelen.” Niet iedere instelling hoeft volgens Zuijderhoudt overigens een protocol te bedenken over bijvoorbeeld de eisen waaraan een Zweedse band moet voldoen, dat kan veel beter landelijk geregeld worden. Het gaat dan om grote risico’s die in elke instelling hetzelfde zijn. Er zijn echter een hele hoop zaken die je lokaal kunt regelen, zeker als dat past bij de cultuur van de instelling “En het maakt ook nogal uit of je huisregels maakt voor een therapeutische gemeenschap of voor mensen met een verstandelijke handicap.”

Draagvlak

Het vaststellen van protocollen moet redelijk hoog in de organisatie plaatsvinden, maar het draagvlak moet juist zo laag mogelijk liggen. Dat maakt het volgens Zuijderhoudt ook ingewikkeld. “Je moet zorgen dat de gebruikers zich herkend voelen en dat ze het idee hebben dat ze iets in handen krijgen waarmee ze beter kunnen werken dan tevoren. Op het moment dat je protocollen alleen maar door de pijplijn naar beneden stort, krijg je slechts vergroting van de weerstand. Ook omdat men dan op de werkvloer het gevoel krijgt dat de werkelijkheid die door het protocol gerepresenteerd wordt, niet hun werkelijkheid is. Of dat nou weerstand is of conservatisme of dat de weerstand gebaseerd is op rationele gronden laat ik maar even in het midden. Vaak is het een mengvorm maar je bereikt dus het tegenovergestelde. Je moet protocollen echt toesnijden op de situatie waarvan je weet dat de gebruikers ze zullen lezen en zich er mee vertrouwd zullen maken. Er wordt veel nadruk gelegd op het hébben van een protocol en vrijwel steeds wordt voorbijgegaan aan het moeizame traject van de invoering. Ik heb als interim-psychiater gewerkt in instellingen waar tot voor kort nauwelijks aan protocollering werd gedaan en in instellingen die alles gereguleerd hadden tot drie decimalen achter de komma. En ik kan werkelijk niet beweren dat de kwaliteit in die laatste instellingen groter was. Er heerste daar soms een soort Oost-Europese regressie onder het personeel. Wat niet letterlijk op papier stond of op een werkbon, dat deed men gewoon niet.”

Veiligheid

Als instelling moet je niet op incidenten reageren maar je moet je afvragen welke protocollen je echt nodig hebt. “Die ga je vervolgens maken en dan bekijk je wat je lokaal kunt doen en wat instellings­overstijgend is. Je richt je op zaken waarvan iedere medewerker kan bedenken dat het belangrijk is voor de veiligheid. Iedereen kan zich voorstellen dat je in een ziekenhuis een protocol nodig hebt over hoe je moet handelen als er brand uitbreekt. Dat wordt algemeen ingezien, dus daarover zul je geen problemen hebben op de werkvloer, mits je natuurlijk navraagt of het allemaal wel klopt wat er in het protocol staat en mits je mensen in de gelegenheid stelt om te oefenen en zo. Dat is dus iets anders dan een oekaze van boven naar beneden afkondigen. Dat werkt niet”

RH


VERHAAL PVP

Mijn grootste hobby

Het is al aan de late kant als de telefoon gaat. Ik sta op het punt om weg te gaan en twijfel of ik zal opnemen. Uiteindelijk wint mijn plichtsbesef het van mijn verlangen naar buiten te gaan en de deur achter me te sluiten. Aan de telefoon is een verpleegkundige die me vriendelijk maar beslist verzoekt langs te komen bij een gesepareerde man die dringend de pvp wil spreken. Ik beloof hem direct even langs te rijden.

Vervolgens blijkt mijn auto in het geheel niet te willen starten, ik hoor alleen een klikje. Dit klinkt zo serieus dat ik voor het eerst van mijn leven contact zoek met de hulpdienst van de ANWB. Men verzekert mij dat er binnen een uur wel iemand zal komen. Zuchtend bel ik de verpleegkundige met de mededeling dat ik met pech sta te wachten op de ANWB. Hij reageert wat geïrriteerd. Na tien minuten echter rijdt er een riante ANWB bus de verlaten parkeerplaats op. Een vriendelijke oudere monteur heeft binnen dertig seconden de motor weer aangeknald. Ik vraag of ik de motor zo weer kan afzetten, omdat ik nog iemand moet bezoeken. Dat blijkt geen goed idee te zijn. Waarop de man aanbiedt dat hij wel op mijn auto met draaiende motor wil passen. Ik leg hem uit dat het wel even kan duren, waarop hij zijn kantoortje in de bus laat zien, inclusief laptop. Het ziet er verrassend knus uit. “Neemt u gerust de tijd, mevrouw”, verklaart de man. “Ik vermaak me wel. Het is tegenwoordig al druk genoeg met die service aan huis, kan ik mooi mijn administratie bijwerken.” Ik geloof hem direct.

De cliënt, die zich voorstelt als Joop, is erg blij met een onafhankelijk persoon te kunnen spreken. Helaas heeft hij meer dan genoeg ervaring met de psychiatrie en vindt hij het onbegrijpelijk dat hij er deze keer weer is ingeluisd. Met grote armbewegingen vertelt hij over zijn ervaringen, zijn ideeën en zijn gevoelens. Hij is erg verdrietig dat hij weer is opgenomen en dan ook weer in de separeer terechtkomt. Hij begrijpt inmiddels wel, na al die jaren, dat het voor hem óf de separeer is óf een spuit. Hij wil geen van beiden. Hij wil eruit. Dat is al ten dele gelukt, want dankzij de oplettende verpleegkundige, die Joop’s aversie tegen separeers en medicatie goed heeft  begrepen, mag hij gedurende het gesprek met mij, in de gesprekskamer met asbak en koffie. En daarom neemt Joop de tijd. Het gesprek mag wat hem betreft de verdere avond wel duren.

Wanneer ik een klein uur later terugkeer bij mijn stationair draaiende auto, zit mijn oppasser nog rustig te typen met een muziekje op de achtergrond. Mede namens Joop, bedank ik hem hartelijk voor zijn opmerkelijke service.

Een paar dagen later ontmoet ik Joop op de afdeling. Hij staat te wachten op de verpleging voor een wandeling onder begeleiding. Het gaat een stuk beter met hem vertelt hij, maar ze laten hem nog niet gaan. “Pvp”, zegt hij nadrukkelijk, “ik kan je vertellen dat je in deze inrichting gekker wordt dan daar buiten. Als ik zie hoeveel mafketels er bij mij op de afdeling zitten! Ze lokken mij uit met hun opmerkingen en daar moet ik wel op reageren, dat kan ik niet laten gaan. Ik ben al een keer de bak (separeer - red.) in gedraaid omdat ik het voor zo’n jong meisje moest opnemen. En een keer omdat ze me persoonlijk zaten te beledigen”.

Ik vraag hem of hij, wanneer de groep te druk voor hem is, ook andere mogelijkheden heeft behalve de separeer. “Ja, m’n kamer”, schampert Joop. “Ik word als een klein kind naar mijn kamer gestuurd.” Ik vraag hem of hij dan zelf een alternatief voor de separeer heeft. “Jawel”, zegt hij na enig nadenken. “Gewoon naar buiten, lekker vissen. M’n grootste hobby, word ik rustig van, dat kijken naar die dobber. Ik doe er niet eens altijd aas aan, het gaat me vaak niet eens om het vangen, weet je.” Ik raad hem aan om dit als behandelvoorstel te bespreken met zijn behandelaar. Vissen als time-out. En dat, wanneer de behandelaar zijn voorstel niet serieus neemt, wij samen naar de behandelaar gaan.

Joop vindt het een strak plan en maakt direct via de verpleging een afspraak met de arts.

Een tijdje later zit ik koffie te drinken op de opnameafdeling. Plotseling wordt het gepraat verstoord door geagiteerde stappen, geschreeuw en gebonk op een deur. Ik herken de karakteristieke stem van Joop, die zijn hengel opeist bij de verpleging. “Op met die hengel, nu!”, roept hij met z’n neus tegen het raam van de verpleegpost gedrukt. De verpleging reageert snel en met grote stappen beent de visser even later de deur uit. Het lijkt me beter om hem op dit moment niet aan te spreken. Later die dag hoor ik van hem dat hij, na het wijzigen van zijn behandelplan waarmee het behandelteam akkoord ging, niet meer gesepareerd is. In de weken daarna zie ik hem wel een paar keer met zijn hengel over het terrein lopen. Fluitend.

(de naam van de cliënt is verzonnen om herkenbaarheid te voorkomen)

AdeG


VERHAAL CLIËNT

Vrije (pvp) keuze?

Ik was al een paar keer langs de deur gelopen. Soms zat er niemand en soms zag ik hem zitten, de pvp. Het is een man en ik durf er niet naar binnen. Dan maar bellen, dat is minder eng. Hij wil een afspraak met me maken omdat mijn verhaal door de telefoon moeilijk te volgen is. Dat is ook zo, ik kan het zelf nauwelijks volgen. “Kom op”, zeg ik tegen mezelf, “een vertrouwenspersoon is er juist om mijn verhaal aan te horen.” We maken een afspraak voor de volgende dag.

Ik ben heel zenuwachtig, heb mijn verhaal al zeker tien keer in mijn hoofd geoefend. Het zweet breekt me uit. Ik kan met dit verhaal toch niet bij een man terecht, ook al is hij vertrouwenspersoon. Ik ga toch, heb tenslotte een afspraak. Als ik ga zitten, vraagt hij direct wat hij voor me kan doen. Hij bedoelt het natuurlijk aardig, maar ik klap dicht, durf het gewoon niet te vertellen. Ik begin een verhaal maar het slaat nergens op, ik draai er vreselijk omheen. De pvp snapt het ook niet en begint met het stellen van allerlei vragen. Hij wil natuurlijk weten wat mijn klacht is, maar voor mij lijkt het wel een verhoor. Nee, dit wordt niks, ik bedank voor zijn tijd en stap op.

Terug op de afdeling besef ik dat ik een fout heb gemaakt. De tijd begint te dringen. Ik moet mijn verhaal aan iemand vertellen, maar ik kan het niet. Als de pvp nou een vrouw was, dan zou het vast makkelijker gaan. Ik trek de stoute schoenen aan, bel de pvp en vraag of het misschien mogelijk is om mijn verhaal aan een vrouwelijke pvp te vertellen. Hoewel aan elke locatie een vaste pvp is verbonden, kan er in uitzonderlijke gevallen wel een beroep gedaan worden op een collega. In een buurtinstelling werkt een vrouwelijke pvp en hij wil aan haar wel vragen of zij mijn ‘zaak’ wil overnemen. Diezelfde middag word ik al gebeld door deze collega. We spreken af voor de volgende week, ze zal het dan combineren met een werkbezoek aan onze pvp.

Ik zit tegenover haar en begin mijn verhaal. Dat ik al jaren manisch depressief ben en me lange tijd heb verzet tegen medicatie. Een jaar geleden ben ik dan toch met de medicatie begonnen omdat het echt heel slecht ging. Maanden heb ik op een gesloten afdeling gezeten en toen ik was ingesteld op de medicatie wilde ik erg graag naar huis. Dit kon alleen op voorwaarde dat ik de medicatie bleef gebruiken. Regelmatig moest ik mijn bloed laten prikken zodat ze konden zien of ik de pillen wel slik. “Ik was zo blij weer thuis te zijn en het ging best goed met me. Toen ontdekte ik iets wat alles veranderde. Ik bleek zwanger.” Ik haast me tegen de pvp te zeggen dat ik er heel blij mee ben. Maar dat het ook betekent dat ik wel moest stoppen met de medicatie, want dat zal slecht zijn voor mijn baby. En ik wil er alles aan doen om een gezond kind op de wereld te zetten. Nee, ik heb het niet aan de dokter verteld en dat is nou net ook het probleem. “Omdat ik stopte met de medicatie ben ik weer opgenomen en nu willen ze beginnen met de medicatie onder dwang te geven. Dat mag niet gebeuren, wat moet ik nou doen?”

De pvp is even stil en dan zegt ze dat het haar echt het beste lijkt om het wel aan de dokter te vertellen. “Je kan het toch niet lang meer verborgen houden en een goede medische begeleiding lijkt mij noodzakelijk voor jou en de baby. Misschien zijn er mogelijkheden om de medicatie te gebruiken zonder dat het de baby schaadt. Een vraag die alleen de dokter kan beantwoorden.”

“Weet je waar ik het meest bang voor ben?”, zeg ik. “Dat ze mijn baby afpakken omdat ze vinden dat ik met mijn ziekte geen goede moeder kan zijn.” Het liefst wil ik dat de pvp zegt dat dit absoluut niet mag, maar ik snap ook wel dat ze me geen garanties kan geven. Wel biedt ze aan om zo snel mogelijk samen naar de dokter te gaan om te vertellen dat ik zwanger ben en al mijn vragen te stellen. Alleen als we antwoorden hebben, kan de pvp bepalen of mijn rechten gewaarborgd zijn en of er bemiddelt moet worden. Enigszins opgelucht neem ik haar aanbod aan. Hoewel ik nog helemaal niet zeker ben van een goede afloop, vind ik het toch fijn dat ik mijn verhaal, aan een vrouw, kwijt kon. En dat ik er niet meer helemaal alleen voor sta.

De psychiater was erg blij dat mevrouw vertelde dat ze zwanger was. Hij legde uit dat  het gebruik van medicatie uiteraard risico’s gaf, maar er tegenwoordig veel meer bekend is over de invloed van medicatie gedurende de zwangerschap op het kind en dat het niet onmogelijk is om een gezond kind te krijgen. Een strenge medische begeleiding was noodzakelijk en daarom kwamen ze overeen dat mevrouw de gehele zwangerschap opgenomen zou blijven. Vijf maanden later werd er een gezonde baby geboren. Deze gebeurtenis staat op zich en wil niet zeggen dat het altijd zo gaat. Mocht u in eenzelfde situatie verkeren, neem dan contact op met uw behandelaar zodat ook voor u de juiste begeleiding kan worden gevonden.


JURIDISCH

Kwaliteit en wetgeving

De overheid heeft de opdracht de volksgezondheid te bevorderen. Niet alleen door het beschikbaar stellen van voldoende geld, maar ook door toezicht te houden op de kwaliteit van die zorg. De Inspectie voor de Gezondheidszorg speelt hierbij een belangrijke rol. Ook van de zorgaanbieders wordt het een en ander verlangd. Om de kwaliteit van de zorg die zij bieden te waarborgen, zijn verschillende wetten van belang. Denk aan de Kwaliteitswet zorg­instellingen, de Wet klachtrecht cliënten zorgsector en de Wet op de beroepen in de individuele gezond­heidszorg. Hieronder volgt een beknopt overzicht, met aandacht voor enkele voorstellen tot wetswijziging die in 2002 bij het parlement zijn ingediend.

Kwaliteitswet

De Kwaliteitswet zorginstellingen (Kzi) verlangt dat zorg wordt geboden van een goed niveau, die doeltreffend en patiëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de patiënt. De zorgaanbieder moet onder meer een kwaliteitssysteem voeren en jaarlijks een kwaliteitsverslag maken met daarin opgenomen een vermelding van de ondernomen acties op ontvangen klachten. Dit kwaliteits­verslag dient naar de Inspectie te worden gezonden. Er is momenteel een voorstel tot wijziging van de Kzi in behandeling bij de Tweede Kamer. De bedoeling van dit voorstel is de zorgaanbieder te verplichten om ook calamiteiten en seksueel misbruik te melden aan de Inspectie.

Klachtwet

De Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz) biedt een laagdrempelige mogelijkheid voor patiënten en cliënten om klachten over de hulpverlening aan de orde te stellen. De wet is mede bedoeld als instrument voor de kwaliteit van zorg. De manier waarop de zorgaanbieder met klachten omgaat, heeft betekenis voor die kwaliteit. Klachten geven onder meer een beeld van zaken die niet goed zijn geregeld en dus verbetering behoeven. De zorgaanbieder dient jaarlijks een verslag te maken van het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten. Ook dit verslag moet aan de Inspectie worden gestuurd. Een recent voorstel tot wijziging van de Wkcz stelt nadere eisen aan het verslag. Daarnaast wordt voorgesteld dat klachtencommissies de mogelijkheid krijgen klachten van ernstige aard te melden aan de Inspectie. Een ander aspect van het wijzigings­voorstel gaat over de handhaving van de regeling. Momenteel kan de cliënt of de cliëntenraad naar de rechter als de zorgaanbieder niet conform het klachtrecht handelt, maar de bedoeling is dat de Inspectie toezicht gaat houden op de naleving van de wet.

Wet big

De Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet big) biedt waarborgen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen in de gezondheidszorg. De wet beoogt de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bewaken en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door een stelsel van titelbescherming, waarbij alleen geregistreerde beroepsbeoefenaren bevoegd zijn om bepaalde titels te voeren (zoals arts, gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut en verpleegkundige). De registratie in kwestie is gekoppeld aan opleidingseisen. Voorts geldt de regeling van de zogenaamde voorbehouden handelingen die bij ondeskundige toepassing schadelijke gevolgen hebben. Alleen bepaalde daartoe aangewezen beroepsbeoefenaren mogen die handelingen zelfstandig verrichten.

De Wet big bevat ook een tuchtrecht waaraan geregistreerde beroepsbeoefenaren zijn onderworpen. De tuchtnormen hebben betrekking op a) het tekortschieten in de zorg voor de patiënt en diens naasten, b) enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg. Een tuchtcollege kan bepaalde maatregelen opleggen waaronder een waarschuwing, een geldboete en een ontzegging van de bevoegdheid het beroep uit te oefenen. Daarnaast biedt de wet nog een aparte regeling waarbij een college van medisch toezicht op voordracht van de Inspectie, preventieve maatregelen kan treffen als bij een geregistreerde beroepsbeoefenaar sprake is van ongeschiktheid het beroep uit te oefenen wegens ziekte of verslaving.

De Wet big is vorig jaar geëvalueerd. De algemene indruk is dat de wet aan de doelstellingen beantwoordt. Er zijn enkele voorstellen tot aanpassing gedaan, maar de huidige regeling geldt als een belangrijk kwaliteitsinstrument.

TPW/GK


KWALITEIT PVP

De pvp in opleiding

Sinds 1 maart 2003 is de Stichting PVP een opleiding rijker. In deze éénjarige interne opleiding worden tien p.i.o.’s (pvp in opleiding) via een intensief scholingsprogramma goed voorbereid op de praktijk. Werken en leren gaan hand in hand. Deze nieuwe opleiding blijkt een juiste zet. Nergens in Nederland kan men immers de specifieke vaardigheden van pvp leren.

De mogelijkheid om op deze wijze een nieuw vak te leren blijkt aantrekkelijk te zijn voor veel hoog gekwalificeerde sollicitanten met heel diverse achtergronden. De reactie op de vacatures leverde afgelopen tijd ruim 400 sollicitatiebrieven op. Een contrast met de voorgaande sollicitatierondes, waarbij het telkens moeilijk bleek om de vacatures te vervullen.

De scholing in Utrecht wordt verzorgd door een team van internen en externen. In de praktijk is er supervisie door een mentor. In dit jaar maken de p.i.o.’s de voor deze functie specifieke schrif­telijke, mondelinge en juridische vaardigheden steeds meer eigen en leren zij hun werk zodanig te organiseren dat zij de pvp-taken optimaal kunnen uitoefenen. Zij leren dan zowel ‘patiëntenadvocaat‘, waarbij zij cliënten bijstaan in hun rechtspositie, als ‘inspecteur ‘te zijn, waarbij de signaleringstaak centraal staat. Deze laatste taak wint wat aan gewicht en opent de weg tot meer samenwerking met de cliëntenraden dan voorheen.

Na afronding van dit jaar hebben de p.i.o.’s zich gekwalificeerd voor het niveau dat bij de functie-eisen van patiëntenvertrouwenspersoon past en verlaten zij tevens hun opleidingsstatus. De systematische voorbereiding op de praktijk is tweeledig: het heeft als doel de kwaliteit van het pvp-werk te verhogen en zal hierdoor de dienstverlening aan cliënten ten goede komen.

JWvD


Zwemles zonder bandjes

Mijn eerste herinnering aan Santpoort, het ziekenhuis waar ik in 1982 als pvp begon, is dat korte moment vóór het introductiegesprek met de geneesheer-directeur, de heer Houwink. Paul van Ginneken was destijds de directeur van de Stichting PVP. Van Ginneken en ik zouden elkaar treffen op een bankje in het ruime park van het Provinciaal Ziekenhuis te Santpoort, zoals het officieel heette.  Ik weet nog dat van Ginneken naar mijn schoenen keek toen ik aan kwam lopen. Ze waren gepoetst. Van Ginneken had voor de gelegenheid een blauwe trui aangetrokken. Vóór wij het gesprek met de geneesheer-directeur ingingen, had ik graag nog even wat steun willen zoeken bij mijn nieuwe baas. Wat er van me gevraagd zou worden, en wat ik beslist niet moest zeggen. Maar geen kans. Mr. P.P.J.N van Ginneken stond monter op, constateerde dat ik keurig op tijd was, en nam mij mee naar het directiesecretariaat. Hij wist er kennelijk de weg. Ik was de weg al bij voorbaat kwijt, wist ik veel. En vervolgens slaat mijn geheugen hardnekkig op zwart. Niet zo verbazend, heb ik inmiddels in mijn psychiatriejaren geleerd. De mens heeft nu eenmaal de veiligheidsklep ingebouwd om al te pijnlijke herinneringen te verdringen. Ik wist nog helemaal niets. Ja, ter voorbereiding van de sollicitatiegesprekken had ik wat nota’s ontvangen. Van de Nationale Ziekenhuisraad, en wat stukken uit de Tweede Kamer. Daarin werd de patiëntenvertrouwens­persoon als het ware uitgevonden. Dat lees je dan trouwhartig, maar ik kon me er maar bar weinig concreets bij voorstellen. Het echte pvp-werk moest immers nog beginnen. Pas over een paar maanden. Het moet een vreemd gesprek zijn geweest, daar in die directeurskamer. Tenslotte wist de heer Houwink óók van niets. Ook voor hem was het een nieuw experiment. Ik zou een van de eerste acht pvp’en van Nederland worden, en zijn Santpoort een van de eerste ziekenhuizen met zo’n pottenkijker. Hoe dan ook, Houwink zal wel met mijn persoon hebben ingestemd, want ik mocht komen. Het bestuur van de Stichting PVP had uitgerekend dat één pvp mooi zo’n achthonderd patiënten aankon. Santpoort had er ruim elfhonderd. Ik werd dus gelijk maar in het diepe gegooid.

Want hoe ging dat destijds? Eén dag per week kwamen wij met z’n achten bij elkaar in Utrecht, onder leiding van directeur van Ginneken. Daar kregen wij les over de Krankzinnigenwet van 1884. Veel meer viel er nog niet te melden over de rechtspositie van de psychiatrische patiënt. Nauwelijks jurisprudentie. Dat moest allemaal nog komen. Pas na een jaar of wat kwam de Geneeskundige Inspectie voor de Geestelijke Volksgezondheid met haar Referentiekaders, zoals “Middelen en Maatregelen” uit 1987. En een jaar later de nota “Rechtspositie Patiënten in Psychiatrische Ziekenhuizen”. Daar moesten wij het dan maar mee zien te doen. De Wet Bopz zou pas in 1992 worden aangenomen, de Wgbo nog twee jaar later. Wij klaagden veel. Over hoofdverpleegkundigen die een driegesprek met een patiënt weigerden, en over psychiaters die weigerden ons inzage te geven in patiëntendossiers, hoewel wij keurig een papier met de toestemming van onze cliënt konden laten zien. Wij vonden steun bij elkaar.

En verder? Gewoon, werken. In je ziekenhuis. Tenslotte waren wij door de sollicitatie gekomen, dus werden we geacht het pvp-ambacht te beheersen. Die wekelijkse terugkomdagen gingen zo’n anderhalf jaar door, daarna werd het tweewekelijks. Dat moest maar genoeg zijn, onder het motto: al doende leert men.

Paul Manni


Aan een lijntje in het diepe

‘Ik ken u, u bent de pvp-ster! Nou, met mij is alles goed hoor! Dus ik heb u niet nodig!’ Enigszins verbaasd loop ik door. Och ja, bedenk ik, mijn posters hangen sinds vorige week op deze locatie. Het heeft een tijdje geduurd voordat ze er waren en het is wennen om herkend te worden in de gangen. Al snel merk ik dat het een enorm verschil maakt. Als ik op een afdeling kom, weet de verpleging nu wie ik ben (al blijft ‘hebt u uw medicijnen al genomen’ een veelgehoord grapje) en patiënten gaan nog net niet in de rij staan om me te spreken. Een groot verschil met mijn inwerkperiode, waarin ik regelmatig voor secretaresse van mijn mentor werd versleten. Niet dat al mijn nieuwbakken cliënten allemaal vanwege klachten op mij af komen. Wat voor vlees hebben we in de kuip, kan ik deze nieuweling vertrouwen? De vraag ‘doe je dit al lang’ en ‘ben je niet te jong’ komt regelmatig voorbij. Onvermijdelijk word je als jonge hond in de instelling vergeleken met je voorganger. In mijn geval een grote brede man met een snor. Tja, daar kan ik niet tegenop natuurlijk.

Na een intensieve inwerkperiode ga ik op een dag in 2002 ineens alleen naar het ziekenhuis. Naar mijn ziekenhuis. Zo voelt het echter nog niet. Een cliënt belt vanaf een gesloten afdeling of ik langskom. Ik beloof het, en bedenk te laat dat ik niet weet waar dat gebouw is. De receptie heeft compassie met deze verdwaalde onzekere pvp, en voorziet mij van een plattegrond met keurige kruisjes bij de belangrijkste gebouwen. Vol goede moed maar toch ook niet zonder vlinders ga ik op weg naar mijn eerste Echte Klacht. Het is een vreemde, boeiende wereld, die van een psychiatrisch ziekenhuis. Verpleging en managers, wijdopen deuren en dubbele sloten, medicijnen en therapieën. Wat is de plaats van de pvp?

Twee maanden juridische scholing, gesprekken met collega’s en allerhande trainingen ondersteunen tegenwoordig een nieuwe pvp. Ook na de eerste fase is er een coachingsaanbod. Hoe anders dan twintig jaar geleden. De Krankzinnigenwet is voor mij een archeologische rariteit en zonder meer accepteer ik het bestaan van de Wgbo, Bopz en hun vriendjes. Handvatten en kaders om cliënten te kunnen ondersteunen zijn er een myriade meer dan toen. Je wordt dus niet meer zomaar losgelaten in de jungle. En toch, op het moment dat je daar dan ineens alleen zit, in die vreemde werkkamer op een terrein dat je niet begrijpt in een instelling die je nauwelijks kent, en je krijgt een telefoontje met je eerste Echte Klacht, lig je in je eentje in het diepe. Een lijntje heb je, maar het zwemmen moet je nog steeds zelf doen.

Welmoet Wels


Stelling

In deze tijd van vraaggerichte zorg is de Stichting PVP zo langzamerhand overbodig
Anne Albrecht, psycholoog:
“We leven in een tijd van vraaggerichte zorg, zorg op maat, vermaatschappelijking van zorg, empowerment. Daardoor vervagen de grenzen van de ggz, ontstaat verweving met andere organisaties. Waar de pvp binnen de traditioneel georganiseerde ggz een volstrekt heldere pion is, vervaagt de in eenzaamheid door de gangen sloffende gestalte steeds meer tot een schimmig archetypisch figuur in een snel veranderende omgeving. Het is daarom wenselijk deze onpartijdige figuur meer gestalte te geven door ggz-overschrijdend te gaan werken, in een nóg meer “ombudsman”-achtige rol, inclusief rechten en bevoegdheden. Het lijkt me logisch dat de pvp gaat samenwerken en krachten bundelt met andere vertrouwenspersonen, ombudslieden en klachten­functionarissen binnen het brede gebied van de (semi-) overheid.
Prof. Dr. G.F. Koerselman, psychiater:
“Ik zie niet zozeer een vraaggerichte zorg in Nederland. Ik zie eerder een dominantie van de ideologie van de bemoeizorg. Zolang dat zo is, zal de pvp nog dringend nodig zijn”.
Tineke de Jong, voorzitter cliëntenraad:
”Het zou een ramp zijn wanneer de Stichting PVP opgeheven zou worden. Alles wordt ingewikkelder, er komt steeds weer nieuwe wetgeving bij, dan is er dus zeker een neutraal iemand nodig. Bovendien blijft een luisterend oor van belang.”
Sjef Odekerken, ambtelijk secretaris klachtencommissie:
”De stelling lijkt me op z’n minst erg voorbarig. De ontwikkeling van meer vraaggericht zorg- en behandelaanbod staat in veel opzichten nog aan het begin. En biedt ook geen garantie dat er nooit meer iets fout zal gaan. Het is goed als de – vaak in een kwetsbare positie verkerende - cliënt ook in de toekomst kan beschikken over ondersteuning door een onafhankelijke PVP. Want fouten en verschillen van mening en inzicht zullen altijd blijven bestaan. Ggz is én blijft mensenwerk. Van dit gegeven kan en moet een organisatie gebruik maken om te leren. En in dit opzicht hebben allen belang bij een zo gelijkwaardig mogelijke relatie. De PVP kan hier een belangrijke rol in blijven spelen.”
Heico Klompen, cliënt:
”Er lijken heel wat vragen en klachten bij de pvp’en terecht te komen. Dus om dan te zeggen overbodig? Bovendien heb ik bij de term ‘vraaggestuurd’ nogal wat twijfels. Je mag aanzitten bij allerlei overleg maar of dat ook iets uithaalt? Het is zelfs de vraag of men met je aanwezigheid niet gewoon mooie sier haalt bij overheid en geldverschaffers.”
Naomi Smit, Inspecteur in regionale dienst:
“Dat lijkt me niet! Zo vraaggericht is de zorg nog niet en juist bij meer vraaggerichte zorg is de behoefte aan onpartijdige hulp groot. Het lukt patiënten vaak nog niet om dat wat ze vragen ook te krijgen, daarvoor is die onafhankelijke pvp hard nodig. Voor bijvoorbeeld het regelen van verantwoorde zorg via een persoonsgebonden budget, moet je erg sterk staan. Er komen bij ons ook nu nog vrij veel vragen en klachten binnen van patiënten. Die verwijzen wij altijd door naar de pvp of de klachtencommissie. Misschien zou de Stichting PVP in de toekomst minder instellingsgebonden kunnen gaan werken. Patiënten in een bepaalde regio kunnen dan kiezen uit een poule van pvp'en, net als in de advocatuur. Maar jullie zijn gratis en voor een advocaat moet je betalen!”

INTERVIEW

De visie van een ex-directeur van de Stichting PVP: “EEN PVP MAG ZEKER WEL ZIJN TANDEN LATEN ZIEN”

Hij stond aan de wieg van de Stichting PVP en heeft ervoor gezorgd dat de eerste 50 pvp’en in de psychiatrische ziekenhuizen aan het werk zijn gegaan. Paul van Ginneken was van 1982 tot 1992 directeur van de stichting. Tegenwoordig werkt hij bij het Trimbos-instituut als senior wetenschappelijk medewerker. Hoe kijkt hij anno 2003 tegen het verschijnsel pvp aan? De ex-directeur geeft zijn mening.

Een pvp staat altijd achter de cliënt. Hij komt op voor de belangen van de cliënt zoals de cliënt deze zélf ziet. Deze partijdigheid is volgens Paul van Ginneken het fundament waarop de functie van pvp gebouwd is. “Als je daaraan gaat morrelen, kan je de functie beter opheffen. Je kan dan  beter met iets nieuws beginnen. Een cliënt moet er altijd van op aan kunnen dat de pvp achter hem staat. Het zou ongepast zijn wanneer de pvp per situatie gaat bepalen in hoeverre hij achter de cliënt gaat staan. Een goede pvp moet alles uit de kast halen om te bereiken wat de cliënt wil en dus zeker niet aansturen op een compromis.”

Het komt natuurlijk voor dat het ziekenhuis een cliënt een bepaalde stap afraadt. Maar daar hoort een pvp zich, volgens Van Ginneken, niet door te laten beïnvloeden. “Ook dan houdt een goede pvp geen rekening met de belangen van instellings­medewerkers. Behandelaars hebben namelijk nog al eens de neiging het verhaal of de klacht van een cliënt te interpreteren in het licht van diens ziektebeeld. Het is daarom goed dat er in een instelling een functionaris rondloopt die dat juist niet doet.”

Onafhankelijke positie

Pvp’en werken onafhankelijk. Om die onafhankelijkheid te waarborgen worden pvp’en regelmatig overgeplaatst naar een andere instelling. Eens in de vier tot zeven jaar rouleren ze naar een andere werkplek. Zijn die gedwongen overplaatsingen nog nodig? “De onafhankelijkheid van de pvp hoort tot de kern van de functie”, zegt Van Ginneken. “Tien jaar werken in dezelfde context lijkt mij daarom niet verstandig. Het gevaar is dan groot dat een pvp in zijn houding en mening op gaat schuiven in de richting van de instelling. Maar voor het innemen van een onafhankelijke positie is het roulatiebeleid niet essentieel. In Canada werken functionarissen met een vergelijkbare opdracht als pvp’en en die hebben ook geen roulatiebeleid. Daar geeft dat geen problemen. Als de Stichting PVP ervoor kiest het roulatiebeleid af te schaffen, vind ik wel dat er op andere wijze extra aandacht geschonken moet worden aan de onafhankelijke positie van een pvp. Ik herinner mij dat in mijn tijd een pvp niet in de kantine van een ziekenhuis mocht eten, wanneer cliënten daar niet welkom waren. Ik weet niet of die gedragsregel nog steeds bestaat, maar ik zou gaan kijken of  deze gedragsregel onderstreept moet worden en vergelijkbare regels moeten worden ingevoerd. Het doel daarvan is goed zichtbaar te maken dat een pvp echt onafhankelijk van instellingen werkt.”

Onwrikbaar standpunt

Een pvp wordt binnen instellingen nogal eens gezien als iemand die te weinig bereid is water bij de wijn te doen. Er zijn nog steeds behan­delaars die pvp’en bestempelen als rechtlijnige denkers die te strak in de leer zijn. Relaties met medewerkers kunnen daardoor verstoord raken. Paul van Ginneken vindt niet dat pvp’en om die reden hun werkwijze zouden moeten veranderen. “Heldere standpunten zijn onverminderd nodig. Instellingen mogen van een pvp verlangen dat hij binnen de grenzen van zijn taakomschrijving blijft en zich fatsoenlijk gedraagt, maar niet dat hij nooit zijn tanden laten zien. Als een cliënt dat nodig vindt, moet de pvp niet schromen om een onwrikbaar standpunt in te nemen. De instellings­medewerker die aan de andere kant van de tafel zit, zal de pvp dan soms verwijten dat hij door zijn opstelling de verhoudingen verstoord. Dit verwijt hoeft de pvp zich mijns inziens niet aan te trekken. Dat hem dit verwijt wordt gemaakt is inherent aan zijn partijdigheid.”

Gedurende de eerste jaren van de Stichting PVP was er nog geen Wet geneeskundige behandelings­overeenkomst (Wgbo). Ook de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) was nog niet in werking. In die tijd moesten pvp’en meer strijd leveren om resultaat voor hun cliënten te bereiken. Er was wel enige jurisprudentie, maar veel zaken moest een pvp toch zelf invullen. Nu kan een pvp bij steeds meer klachten verwijzen naar de wet. Hoewel veel patiëntenrechten inmiddels op een goede manier in wetten zijn vastgelegd, betekent dit volgens de ex-directeur niet dat de functie pvp opgeheven kan worden. “Het is zeker zo dat het juridisch instrumentarium is verfijnd, maar de strijd is pas gestreden als alle behandelaars in alle gevallen de patiëntenrechten respecteren. Dat doen ze nog niet. Een aantal van die rechten staan namelijk op gespannen voet met het ‘bestwil-denken’ van veel behandelaars. En ik verwacht niet dat daar op korte termijn iets in veranderd.”

Pvp als inspecteur

Een pvp heeft ook een signalerende taak. Wanneer hij binnen een instelling een structurele tekortkoming tegenkomt, schrijft hij hierover een signaal aan het management van een afdeling of de instelling met het verzoek die tekortkoming op te heffen. Van Ginneken kan zich voorstellen dat pvp’en meer aandacht gaan besteden aan het signaleren. Maar het moet niet te veel worden. “De nadruk op een inspecterende taak vind ik een gruwel. De kracht van de pvp is klachtenbemiddeling. Sinds de inspectie zich bijna niet meer met klachten­bemiddeling bezig houdt, is die taak van de pvp alleen nog maar belangrijker geworden. Meer aandacht voor signaleren lijkt mij prima, zolang het niet ten koste gaat van de kern: bemiddeling bij individuele klachten.”

AdeM