pvp
Home Organisatie Cijfers Contact Medewerkers

Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg

 

13e jaargang nummer 3 najaar 2003

Inhoudsopgave


Voorwoord

Geachte lezer,

“Ga jij bij de PVP werken? Is dat niet saai?” Leuke reactie, als je enthousiast vertelt dat je een nieuwe baan hebt. Maar ik stond wel even met m’n mond vol tanden. Want heb ik de laatste jaren nou veel gemerkt van de PVP? Nee. Terwijl ik me toch met pvp-achtige thema’s als bemoeizorg en overlastbestrijding bezighield. Waar was de club die in mijn herinnering ooit trots de psychiatrie binnentrok om daar onafhankelijke belangenbehartiging te bieden. Had ze zich binnen de muren opgesloten en niet gemerkt dat de drang en dwang zich naar buiten hadden verplaatst?

Als u de PVP-krant regelmatig leest, weet u meteen dat ondergetekende een romanticus is met bijbehorende oogkleppen. Allereerst biedt de Stichting PVP geen belangenbehartiging, maar verleent het cliënten advies en bijstand bij de handhaving van hun rechten. Daarnaast is er ‘binnen’ nog voldoende te doen, zoals ook dit nummer weer laat zien. Het opent met een artikel over roken. Na 13 jaar Tabakswet is chaos troef: In de ene instelling rook je verplicht mee, terwijl je in de andere instelling gedwongen niet rookt. Handig als de cliënt zelf kan kiezen waar hij wordt opgenomen, maar dat kan hij lang niet altijd. Vervolgens laat het interview met Maurits Niers zien, dat sommige hulpverleners je nog steeds als ‘Gekke Henkie’ zien wanneer je in de cliëntenraad gaat. Zelfs nu het belang daarvan wettelijk is vastgelegd. Dat wetten de zaak niet simpeler maken, illustreert de praktijkreeks over de Wet Bopz. Elf delen gaat die maar liefst omvatten. Robinetta de Roode, auteur van het deel over de interne rechtspositie, vertelt onder andere over drang en dwang. Het nummer sluit af met een kijkje in de Helpdesk PVP. De club richt de blik dus wel degelijk naar ‘buiten’.

Dégelijk, dat is de Stichting PVP. Niet saai, maar degelijk. En bij een degelijke bijstand heeft de cliënt baat. Die moet z’n rechten gewoon helder uitgelegd krijgen en goed geholpen worden z’n recht te halen, waar nodig. Een hele klus voor de pvp’en, lees de rubrieken (on)gegrond en rechtspraak er maar op na. Maar degelijkheid alleen is niet voldoende. Niet voor de cliënt, niet voor deze romanticus, niet voor de club. Passie, dat willen we ook, dat hebben we ook. Passie voor patiëntenbelangen. We kunnen het wat mij betreft alleen nog meer van ons af laten spatten. Alle ingrediënten daarvoor zijn aanwezig, zo blijkt ook weer uit dit nummer. Genoeg onderwerpen om over uit onze slof te schieten, en een rubriek ‘meningen’ als eerste trapveldje. “Het is een grof, inhumaan schandaal” knalt daarin een – degelijke- psychiater op het rookbeleid. Degelijke én gepassioneerde bijstand voor mensen ‘binnen’ en ‘buiten’, daar staat mijn club voor. “Werken bij de PVP saai? Laat je nakijken!”

Peter ten Cate,
hoofd pvp


Roken, lossen we dat samen op?

Dat er flink wordt gerookt door cliënten van psychiatrische instellingen, is geen geheim. Nog niet zo lang geleden vond men dat heel gewoon. Tegenwoordig worden rokers echter op steeds meer plekken geweerd. Na een wijziging van de Tabakswet is de overheid met ingang van 1 januari 2003 ook strenger gaan toezien op handhaving van het rookbeleid in psychiatrische ziekenhuizen. Een paar instellingen hebben al een boete gekregen en daarover is veel ophef ontstaan.

In 1990 besloot de overheid dat er niet meer gerookt mag worden in gebouwen en inrichtingen voor gezondheidszorg en dat er geen tabaksproducten meer mogen worden verkocht. Psychiatrische ziekenhuizen werden hiervan uitgezonderd, net als een aantal andere instellingen waar mensen langdurig verblijven, zoals verpleeghuizen en verzorgingshuizen. Wel besloot men toen dat de niet-rokers geen last en hinder mochten ondervinden van de rokers.

Sinds die tijd is men verplicht een rookverbod in te stellen en te handhaven in alle ruimten die voor iedereen toegankelijk zijn, zoals trappen, gangen, wachtkamers en vergaderruimten. Daarbij mag het bestuur van de instelling rookruimten aanwijzen, mits er twee of meer ruimten van dezelfde soort aanwezig zijn. Als op een afdeling bijvoorbeeld twee huiskamers zijn, dan mag het bestuur van de instelling een van die huiskamers, de kleinste, aanwijzen als rookruimte. Als er slechts één huiskamer op de afdeling is, dan mag daar niet gerookt worden. Instellingen die zich niet aan het rookverbod houden kunnen sinds 1 januari een boete krijgen. Die varieert van 300 Euro voor de eerste overtreding tot maar liefst 2400 Euro bij herhaling. Overigens is de instelling niet verplicht om rookruimten te creëren. Het roken mag ook overal worden verboden.

Vanaf 1 januari 2004 is iedere werkgever verplicht ervoor te zorgen dat werknemers geen last hebben van het roken door anderen. Personeelsleden van instellingen kunnen dan bezwaar maken tegen het roken in de rookruimte als zij daar aanwezig zijn. Dat kan vreemde en onwerkbare situaties opleveren als alle aanwezige verpleegkundigen een rookvrije werkplek eisen. Voor de horeca is het wettelijk rookverbod per 1 januari 2005 van tafel en ook voor de thuiszorg is een uitzondering gemaakt. Het lijkt vanzelfsprekend om ook voor de psychiatrische instellingen een uitzondering te maken omdat daar, net als in de thuiszorg, eveneens mensen langdurig verblijven.

Praktijk

Alles lijkt goed geregeld te zijn. Instellingen mogen rookruimten aanwijzen en de niet-rokers hebben geen last van de rokers. De realiteit is echter niet zo eenduidig, zo blijkt uit een inventarisatie onder pvp’en. Wij vroegen hen hoe het rookbeleid in hun instellingen eruit ziet, of hun cliënten problemen ondervinden met betrekking tot het rookbeleid, en of de instellingen aan cliënten hulp bieden bij het stoppen met roken. Wij verkregen informatie over 55 sychiatrische instellingen.

Dertien jaar na invoering van de Tabakswet kunnen cliënten in iets meer dan de helft van de instellingen kiezen tussen een rookruimte of een rookvrije ruimte. Bijna de helft van de instellingen heeft afdelingen met een aparte rookruimte. Er is nog één instelling waar overal gerookt wordt en in maar liefst zes instellingen mogen cliënten en medewerkers helemaal niet roken. Sommige instellingen kiezen voor een andere oplossing, door één rookruimte in het hele gebouw te creëren of door het instellen van rooktijden voor de huiskamers of de eigen kamer van de cliënt.

In ruim twintig instellingen blijft het rookbeleid zoals het nu is. Enkele instellingen hebben besloten om eventuele boetes gewoon maar te betalen. In een aantal instellingen is men van plan de situatie te verbeteren. Zo zijn er verbouwingen gepland, komt er een nieuw gebouw met aparte rookruimten per afdeling, is het bestuur van plan het hele gebouw rookvrij te maken of één rookruimte aan te wijzen. Ook zijn er instellingen waar de discussie over het rookbeleid nog gaande is. Maar weinig cliënten mogen op hun eigen kamer roken, terwijl de staatssecretaris van VWS deze mogelijkheid met nadruk noemt in enkele toelichtingen op de gewijzigde Tabakswet. Vanwege brandgevaar en gebrek aan toezicht, kiezen veel instellingen juist voor een verbod op roken op slaapkamers, terwijl dat vaak de enige vorm van privacy is die cliënten hebben.

Klachten

Naar schatting rookt zo’n zeventig procent van de cliënten in de psychiatrie. Het rookbeleid is dan ook een heet hangijzer. In de eerste helft van dit jaar hebben pvp’en meer dan 100 klachten ontvangen over roken. Zowel rokende als niet-rokende cliënten zitten vaak klem, als het om roken gaat.

In totaal hebben 61 cliënten bij hun pvp geklaagd dat ze in hun rookgedrag belemmerd werden. Zo zijn er 15 klachten van ouderen op een verblijfsafdeling waar een rookverbod in het café op het terrein van de instelling werd ingesteld. Ook werd er geklaagd over het verwijderen van de sigarettenautomaat, de sfeer die is verslechterd door het rookverbod en over gebrekkige faciliteiten in de rookruimten. Verder zijn er cliënten die bij gebrek aan een rookruimte buiten, en dus soms in de regen, moeten roken. Een pvp heeft voor hen een partytent geregeld. Opmerkelijk is dat er zelfs een rookruimte is die wat omvang en faciliteiten betreft het roken moet ontmoedigen.

Cliënten op gesloten afdelingen, zowel rokers als niet-rokers, klagen ook over het rookbeleid. In tegenstelling tot cliënten op open afdelingen, hebben zij vaak niet de mogelijkheid om naar buiten te gaan om te roken of om te ontkomen aan de overlast door rokers. Ook roken in de separeer is een probleem, daar klaagden 13 cliënten over. Gesepareerde patiënten zijn volledig afhankelijk van de medewerking van het personeel als zij willen roken. In sommige gevallen mocht er tijdens de separatie helemaal niet gerookt worden, andere cliënten mochten alleen maar roken op bepaalde tijden. Ook werd roken als beloning gebruikt; bij goed gedrag mocht de gesepareerde cliënt een sigaretje roken en anders niet.

Bescherming van niet-rokers tegen de overlast die rokers veroorzaken, is een van de uitgangspunten van de Tabakswet. Toch hebben pvp’en het afgelopen half jaar nog 46 klachten in behandeling genomen van cliënten die geconfronteerd werden met rookoverlast. Voorbeelden zijn het roken door medewerkers, roken in de rookvrije ruimte en het feit dat er ondanks een rookverbod nog overal, dus ook in slaapkamers, gangen en trappenhuizen, gerookt wordt. Opvallend was de klacht van een cliënt met bronchitis die een bepaalde therapie niet kon volgen wegens het roken door medecliënten.

Beleid

Slechts 13 instellingen hebben een rookbeleid geformuleerd. In een rookvrije instelling kon men melden dat het beleid bestaat uit een rookverbod, daar was men snel klaar. Andere instellingen doen meer moeite om te formuleren hoe het beleid er uitziet en waarom dat zo is. Men constateert dat roken en meeroken ongezond is en dat daarom maatregelen genomen moeten worden om het roken te beperken en de niet-rokers tegen de rokers te beschermen. Vervolgens beperkt men zich tot het opsommen van waar wel en waar niet gerookt mag worden.

Dat de overheid voorstander is van een actief beleid om het roken te ontmoedigen, wil nog niet zeggen dat alle instellingen cliënten helpen bij het stoppen met roken. In bijna de helft van het aantal onderzochte instellingen krijgen cliënten geen hulp aangeboden als zij willen stoppen met roken. De instellingen die wel hulp bieden, verschillen sterk in het aanbod. Zo verwijst men in de ene instelling cliënten naar de huisarts en kunnen cliënten in andere instellingen nicotinepleisters krijgen, deelnemen aan een stoppen-met-roken-cursus, of via een door de Universiteit Maastricht ontwikkelde vragenlijst een advies op maat krijgen. Er is ook een instelling waar cliënten die van hun rookverslaving af willen, slechts een folder krijgen over de gevaren van roken. Een andere instelling biedt alleen personeel hulp bij het stoppen. Ook is er een instelling waar cliënten zich ergens kunnen melden voor hulp, maar niemand weet wáár.

Onrust

Het rookverbod waar iedereen zich opeens zo druk over maakt, bestaat al dertien jaar. Het is dan ook een beetje vreemd dat er juist in de afgelopen maanden zo’n onrust over het strengere rookbeleid is ontstaan. De psychiatrische instellingen hebben immers een ontheffing van dat verbod, mits ze de moeite nemen om te zorgen voor afgesloten rookruimten waardoor de niet-rokers geen last hebben van de rokers. Zelfs de tabaksverkoop mag gewoon doorgaan. Uit onze inventarisatie blijkt echter dat in de praktijk maar slechts de helft van de cliënten in de psychiatrische instellingen kan kiezen voor een rookruimte of een rookvrije ruimte. De andere helft kan nog steeds niet kiezen. Die moet noodgedwongen meeroken, mag helemaal nergens roken of moet naar buiten voor het roken van een sigaretje.

‘Even een pakje shag kopen’

In een psychiatrische instelling konden cliënten goedkope shag en sigaretten kopen in het winkeltje op het terrein. Voor een aantal ouderen was dat tevens een mogelijkheid om nog enigszins zelfstandig te winkelen. Onlangs besloot de directie, met een verwijzing naar de gewijzigde Tabakswet, dat het ongeloofwaardig is om nog langer rookwaren te verkopen. Daar is men dus mee gestopt. Nu moeten de ouderen en andere verblijfscliënten naar een benzinepomp waar een pakje shag soms meer dan een euro duurder is, waardoor roken wel heel duur wordt. Om bij de dichtstbijzijnde supermarkt met goedkope shag te komen moeten diezelfde ouderen een kwartier stevig fietsen. Dat lukt niet en dus moeten de verpleegkundigen nu shag en sigaretten voor hun cliënten gaan kopen terwijl ze daar eigenlijk geen tijd voor hebben. En zo is iedereen ongelukkig met de situatie.

RH


Meningen

Stelling: ‘Voor veel ggz cliënten is roken een levensbehoefte en moet daarom niet verder beperkt worden.'

Jan Pols, psychiater: ”Het is een grof, inhumaan schandaal dat de overheid in haar kruistocht tegen het roken thans zo ver gaat dat roken ook wordt verboden in psychiatrische ziekenhuizen – waar veel mensen nota bene met dwang worden opgenomen en dus geen keus hebben – en waar het voor velen van hen één van de weinige pleziertjes is. Hoe kan een overheid zo blind zijn! Natuurlijk is roken ongezond, maar er zijn zoveel dingen ongezond. Dik worden is dat ook. Het probleem is hier dat roken onderdeel uitmaakt van hun coping-arsenaal, en dat de overheid die zo bekommerd is over onze gezondheid hier een uiterst ongezonde, de privacy en de coping aantastende maatregel doorvoert zonder een zweem van schaamte of inzicht.” (uit MGv 2003 7I8)

Astrid Boin, ondersteuner cliëntenraad: ”Ben je mal; het ontbreekt rokers gewoon aan de wilskracht om te stoppen en ze zijn ook nog asociaal. Dat is tenminste de mening van veel mensen uit mijn omgeving. Als verstokte roker en blijkbaar ook nog zonder wilskracht sta ik dus tegenwoordig op allerlei rare balkonnetjes te roken. Op de achtergrond hoor ik dan vaak geroezemoes en zijn mensen hele berekeningen aan het maken over hoe vaak ik wel niet op vakantie kan van het geld wat ik aan sigaretten uitgeef. Ik kijk dan op mijn pakje waar extra groot op gedrukt staat dat ik snel dood ga en steek er nog maar eens een op. Helemaal ongevoelig voor deze argumenten ben ik natuurlijk niet. Maar zo'n sigaret is vaak een rustpunt. En helpt je door de dag heen helpt als het eens niet zo goed met je gaat. Voor veel ggz-cliënten is een opname binnen een instelling een slechte periode en is extra ondersteuning in de vorm van een sigaretje van harte welkom. Het zal gewoon altijd zo zijn dat roken voor een bepaalde groep mensen een levensbehoefte blijft waar anderen niets van begrijpen. Accepteer dat en probeer creatief te zijn in oplossingen om overlast tegen te gaan.”

Peter Theyn, teamleider wonen, Rijngeestgroep: ”Het laatste jaar worden de ggz instellingen bestookt met plannen van het ministerie om psychiatrische ziekenhuizen rookvrij te maken. Tot op heden is het zelfs nog niet helemaal duidelijk waar wel en waar niet mag worden gerookt. 70 procent van onze cliënten rookt met veel overtuiging zijn/haar shagje, sigaretten zijn voor de frequente rokers veel te duur. Voor sommigen is het één van de weinige activiteiten die ze graag doen. Nu lijkt het erop dat ook dit beperkt gaat worden. Ondanks dat ik cliënten hun shagje vreselijk gun, hebben we ook te maken met de niet-rokende cliënt en met het personeel dat volgens de wet recht heeft op een ROOKVRIJE werkruimte. En daar begint de schoen te wringen. Plezier tegenover recht. Wat prevaleert?”


Verhaal cliënt

JEZELF SERIEUS NEMEN, DAAR BEGINT HET MEE’

Maurits Niers, cliëntenraadslid van Spatie:

“Begin vorig jaar werd ik opgenomen. Ik was overspannen en hoorde stemmen. Belangrijk doel van mijn opname, zeker in het begin, was dan ook tot rust te komen. Over de behandeling met betrekking tot mijn ziektebeeld ben ik zeker tevreden. Maar dat was geen dagvullende bezigheid. Daarom werd ik voor mijn verdere dagbesteding ingedeeld bij het stabilisatieprogramma. Hoofdonderdeel daarvan was het verplicht dagelijks terugkerend bezigheidsprogramma van 9.00 tot 12.00 uur. In de praktijk kwam dat vooral neer op het inkleuren van kleurplaten. Ik herinner me nog goed dat ik op een gegeven moment bezig was een papagaai keurig te kleuren. De begeleidster - ik schatte haar op ongeveer 20 jaar - kwam naast me zitten en zei: ”wat kun jij dat goed zeg!”. Toen kreeg ik het op m’n heupen en ben onmiddellijk gestopt met het programma. Vervolgens ging ik zelf op zoek naar nuttige en aangename bezigheden. Zo ontdekte ik dat het niet mogelijk was voor cliënten om van internet gebruik te maken, dat het zwembad gesloten was vanwege de hoge onderhoudskosten en dat de bibliotheek eveneens was gesloten, omdat openstelling te duur was. Sporten was wel -beperkt- mogelijk, maar dat ligt me niet zo. Het tonen van eigen initiatief in het zoeken naar dagbesteding was niet lonend, zo werd me wel duidelijk.

Op het moment dat ik inmiddels een overvloed aan vrije tijd had, werd ik benaderd door de cliëntenraad om lid te worden. Het sprak mij direct erg aan om de belangen te behartigen van mensen die meestal niet mondig zijn. Ook nu viel het me op dat eigen initiatief door veel hulpverleners niet op prijs wordt gesteld. Er werd in het algemeen wat lacherig gereageerd door het personeel op mijn lidmaatschap van de raad. Men deed de raad af als ‘vrijwilligersclubje’. ”Dan loop je hier over twintig jaar nog rond met een papieren hoedje op”, zo meende een van de verpleegkundigen. Mijn behandelaar raadde het me ronduit af; hij vond het geen serieuze dagbesteding. Ik was teleurgesteld over die reacties. De Wmcz ( Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen - red.) vereist immers dat cliëntenraden serieus genomen moeten worden. En dat geldt voor iedere werknemer in de instelling, van schoonmaker tot manager. In een convenant met onze Raad van Bestuur is trouwens precies vastgelegd dat cliënten recht hebben om deel te nemen aan de cliëntenraad. Ik heb de indruk dat niet iedereen dat weet. Die emancipatie moet ook groeien; zo’n cultuur veranderen, dat kost wel een generatie. Het serieus nemen van ons als raad, als gesprekspartner, blijkt voor veel werknemers nog erg moeilijk. Van meet af aan heb ik veel tijd gestopt in het raadswerk. Minimaal vier halve dagen per week ben ik druk met allerlei taken. Vergaderen bijvoorbeeld, maar ook praten met medecliënten. Dat varieert van zo maar gezellig een kop koffie drinken tot het bespreken van serieuze problemen. Massa’s stukken doornemen kun je ook een hoofdtaak noemen. De regelgeving binnen de ggz is inmiddels zo complex dat het een verlammende werking heeft op de instelling, maar ook op de raad. Het is helemaal niet moeilijk om mensen te werven voor de cliëntenraad, maar om ze te houden is veel moeilijker. En kijk naar de verpleging en hun hoeveelheid schrijfwerk… aan verplegen komen ze nauwelijks meer toe. Men is organisatorisch bezig en ik zie daardoor nog veel te weinig klantgerichte zorg. Mijn hoop is dan ook dat in de toekomst de lijntjes veel korter worden, dat de raad als een volwaardige gesprekspartner wordt gezien door de Raad van Bestuur, eigenlijk door alle geledingen in de instelling. Daarbij moet me wel van het hart dat, wil je als raad als volwaardige gesprekspartner worden gezien, je eerst jezelf serieus moet nemen. Serieus werken, afspraken nakomen, goede adviezen geven. Een keer met de vuist op tafel willen slaan, voet bij stuk houden. Dat soort dingen. Ik zou best een professionele belangenbehartiger willen worden, betaald, want er moet wel brood op de plank komen. Nee, geen ondersteuner, die taken liggen mij niet zo. Maar mensen stimuleren, ballonnetjes oplaten, overleg voeren met andere organisaties. Kijken hoe het daar gaat. Als ik Spatie daarmee vergelijk, dan denk ik: ‘we zitten aardig op koers’. Als je landelijk kijkt naar cliëntenparticipatie, dan doen we het hier nog niet zo slecht. Maar begin eerst met jezelf serieus te nemen, daarna is pas samenwerking mogelijk.”

AdG


Boekbespreking

Robinetta de Roode schreef boek over de interne rechtspositie in de psychiatrie

‘Overleg moet, een beetje drang mag’

De Wet Bopz (Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen) bevat een flink aantal artikelen over de interne rechtspositie van gedwongen opgenomen patiënten. Onlangs verscheen hierover een overzichtelijk boekje waarin al die artikelen helder worden beschreven en uitgelegd. Schrijfster Robinetta de Roode gaat ook in op een aantal onduidelijkheden van de wet. Wanneer kan er bijvoorbeeld onder dwang behandeld worden?

Een behandelaar kan starten met behandelen, nadat de patiënt hem daarvoor toestemming heeft gegeven. Om de patiënt te bewegen zijn toestemming te geven kan een behandelaar volgens Robinetta de Roode gerust enige drang uitoefenen. Wel is er een grens. Bij teveel druk kan er geen sprake meer zijn van vrijwillige toestemming. “Een behandelaar mag zijn cliënten niet chanteren. Een psychiater kan niet zeggen: als je deze medicatie niet neemt, plaats ik je over naar een gesloten afdeling. Wel zal hij zijn patiënt moeten wijzen op de risico’s van het niet nemen van medicatie. Als de behandelaar verwacht dat het weigeren van medicatie binnen twee weken leidt tot een verslechtering van de toestand van de cliënt die het wel eens nodig zou kunnen maken de cliënt over te plaatsen, behoort hij dat te vertellen. Het kan zijn dat de cliënt dat als bedreigend ervaart, maar hij weet dan tenminste wel waar hij aan toe is.” De Roode is beleidsmedewerkster bij de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG). In haar boek gaat ze in op een aantal onduidelijkheden van de Wet Bopz. Wanneer is er sprake van drang en wanneer van dwang? Hoe behoort een behandelaar zijn cliënten te informeren over de behandeling?

Informatieplicht

Om toestemming voor een behandeling te kunnen geven, heeft de cliënt onder meer informatie nodig over de te verwachten gevolgen en risico’s. In de dagelijkse praktijk informeren behandelaars vaak onvoldoende. De Roode: “Uit onderzoek is gebleken dat cliënten tijdens een gesprek met een arts maar ongeveer 10 tot 20 procent van de informatie onthouden. Cliënten vergeten dus veel. Alleen daarom al moet een arts voortdurend met zijn cliënt overleggen over de behandeling. Dat is het belangrijkste. Over de eventuele vervelende bijwerkingen van de behandeling moet hij dus ook regelmatig met zijn cliënten spreken. Ik vind wel dat een behandelaar bij het voorschrijven van medicatie niet gelijk de hele mikmak van bijwerkingen over zijn cliënten hoeft uit te storten. Hij kan dat gedoseerd doen en moet de informatie op de persoon en de situatie toesnijden. Er is overigens wel een minimum wat de cliënt te horen moet krijgen. Wanneer een arts over de medicatie aan zijn cliënt alleen meldt dat hij er een beetje slaperig van zal worden, is dat onvoldoende. Er kan alleen sprake zijn van een rechtsgeldige toestemming als een cliënt de noodzakelijke informatie heeft gekregen.”

Verzet

Wanneer een cliënt zich verzet, kan de behandeling niet starten. Behalve wanneer voldaan is aan de gronden voor het toepassen van dwangbehandeling. Wat is nu eigenlijk verzet? De Roode schrijft hierover in haar boek: ‘Onder verzet wordt verstaan: feitelijk verzet. Dit kan zich zowel verbaal als non-verbaal uiten. Als de cliënt op enigerlei wijze kenbaar maakt dat hij de behandelinterventie afwijst, is sprake van verzet. Ook hoofdschudden en het maken van afwerende gebaren, zijn dus uitingen van verzet. Lastiger is het als het gedrag van de cliënt en diens woorden met elkaar in tegenspraak zijn; als deze bijvoorbeeld verbaal protesteert, maar ondertussen gewoon meeloopt en meewerkt aan het injecteren van medicatie. Hoe dan ook, in zo’n situatie kan in elk geval niet gesproken worden van toestemming.’ Wat te doen als een cliënt zich blijft verzetten?

“Wanneer een cliënt niet instemt met de behandeling, moet de psychiater vragen naar het waarom van de weigering,” vindt De Roode. “Het kan dat een cliënt behandeling weigert omdat hij bijvoorbeeld bang is voor injecties. Wanneer die cliënt dat bijvoorbeeld uit schaamte niet vertelt, zal een psychiater toch de kunst moeten verstaan dat boven water te krijgen. Hij zal dus uitgebreid moeten doorvragen en het vertrouwen van zijn cliënt zien te houden of te krijgen. Ook moet hij zijn cliënt regelmatig blijven wijzen op het nut en de noodzaak van de behandeling. Toch zal er altijd een groep cliënten blijven die niet instemt met de behandeling.”

Gevaar

Tot voor kort bepaalde de Wet Bopz dat dwangbehandeling alleen kon, voor zover volstrekt noodzakelijk om ernstig gevaar af te wenden voor de cliënt of anderen, voortvloeiend uit een stoornis der geestvermogens. Vorig jaar is een wijzigingsvoorstel aangenomen. Het woordje ‘ernstig’ wordt geschrapt. De Roode: “Ik ben daar niet echt tegen. Wel vind ik het ondoordacht. Er had meer discussie aan vooraf moeten gaan. Dwangbehandeling is bijzonder ingrijpend. Het was oorspronkelijk de bedoeling van de wetgever dat een behandelaar alleen bij hoge uitzondering een cliënt onder dwang kon behandelen; eigenlijk alleen in die situaties waarbij het gevaar zo ernstig is dat er van levensgevaar sprake is. Je kunt natuurlijk als overheid besluiten dat een psychiater ook in minder ernstige situaties de mogelijkheid moet krijgen in te grijpen zonder toestemming van zijn cliënt. Maar het verbaast mij dat die verandering is doorgevoerd zonder dat duidelijk was of dwangbehandeling - ook op de lange termijn - wel effectief is. Er had een uitgebreid principieel debat moeten plaatsvinden over nut en noodzaak van een verruiming.”

Publieke opinie

Hoe het kan dat die wijziging zonder slag of stoot door het parlement is aangenomen, weet de beleidsmedewerkster niet precies. Ze weet wel waar het mee te maken heeft: “De publieke opinie is aan het wijzigen. Er was nogal wat druk van onder meer familieorganisaties om de mogelijkheden voor dwangbehandeling te verruimen. Ook de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP, de beroepsgroep van psychiaters) was er voorstander van. Overigens zullen de meeste behandelaars niet uit zijn op het vaker toepassen van dwangbehandeling. Maar gevolg van de wetswijziging kan toch zijn dat psychiaters minder uitgebreid zullen gaan onderhandelen met hun cliënten en daardoor sneller besluiten om over te gaan tot dwangbehandeling.”

Inschatting gevaar

Een psychiater beslist of er voldoende grond is voor het starten van een dwangbehandeling en zal dus moeten inschatten of het gevaar zodanig is dat er met dwangbehandeling gestart moet worden. Kan een psychiater wel een objectieve inschatting van gevaar maken? Bestaat er niet het risico dat hij teveel zijn eigen normen en waarden mee laat wegen bij die beslissing? “De Wet Bopz bevat veel vage termen zoals ‘gevaar’, verzet en wilsonbekwaamheid. Die moeten nader worden uitgelegd om interpretatieverschillen te voorkomen. De NVvP ziet dit probleem gelukkig ook en is van plan om richtlijnen te gaan maken rond dwang en drang. Dat en uitspraken van rechters en klachtencommissies zullen moeten leiden tot meer duidelijkheid.

Rechter of psychiater

In een onlangs gehouden verhandeling voor de Vereniging voor Gezondheidsrecht sprak Ton- Peter Widdershoven, jurist bij de Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon, zijn verbazing uit over het feit dat het in de wet zo geregeld is dat het besluit om iemand gedwongen op te nemen bij de rechter ligt, maar het besluit om iemand onder dwang te behandelen bij de psychiater. Omdat een dwangopname bijzonder ingrijpend is voor de persoon die het overkomt, beslist een rechter. Maar een dwangbehandeling grijpt ook diep in. Zou het dan niet logischer zijn dat daar dan ook een rechter over beslist in plaats van een psychiater? “Er zit zeker wat in die redenering, ” vindt De Roode. “Het spreekt erg aan, maar het is praktisch niet haalbaar om elke dwangbehandeling door een rechter te laten toetsen. Daarbij klinken toch al zoveel geluiden over te veel juridisering van de psychiatrie. De juridisering zal alleen maar toenemen wanneer een rechter elke dwangbehandeling vooraf toetst. Er zijn ook andere mogelijkheden. Ik zie wel wat in het idee van psychiater J. Remmers van Veldhuizen. Hij pleit voor een commissie van deskundigen die vooraf beslist over een dwangbehandeling. In zo’n commissie zou dan een psychiater, een jurist en een patiëntenvertegenwoordiger moeten zitten. In Australië werken ze met zulke commissies en daar werkt het goed.”

Duur dwangbehandeling

Wanneer een dwangbehandeling eenmaal gestart is, blijkt deze in de praktijk lang te kunnen duren. Volgens De Roode mag dat beslist geen vanzelfsprekendheid zijn: “De Bopz bepaalt dat er elke maand een evaluatie moet plaatsvinden van de dwangbehandeling. Wat mij betreft zou het wekelijks onderwerp van gesprek moeten zijn tussen behandelaar en cliënt. Voortdurend moet een psychiater kijken of de behandeling wel effectief is. Hij moet blijven openstaan voor alle wijzigingen in de situatie. Hij moet blijven spreken met zijn cliënt en daar mag je veel van verwachten. Een psychiater moet goed kunnen communiceren. Je mag zelfs verwachten dat hij dat beter kan dan andere artsen. Goed communiceren is een belangrijk onderdeel van zijn werk.”

AdM

De interne rechtspositie in de psychiatrie is geschreven door mevr. mr. R.P. de Roode. Het is deel 2 van de in totaal 11 te verschijnen delen van de Praktijkreeks Bopz onder redactie van mr. R.B.M. Keurentjes en mr. drs. R.H. Zuijderhoudt uitgegeven door Koninklijke Vermande in 2003.
Van deze reeks verschenen ook:
- deel 1: Klachtrecht en toezicht, door mr.dr. J. Legemaate
- deel 3: Onvrijwillige opnemingen buiten de Wet Bopz, door mr. J.H.H. Evers
- deel 4: De geneesheer-directeur, door mr. dr. R. B. M. Keurentjes en mr. drs. R.H. Zuijderhoudt

Meer informatie over deze en andere uitgaven kunt u verkrijgen bij:
Servicecentrum Uitgevers
Postbus 20014
2500 EA Den Haag
T 070 3789880
F 070 3789783

Volgend kwartaal in de reeks boekbesprekingen: ‘Doen en laten in de Bopz-machtigingsprocedure’, proefschrift van dr. mr. W.J.A.M. Dijkers


Cliënt tevreden met PVP?

De Stichting PVP zoekt naar manieren om de dienstverlening aan cliënten te verbeteren. In de zomer van 2003 doet de Stichting daarom een onderzoek naar de tevredenheid van cliënten met een pvp in hun instelling. In dit onderzoek benadert elke pvp die meer dan een jaar in de instelling werkt, een aantal cliënten voor deelname. De cliënten kunnen op een vragenlijst anoniem hun mening geven over onderwerpen als de bereikbaarheid, betrokkenheid en deskundigheid van de pvp, en over hoe tevreden zij met de pvp zijn. Door de opzet van het onderzoek kan een vergelijking worden gemaakt tussen cliënten die de pvp wel en die de pvp niet bezoeken. Verder is de Stichting benieuwd naar de omstandigheden en werkwijzen die de tevredenheid van cliënten vergroten. De resultaten zullen niet alleen worden gebruikt in de opleiding van nieuwe pvp’en, maar ook om de huidige pvp’en bij te scholen.

Meer dan 400 cliënten hebben al een mening over hun pvp gegeven en de meningen zijn overwegend positief. De resultaten van het onderzoek zullen in de herfst van 2003 bekend worden gemaakt.

AD


Lezers tevreden met de PVP-krant?

Bij de PVP jaarkrant van zomer 2003 was een vragenlijst gevoegd waar de lezers van de PVP-krant hun mening over de krant konden geven. Uit de ingeleverde vragenlijsten heeft de redactie de volgende conclusies getrokken:

  • De lezersgroepen die we hebben, verschillen sterk van elkaar in opleiding, interesse en wensen ten aanzien van de PVP-krant.
  • De redactie mag meer werk maken van de overzichtelijkheid.
  • Cliënten zijn geïnteresseerd in artikelen over de praktijk waarin zij zichzelf kunnen herkennen.
  • De artikelen over de normale praktijk binnen de psychiatrie worden gelezen door zowel cliënten als door ziekenhuismedewerkers en juristen.
  • De artikelen over de problematische kant van de psychiatrie worden vooral door ziekenhuismedewerkers en juristen gelezen. Voor een deel is dit ook voor cliënten interessant.
  • De juridische artikelen zijn vooral interessant voor juristen en klachtencommissies. Deze vragen bijna allemaal om een handzamer formaat van de krant, zodat zij ze kunnen uitprinten en bewaren.

Signalen

Wanneer een patiëntenvertrouwenspersoon in een instelling tekortkomingen tegenkomt die afbreuk doen aan de rechten van cliënten, kan hij in een zogenoemd ‘signaal’ aan de instelling vragen om de situatie te verbeteren. Deze keer een aantal signalen over separatie en de rechten van cliënten met betrekking tot hun dossier.

Monitor

Een pvp loopt langs het raam van het verpleegkantoor op een gesloten afdeling in haar ziekenhuis. Zij ziet de monitor van de camera in de separeerruimte staan en kan rechtstreeks meekijken: niet alleen voor haar, maar voor iedereen die voor het verpleegkantoor op de gang staat, is zichtbaar wat er in de separeerruimte gebeurt. Dit is een behoorlijke aantasting van de privacy van de cliënt die zich in de separeerruimte bevindt, en dus geeft de pvp met spoed een mondeling signaal af aan het afdelingshoofd.

Deze realiseert zich onmiddellijk dat er inderdaad sprake is van een forse aantasting van de privacy en neemt meteen maatregelen. De monitor is nu onzichtbaar voor voorbijgangers opgesteld en alleen verpleegkundigen kunnen hierop kijken.

Informatie in de separeer

Op een aantal plaatsen in het land stellen pvp’en vast dat de informatie voor cliënten in de separeerruimte, niet meer voldoet. In deze ruimte hoort schriftelijke informatie te hangen over de rechtspositie van de gesepareerde cliënt. Onder andere over de separatie zelf, de manier waarop contact gehouden en opgenomen kan worden met de verpleging, het bezoek door een arts en over het feit dat de cliënt contact kan hebben met de pvp, de klachtencommissie, zijn advocaat en eventueel de eerste geneeskundige, plus de manier waarop dit contact gerealiseerd kan worden.

Een pvp stelt vast dat in zijn ziekenhuis de nodige informatie zich niet in de separeerruimte zelf bevindt, maar in de voorruimte. Een cliënt die in de separeer zit, kan dus geen gebruik maken van deze informatie en wordt zo in onzekerheid gehouden over zijn rechten en mogelijkheden.

Als de pvp dit aan het afdelingshoofd voorlegt, gaat deze meteen met de pvp naar de separeerruimten en constateert inderdaad een tekortkoming. Even later krijgt de pvp bericht dat men onderzoekt hoe de informatie het beste binnen in de separeerruimten bevestigd kan worden, en dat dit zo spoedig mogelijk gedaan zal worden.

Een andere pvp ziet bij bezoek aan een cliënt in de separeer dat er wel informatie in de separeerruimte zelf aanwezig is, maar dat deze erg onoverzichtelijk en met erg kleine letters is gedrukt. Verder staan er telefoonnummers op die verouderd en onjuist zijn, onder andere het nummer van de pvp zelf. Per e-mail schrijft de pvp een brief aan het management en krijgt per omgaande bericht, dat haar signaal de volgende dag in het managementoverleg besproken zal worden. Een paar dagen later komt bij de pvp een e-mail binnen waarin het management laat weten dat men het eens is met het signaal van de pvp en zo’n twee en een halve maand nodig zal hebben om de nodige aanpassingen te realiseren. De pvp houdt de vinger aan de pols.

Dossierperikelen

Over het dossier krijgt een pvp altijd veel vragen van cliënten. Voor velen van hen is het een enorme eye-opener dat zij een heel aantal in de wet omschreven rechten hebben ten aanzien van hun dossier. Soms weten cliënten niet eens dat zij hun eigen dossier mogen inzien.

Deze keer krijgt een pvp in zijn ziekenhuis het protocol onder ogen waarin het omgaan met de dossiers van cliënten is geregeld. Hij leest een aantal zaken die het recht van de cliënt onwettig beperken en schrijft hier een signaal over naar de directie.

Allereerst zegt dit protocol dat een cliënt die graag wil dat zijn of haar dossier vernietigd wordt, dit verzoek moet motiveren. Maar, zo schrijft de pvp in zijn signaal, de Wgbo (Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst) stelt alleen dat een cliënt om vernietiging van het dossier kan vragen en dat de hulpverlener dit dossier dan binnen drie maanden vernietigd dient te hebben. De eis van een ‘gemotiveerd verzoek’ gaat dus te ver. De pvp: ‘Instellingsregels en protocollen mogen immers geen eisen of voorschriften bevatten die verder gaan dan wat wettelijk is geregeld.’

Verder noemt het dossierprotocol van dit ziekenhuis een aantal voorwaarden waaronder vernietiging kan plaatsvinden. Deze voorwaarden komen uit de Wbp (Wet bescherming persoonsgegevens): de gegevens die vernietigd mogen worden, moeten feitelijk onjuist zijn, niet ter zake doende zijn, of in strijd met een wettelijk voorschrift in het dossier zijn opgenomen.

De pvp betoogt in zijn signaal dat deze voorwaarden het recht op vernietiging ernstig beperken en in strijd zijn met het recht op vernietiging wat de Wgbo aan de cliënt geeft. De Wgbo stelt namelijk geen voorwaarden aan vernietiging. De Wgbo is specifiek recht gericht op de gezondheidszorg en omdat de Wbp zgn. ‘algemeen recht’ is, gaan de regelingen in de Wgbo voor. De pvp verzoekt dus om deze voorwaarden uit het protocol te schrappen.

Het laatste onderwerp wat deze pvp in zijn signaal aan de directie voorlegt, betreft het recht op correctie en of aanvulling van het dossier. Ook ten aanzien van dit recht wil het protocol in dit ziekenhuis de cliënt beperkingen opleggen. Het stelt aan een cliënt die het dossier wil aanvullen met een correctie of een eigen zienswijze, dezelfde voorwaarden uit de Wbp als bij vernietiging van het dossier (zie hiervoor).

Maar in de Wgbo (artikel 7: 452, lid 2) staat: ‘De hulpverlener of de instelling voegt desgevraagd een door de cliënt afgegeven verklaring met betrekking tot de in het dossier opgenomen stukken aan het dossier toe.’ Dit artikel van de Wgbo geeft een instelling geen ruimte om dergelijke voorwaarden aan een cliënt te stellen. De pvp: ‘Een cliënt heeft dus te allen tijde en om wat voor reden dan ook, het recht een aanvulling in het dossier op te laten nemen.’

De directie van het ziekenhuis laat de pvp weten deze puntjes op de i erg op prijs te stellen en de voorgestelde aanpassingen te verwerken bij de binnenkort te starten actualisering van de protocollen. De pvp heeft hier best vertrouwen in: het is zijn ervaring dat tekortkomingen in regelgeving die hij signaleert, door het ziekenhuis heel zorgvuldig worden weggenomen. Vaak wordt een protocol voordat het gedrukt wordt nog in concept aan hem voorgelegd, met de vraag of de protocollencommissie nog iets over het hoofd heeft gezien.

CA


(On)gegrond

In de rubriek (on)gegrond kunt u opmerkelijke of opvallende uitspraken van klachtencommissies lezen.
Deze keer onder andere over een ongegrondverklaring wegens gebrek aan bewijs en een gegrondverklaring omdat er te weinig is geprobeerd om met cliënt overeenstemming te bereiken.

Open post

Mevrouw B. heeft problemen met haar post. Regelmatig komt het voor dat zij brieven ontvangt die al eerder zijn opengemaakt, brieven die voor haar persoonlijk zijn. Mevrouw B. heeft vrijwillig het beheer van haar financiën overgedragen aan de instelling waar ze verblijft. Deze instelling heeft daar zelfs een speciale stichting voor, de Stichting Geldbeheer van Cliënten. Die behartigt haar financiële belangen zodat mevrouw B. er zelf geen omkijken meer naar heeft. Prachtig geregeld, zou je zeggen. Maar nu is het in de praktijk zo dat de financiële administratie van de instelling de zakelijke post openmaakt van mensen die bij de Stichting Geldbeheer zijn aangesloten. Daarbij vergissen ze zich regelmatig, waarbij ze persoonlijke brieven voor zakelijke aanzien. Zo komen persoonlijke brieven vaak te laat en opengemaakt bij mevrouw B. aan. Mevrouw B. vindt dit ontoelaatbaar en legt het voor aan de klachtencommissie.

De instelling verklaart zo zorgvuldig mogelijk om te gaan met de post van cliënten. Het komt echter wel eens voor dat post die er zakelijk uitziet, persoonlijk blijkt te zijn. Het personeel gaat daar uiterst discreet mee om en stuurt het dan direct verzegeld alsnog naar de cliënt. De klachtencommissie oordeelt echter dat de afspraken over het geldbeheer en het openen van zakelijke post niet duidelijk zijn. De instelling noch de Stichting Geldbeheer hebben duidelijke informatie gegeven aan de cliënten over hoe het precies in zijn werk gaat met de post. Ook is er weinig daadkracht geweest om de regelingen formeel goed af te stemmen. De commissie beveelt aan, dit zo snel mogelijk te regelen. Daarnaast maakt de financiële administratie van de instelling de zakelijke post van de bij de stichting aangemelde cliënten open terwijl daar niet in alle gevallen schriftelijke toestemming voor is gegeven. De cliënten hebben hun zaken immers aan de Stichting Geldbeheer overgedragen, niet aan de instelling. De klachtencommissie verklaart de klacht dan ook gegrond en beveelt aan dat de financiële administratie met spoed gaat onderzoeken of ze wel volmacht heeft van alle cliënten van wie ze de post openen.

Ongewenst aanraken

Een knappe jonge vrouw is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. De afdeling waar ze zit is gezellig en er is een goede band tussen verpleging en cliënten. Ze voelt zich er dan ook al snel thuis. Vooral met een van de verplegers kan ze goed opschieten. Ze vindt hem de aardigste van het team en als ze over haar problemen wil praten, luistert hij altijd goed. Toch gebeuren er af en toe dingetjes die haar niet lekker zitten. Een aai die net iets te lang duurt. Grapjes met seksuele implicaties. Haar net iets te dicht tegen zich aantrekken. Maar ach, dat zijn grapjes, ze zijn maatjes, dat moet kunnen. Als ze last heeft van haar zere been vraagt ze hem om haar te masseren. Dan gaat het mis: eenmaal in haar kamer raakt hij haar aan waar ze het niet wil. Ze schrikt er erg van, voelt haar vertrouwen geschonden en haar veiligheid aangetast, en stapt naar de klachtencommissie.

Gelukkig gaat het ziekenhuis serieus om met haar klacht. De verpleger wordt tijdelijk overgeplaatst naar een andere afdeling, zodat ze elkaar niet hoeven te zien terwijl de klachtenprocedure gaande is. Tijdens de hoorzitting worden ze apart van elkaar gehoord. De zitting verloopt moeizaam. Het is ook zo’n emotioneel beladen klacht. De commissie luistert naar haar verhaal en stelt vragen. Dat is lang niet makkelijk, want het is voor haar erg moeilijk om erover te praten.

De verpleegkundige doet verslag van de gebeurtenissen, hierin komen andere aspecten naar voren dan uit het verhaal van de klaagster. Hij herkent het verhaal van klaagster niet. Volgens hem zijn er geen ongewenste intimiteiten voorgevallen en heeft hij zich als een goed verpleegkundige gedragen. Ze hebben nooit ruzie gehad en er zijn geen situaties geweest die voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn. Hij is oprecht geschokt door de klacht en begrijpt niet waar het vandaan komt.

Een cliënte betasten is niet volgens de professionele normen van verpleegkundigen, betoogt de pvp. Daarnaast staat in de gedragsregels voor personeel van het ziekenhuis heel duidelijk waar de grenzen liggen. Dat het door de vrouw genoemde gedrag daar overheen gaat, staat als een paal boven water. Helaas voor de vrouw verklaart de klachtencommissie de klacht toch ongegrond, bij gebrek aan bewijs. De klaagster beweert dat het wel gebeurd is, de aangeklaagde beweert van niet. Er zijn geen getuigen. De ongegrond-verklaring betekent in dit geval: we weten niet wie er gelijk heeft, dus we kunnen er geen oordeel over vellen. De verpleger komt daarom terug op de afdeling; omdat de spanning tussen hen inmiddels te groot is geworden om werkbaar te zijn, wordt de vrouw overgeplaatst naar een andere plek. Gelukkig heeft ze het daar goed naar haar zin en kan ze een paar maanden later naar huis terug.

Dwang

Meneer De C. heeft een heel vervelend begin van het nieuwe jaar gehad. Een paar uur voordat de klok twaalf sloeg heeft hij voor het eerst tegen zijn wil medicijnen gehad. Daarna kreeg hij iedere week zo’n prik met dat spul. Hij wilde dat niet, maar vond geen gehoor bij zijn behandelaars. En hij wist niet tot wie hij zich zou moeten wenden om iets te doen tegen de gedwongen medicatie. Van lieverlee en met veel vijven en zessen hoorde hij van de pvp. Deze stelde voor om samen naar de klachtencommissie te gaan. De klacht die de commissie later die week ontving bestond uit twee delen: de dwangbehandeling zelf, en dat er zo weinig informatie was gegeven over de dwangbehandeling en beroepsmogelijkheden daartegen. De gedwongen toediening van medicatie werd stopgezet nu er een klacht tegen liep.
De commissie bekeek alles zorgvuldig. Meneer De C. was met name tegen de medicijnen vanwege de bijwerkingen ervan. Daarbij vond hij zelf dat het beter met hem ging als hij bepaalde antroposofische medicatie nam waar hij goede ervaringen mee had. De behandelaars gaven ter zitting aan deze medicijnen niet te kennen en dat er weinig bekend was over de bijwerkingen waar meneer zoveel last van had. Het gevaar op grond waarvan de behandelaars meenden meneer tegen zijn wil medicijnen te moeten geven, werd door de commissie onder de loep genomen. Het had te maken met zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. De commissie oordeelde echter dat deze redenen niet toereikend waren voor een dergelijke ingrijpende maatregel. Daarnaast vond de commissie dat niet bleek dat er voldoende was geprobeerd om in onderling overleg met meneer De C. tot een behandelplan te komen waar hij zich wel in kon vinden. De klacht over de dwangmedicatie werd daarom gegrond verklaard. Het tweede deel van de klacht, te weinig informatie over de behandeling, bleek ongegrond. De commissie vond echter wel dat het ziekenhuis op dit punt zou kunnen verbeteren, en deed de aanbeveling dat voortaan iedere patiënt bij het eerste contact met de instelling de brochures over rechten en voorzieningen overhandigd zou moeten krijgen.

Scheurkleding

Mevrouw Van D. kwam te laat terug van een uitstapje buiten de afdeling. Ze had wel gebeld dat het later werd maar toch werd ze bij terugkomst meegenomen voor een gesprek en voor ze het wist belandde ze in de separeer. Ze kreeg de opdracht zich uit te kleden en de klaargelegde scheurkleding aan te trekken. Ze was erg boos en van haar stuk over wat er allemaal gebeurde. Ze was, vond ze, om onjuiste redenen meegenomen naar de separeer en nu moest ze zich nog uitkleden ook in zo’n vernederend scheurhemd? Toen ze niet meewerkte, werd ze door de verpleging weinig zachtzinnig uitgekleed. Eén vrouwelijke verpleegkundige kleedde haar uit, terwijl twee mannelijke erbij stonden en toekeken. Uit woede en frustratie over de hele gang van zaken rukte ze haar sieraden af, die daarbij beschadigden. Toen ze eenmaal in de separeer zat, kreeg ze geen koffie of thee en niet de verzorgingsproducten waar ze om vroeg in verband met een lichamelijk ongemak. ’s Nachts lag ze daardoor in haar eigen urine. Mevrouw heeft nachtmerries overgehouden aan de separatie en de vernederende gang van zaken. Met behulp van de pvp legde ze de volgende klachten aan de commissie voor: het zonder noodzaak scheurkleding moeten aantrekken, in aanwezigheid van mannelijke verplegers, waarbij hardhandig werd opgetreden; en het niet krijgen van de benodigde verzorgingsproducten.

Tijdens de zitting gaf de aangeklaagde partij aan dat mevrouw bij terugkomst van haar uitstapje onder invloed leek te zijn en geagiteerd was. Daar ze ook nog bekend was met psychotische klachten, en tamelijk dreigend overkwam, leek het hen beter haar te separeren. De separatie zelf was echter niet een van de klachten dus de commissie heeft geen uitspraak gedaan over de verschillende lezingen van de gebeurtenissen die avond.

Naar de kledingkwestie wordt zorgvuldig gekeken. Noch het dienstboek van het ziekenhuis, noch de inspectierichtlijnen schrijven voor dat scheurkleding in de separeer tot de standaardprocedure behoort. Dit is alleen nodig als er gevaar is, of indien de persoon in kwestie geen gewone kleding verdraagt. Voorts zegt de inspectie dat de aanwezigheid van personeel van de andere sekse zoveel mogelijk moet worden vermeden in dit soort situaties. Op deze punten wordt de klacht dan ook gegrond verklaard. De Raad van Bestuur krijgt de aanbeveling een beleid vast te stellen ten aanzien van scheurkleding in spareers. Dat het personeel hardhandig was bij het omkleden, verklaart de commissie ongegrond: het is onvermijdelijk iemand die niet omgekleed wenst te worden, stevig vast te pakken, en de commissie heeft niet de indruk dat de verpleegkundigen hierbij meer geweld dan nodig hebben gebruikt.

Als laatste was er de klacht over het niet krijgen van verzorgingsproducten tijdens de separatie. Nog los van het feit dat de zaken waar mevrouw Van D. om vroeg, heel redelijk waren, blijkt een deel van het dossier zoek te zijn. De instelling kan daardoor niet aantonen dat ze genoemde verzoeken zouden hebben ingewilligd; dat zou in het verdwenen gedeelte van het dossier hebben gestaan. Daarom acht de commissie de stelling van mevrouw niet weersproken en verklaart de klacht gegrond.

WW


Rechtpraak

De Juridische afdeling van de Stichting PVP buigt zich in ieder nummer over interessante rechtspraak in de ggz. Deze keer: een poging tot gedwongen opname van een minderjarige, een klacht via de Inspectie, over de bevoegdheid voor het afgeven van een geneeskundige verklaring, geen voorwaardelijke machtiging op eigen verzoek, het toetsen van een dwangbehandeling en vrijwillige separatie. Maar eerst een ingewikkelde zaak die bij de Hoge Raad speelde.

De nodige bereidheid en de machtiging

De Rechtbank Almelo verleent een machtiging voor een man die weliswaar verklaart vrijwillig in de instelling te willen blijven, maar daaraan de voorwaarde verbindt dat hij onder een ander regime, met meer vrijheden, komt te vallen. De rechtbank oordeelt dat niet kan worden gezegd dat de man bereid is tot een vrijwillig verblijf. De rechtbank acht het aannemelijk dat men het niet eens kan worden over het toe te passen regime en dat de man om die reden de instelling zal verlaten. De man stapt naar de Hoge Raad en betoogt daar dat de rechtbank de machtiging niet had mogen verlenen omdat hij wel ‘de nodige bereidheid’ tot het verblijf in de instelling toonde. De Advocaat-generaal bij de Hoge Raad stelt echter in zijn conclusie dat het ontbreken van die nodige bereidheid “als zodanig” geen wettelijk vereiste is voor het verlenen van een machtiging. “Om een opneming in een psychiatrisch ziekenhuis waaraan geen rechterlijke machtiging ten grondslag ligt, rechtmatig te doen zijn, is (…) voldoende dat de patiënt blijk geeft van de nodige bereidheid. Maar omgekeerd geldt niet, dat de rechter geen voorlopige machtiging of machtiging tot voortgezet verblijf zou mogen verlenen zodra de patiënt blijk geeft van zijn bereidheid tot opneming en verblijf. De rechter toetst of voldaan is aan het gevaarscriterium (art. 2 lid 2). In dat verband beoordeelt de rechter of een ter terechtzitting uitgesproken bereidverklaring van de patiënt voldoende reëel is om een daadwerkelijke opneming (respectievelijk een daadwerkelijke voortzetting van het verblijf, maar dan als vrijwillig patiënt) te bewerkstelligen en, zo ja, of het gevreesde gevaar daarmee wordt weggenomen”, aldus de Advocaat-generaal. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank met haar overwegingen ten aanzien van “de nodige bereidheid” tot uitdrukking heeft gebracht dat door de voorwaardelijke bereidverklaring van de man het gevaar niet kan worden weggenomen, en dat de rechtbank daarmee geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het beroep wordt verworpen (HR 6-12-2002, BJ 2003, 1).

Het standpunt van de Advocaat-generaal is opmerkelijk, nu de Hoge Raad in het verleden het ontbreken van “de nodige bereidheid” expliciet als voorwaarde voor het verlenen van een rechterlijke machtiging heeft geformuleerd (HR 22-7-1998, kBJ 1998, 41; tevens gepubliceerd in PVP-krant 1998, nr. 3, p. 13). Het thema ‘de nodige bereidheid’ was eveneens aan de orde in HR 2-11-2001 (BJ 2002, 1), waaraan wij in PVP-krant 2002, nr. 2 (p. 13) aandacht besteedden. Wij merkten op dat het standpunt van de Advocaat-generaal in die zaak leek te impliceren dat bij wisselende stemmingen van een vrijwillig opgenomen patiënt al een inbewaringstelling of rechterlijke machtiging zou moeten worden aangevraagd, terwijl tot dusver werd aangenomen dat de omzetting van een vrijwillig naar een onvrijwillig verblijf pas aan de orde kwam als de patiënt expliciet aangaf het ziekenhuis te willen verlaten. In het standpunt in de onderhavige zaak geeft de Advocaat-generaal nadere verduidelijking op dit punt:”(…) Heeft een patiënt zich eenmaal vrijwillig laten opnemen, dan wordt zijn nodige bereidheid tot verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis verondersteld voort te duren totdat de patiënt ervan blijk geeft het vrijwillig verblijf in het ziekenhuis te willen beëindigen of in een zodanige toestand geraakt dat hij niet langer in staat kan worden geacht zijn wil met betrekking tot het verblijf te bepalen (…)”.

Machtiging tot uithuisplaatsing geen Bopz-titel

Een voogdij-instelling vraagt voor een minderjarige die onder toezicht is gesteld, bij de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing teneinde hem tegen zijn wil te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis. De instelling baseert het verzoek mede op art. 53 lid 2 sub h van de Wet Bopz, waarin ‘een afschrift van een tot opneming voor onderzoek of observatie strekkende beschikking op grond van enige daartoe de mogelijkheid openende wettelijke bepaling’ als een bescheid voor gedwongen opneming en verblijf wordt erkend. Hoewel de kinderrechter termen aanwezig acht om de minderjarige uit huis te plaatsen, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank concludeert dat een machtiging tot uithuisplaatsing geen beschikking is in de zin van art. 53 lid 2 sub h Wet Bopz, zodat gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis op die basis niet mogelijk is. Nu de minderjarige geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis kan deze alleen met een Bopz-titel worden bewerkstelligd, aldus de rechtbank (Rb Roermond 12-9-2002, BJ 2003, 15).

De kinderrechter in ’s Gravenhage oordeelde eerder anders over deze materie in haar uitspraak van 22-7-1998 (kBJ 1998, 48) en merkte de machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:261 BW) wel aan als een beschikking als bedoeld in art. 53 lid 2 sub h Wet Bopz.

Klachtroute via inspecteur

Een patiënt die krachtens een strafrechtelijke maatregel in een, op het terrein van een algemeen psychiatrisch ziekenhuis gelegen, forensische kliniek verblijft, wordt beperkt in zijn bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis. De kliniek hanteert een zogenaamde ‘nuloptie’ bij opname. Dit houdt in dat patiënten bij binnenkomst in het geheel geen vrijheden hebben en dat pas daarna de individuele situatie wordt bekeken en vastgelegd in een behandelplan. De patiënt vindt de standaardbeperking in strijd met het in art. 40 lid 3 Wet Bopz neergelegde recht op bewegingsvrijheid en stapt achtereenvolgens naar de klachtencommissie van het ziekenhuis en, via de inspectie, naar de rechtbank. De rechtbank acht de ‘nuloptie’ onrechtmatig, nu deze niet op de Wet Bopz is gegrond, maar uitsluitend berust op het met de Wet Bopz strijdige huisreglement van de kliniek. De rechtbank oordeelt voorts dat het recht op bewegingsvrijheid uitsluitend betrekking heeft op de afgeperkte forensische kliniek en niet op het gehele ziekenhuisterrein, omdat de betreffende kliniek als een zelfstandig psychiatrisch ziekenhuis moet worden aangemerkt. De klacht wordt gegrond verklaard voor zover deze zich richt tegen de beperking van de bewegingsvrijheid in en rond die kliniek (Rb ’s Hertogenbosch 27-3-2003, BJ 2003, 31).

Opmerkelijk aan deze uitspraak is onder meer dat de patiënt gebruik heeft gemaakt van de klachtroute via de inspecteur. Deze mogelijkheid is neergelegd in art. 41 lid 7 Wet Bopz. Van deze mogelijkheid werd tot dusver niet of nauwelijks gebruik gemaakt, omdat de patiënt zich ook rechtstreeks tot de rechtbank kan wenden (art. 41 lid 11). Het voordeel van de klachtroute via de inspecteur is dat de patiënt geen griffierecht hoeft te betalen; immers de inspecteur is dan de verzoeker, en het griffierecht zal dan daar in rekening worden gebracht. Het heffen van griffierecht levert voor patiënten een onwenselijke financiële drempel op, temeer daar het bij het klachtrecht van de Wet Bopz om aantastingen van fundamentele vrijheden gaat.

Geneeskundige verklaring door arts-assistent?

Art. 5 lid 1 Wet Bopz vereist ter verkrijging van een voorlopige machtiging een verklaring van ‘een psychiater die betrokkene met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht maar niet bij diens behandeling betrokken was’. Welke eisen aan die psychiater en het onderzoek mogen worden gesteld kwam aan de orde in de twee onderstaande uitspraken van de Rechtbank Amsterdam, waarna de Hoge Raad zich over de materie uitsprak.

In de eerste Amsterdamse zaak (Rb Amsterdam 17-10-2002, BJ 2003, 6) achtte de rechtbank de door de psychiater in opleiding opgestelde geneeskundige verklaring niet toereikend, nu diens onderzoek buiten aanwezigheid van een psychiater had plaatsgevonden en de patiënt evenmin voorafgaande aan het opstellen van de verklaring door een psychiater was onderzocht. Het onderzoek dient in beginsel te worden uitgevoerd door een psychiater, althans in diens aanwezigheid en onder diens directe supervisie, aldus de rechtbank.

In de tweede zaak (Rb Amsterdam 13-11-2002, BJ 2003, 7) achtte de rechtbank de op onderzoek van een psychiater in opleiding gebaseerde verklaring wél toereikend, nu de ondertekenend psychiater had verklaard volledig achter het onderzoek en de verklaring zelf te staan. Onderzoek en verklaring waren onder verantwoordelijkheid van de betreffende psychiater tot stand gekomen en hij was fysiek en actief betrokken geweest bij het opstellen van de verklaring.

Een andere rechtbank verleende een voorlopige machtiging op basis van een door een arts-assistent opgestelde en door een psychiater mede ondertekende geneeskundige verklaring.

In dit geval had de psychiater de patiënt weliswaar geobserveerd, maar niet zelf gesproken of onderzocht. De patiënte wendde zich tot de Hoge Raad en voerde daar, onder meer, aan dat deze handelwijze in strijd was met art. 5 lid 1 Wet Bopz. De Hoge Raad stelt haar in het gelijk: een psychiater is alleen een arts die bevoegd is de titel van psychiater of zenuwarts te voeren (art. 1 lid 1 aanhef en onder j) en deze dient de patiënt in een direct contact te spreken en te observeren. De Hoge Raad merkt nog op dat het de psychiater vrij staat een arts-assistent in te schakelen bij zijn onderzoek, maar dat juist ook dan uit de geneeskundige verklaring moet blijken hoe de patiënt door de psychiater is onderzocht in de zin van art. 5 lid 1 (HR 21-2-2003, BJ 2003, 20).

De Hoge Raad benadrukt het belang van een goede rechtspleging in zaken die tot vrijheidsbeneming leiden en verwijst daarbij naar de vereisten die het Evrm (Europees Verdrag voor de rechten van de mens) en de Grondwet daaraan stellen. Ook wordt expliciet verwezen naar de beroemde arresten Winterwerp en Herczegfalvy van het Europees Hof, waarin ten aanzien van onvrijwillige opneming in een psychiatrisch ziekenhuis is geoordeeld dat “the individual concerned must be reliably shown to be of unsound mind, that is to say, a true mental disorder must be established before a competent authority on the basis of objective medical expertise”. Eerder (HR 21-6-1996, NJ 1997, 343; ook gepubliceerd in PVP-krant 1996, nr. 2, p. 15) oordeelde de Hoge Raad dat “objective medical expertise” een persoonlijk voorafgaand onderzoek van de patiënt door de specialist inhoudt.

Geen voorwaardelijke machtiging op eigen verzoek

De Rechtbank Arnhem krijgt te oordelen over een machtiging op eigen verzoek voor een thuiswonende vrouw aan wie voorwaardelijk ontslag was verleend in het kader van een machtiging tot voortgezet verblijf. Deze machtiging is intussen verlopen en het doel van de verzochte machtiging is sneller te kunnen ingrijpen op het moment dat de vrouw weer psychotisch raakt en vervalt in zelfdestructief gedrag en verwaarlozing van haar kind, zoals in het verleden is geschied. De bedoeling is dat de machtiging pas middels een opname wordt geëffectueerd als nader omschreven omstandigheden zich voordoen. De rechtbank wijst het verzoek af omdat niet aan de wettelijke vereisten voor een machtiging op eigen verzoek is voldaan, nu een actuele bereidheid tot opname ontbreekt en er nog alternatieven buiten een psychiatrisch ziekenhuis voorhanden zijn. De rechtbank overweegt daarbij dat honorering van het verzoek ertoe zou leiden dat er geen rechterlijke toetsing meer plaatsvindt op het moment dat de vrouw daadwerkelijk wordt opgenomen. De rechtbank merkt op dat de bedoelingen met de verzochte machtiging de richting van een zelfbindingsverklaring uitgaan; volgens het wetsvoorstel zelfbinding wordt een rechterlijke zelfbindingsmachtiging echter pas verleend wanneer de in de verklaring omschreven omstandigheden zich inmiddels voordoen, zodat ook hierbij geen aanknoping kan worden gezocht (Rb Arnhem 7-10-2002, BJ 2003, 9).

De vrouw gaat in hoger beroep bij het Gerechtshof in Arnhem. Zij voert onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de toekomstige zelfbindingsmachtiging. Zij verwijst in plaats daarvan naar jurisprudentie van de Hoge Raad, volgens welke in een soortgelijke situatie een voorwaardelijke machtiging mocht worden verleend. Het hof erkent de door de vrouw aangehaalde jurisprudentie, maar deze heeft geen betrekking op de machtiging op eigen verzoek. Nu hieromtrent in de lagere rechtspraak verschillend wordt geoordeeld, wil het hof niet vooruitlopen op de nog niet in werking getreden wettelijke regeling van de voorwaardelijke machtiging (waarbinnen een eigen verzoek wel mogelijk zal zijn). Het hof beoordeelt het verzoek dan ook aan de hand van de huidige wettelijke regeling en constateert dat daaraan niet is voldaan. Een behandelingsplan in de zin van de wet ontbreekt, evenals de actuele bereidheid tot opname en het vereiste gevaar. De uitspraak van de rechtbank wordt bekrachtigd (Gerechtshof Arnhem 25-3-2003, BJ 2003, 22).

Regelmatige toetsing dwangbehandelingsplan

Bij de Rechtbank Dordrecht wordt een klacht ingediend over een dwangbehandeling in de vorm van separatie op basis van een stappenplan. Op basis van dit plan is in tien weken tijd zeven keer separatie toegepast van enkele uren tot dagen achtereen. In het plan is de bepaling opgenomen dat de dwangbehandeling wordt beëindigd als er langere tijd geen dwangmiddelen meer hoeven te worden toegepast. Volgens de rechtbank is de bepaling over de beëindiging van de dwangbehandeling veel te vaag, zo vaag zelfs dat er feitelijk sprake is van dwangbehandeling voor onbeperkte tijd. Immers steeds als er besloten wordt tot separatie, gaat er een nieuwe niet vastgestelde termijn lopen. Bovendien is niet duidelijk vastgelegd dat de noodzaak voor de separaties regelmatig wordt getoetst, waardoor de rechten van de betrokkene niet voldoende gewaarborgd zijn. De rechtbank bepaalt dat het huidige plan nog zeven weken mag worden toegepast. Daarna moet er opnieuw bekeken worden of een dwangbehandeling voor betrokkene noodzakelijk is om ernstig gevaar af te wenden in de zin van art. 38 lid 5 Wet Bopz. Mocht dit het geval zijn dan mag het nieuwe dwangbehandelingsplan niet langer dan drie maanden gebruikt worden. Ook eventuele opvolgende dwangbehandelingen mogen niet langer duren dan telkens drie maanden (Rb. Dordrecht, 9-4-2003, BJ 2003, 29).

Vrijwillige separatie

Bij de Rechtbank Amsterdam wordt een voorlopige machtiging verzocht voor een vrouw die vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft. De behandelend psychiater deelt op de zitting mee, dat de vrouw de orde op de afdeling heeft verstoord door ontremd gedrag en fysieke en verbale agressie tegen de verpleging en de medepatiënten. Als gevolg hiervan moest er worden ingegrepen, waaronder een keer met separatie, zonder de instemming van de vrouw. De psychiater geeft aan de machtiging te willen om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen zonder achteraf melding te moeten maken aan de inspecteur van de Volksgezondheid. De vrouw zelf zegt geen bezwaar te hebben tegen separatie als haar behandelaars dat nodig achten. De rechtbank oordeelt dat een machtiging een te zwaar middel is; de vrouw heeft geen bezwaar tegen het al jarenlange verblijf in het ziekenhuis en ook niet tegen een verblijf in de separeer als haar behandelaars dat nodig achten. Bovendien heeft ze geen aanstalten gemaakt om het ziekenhuis te verlaten. De rechtbank wijst het verzoek af (Rb. Amsterdam, 12-8-2002, BJ 2003, 5).

Curieus aan deze zaak is de opmerking van de psychiater de machtiging te willen om te kunnen ingrijpen zonder melding te hoeven maken aan de inspecteur; melden aan de inspecteur van een onvrijwillige separatie is immers ook met een Bopz-titel noodzakelijk.

AB/GK


Verhaal PVP

Een dag uit het leven van een helpdeskmedewerker

Ik daal af, de koelte in. De tropische temperatuur is gelukkig nog niet doorgedrongen tot mijn nieuwe werkplek: de Helpdesk PVP. Ik ben benieuwd hoe ik het zal vinden. Ik neem plaats achter het bovenmaatse telefoontoestel dat mij deze dag zal verbinden met allerhande klagers en ontevreden ggz-cliënten. Van de vier berichten die er op het antwoordapparaat staan, versta ik alleen de eerste twee. Het derde bericht wordt niet ingesproken, maar ingeschreeuwd door een zeer boze meneer die vindt dat hij onterecht is opgenomen. Hij vergeet helaas te zeggen waar. Van het vierde bericht begrijp ik dat het een mevrouw is. Ze spreekt zeer snel en onduidelijk. Zelfs na een paar keer terugspoelen van het bandje wordt het mij niet duidelijk hoe haar naam is, en waar ik haar kan bereiken.

Tien uur: de dag kan beginnen. Het is alsof er een startschot afgaat; de telefoontjes stromen gelijk binnen. Wat onwennig nog sta ik de mensen te woord en probeer de nieuwkomers in de wacht te zetten. Soms gaat dit mis. Gelukkig nemen de mensen mij mijn onhandigheid niet kwalijk. Er zijn cliënten die bellen met vragen over hun rechtspositie. Die kan ik snel en makkelijk beantwoorden. “Ik ben gedwongen opgenomen,” vertelt iemand me. “Maar ik heb door alle gebeurtenissen geen enkel vertrouwen meer in het huidige ziekenhuis. Kan ik worden overgeplaatst naar een ander ziekenhuis?” Ik vertel over artikel 43 van de Wet Bopz, waarin staat dat cliënten met zo’n verzoek zich tot de geneesheer-directeur kunnen wenden. Ook vertel ik dat de pvp van het ziekenhuis kan helpen bij het opstellen van dit verzoek.

Er is een ambulante cliënt aan de lijn die al tijden ontevreden in behandeling is, maar niet weet dat er voor een behandeling toestemming nodig is van de cliënt. Een behandelplan heeft zij nooit onder ogen gehad. Ook is er een vraag van een ambulante cliënt die vraagt of hij recht heeft op een andere behandelaar. Hij heeft het bijna een half jaar met haar geprobeerd, maar ze blijft uit de hoogte doen. Met de vorige hulpverlener had hij deze problemen nooit. Ik wijs hem op het recht om een andere hulpverlener te kiezen; hij reageert met een zucht van verlichting.

Er zijn ook mensen die bellen met vragen die heel wat moeilijker te beantwoorden zijn. Vragen over een ongegrondverklaring van een klacht over dwangbehandeling bij de klachtencommissie; hoe dit onrecht mogelijk is. Vragen over de onheuse bejegening van een nachtdienst; hoe dat nu toch kan, want hij had in een drie-gesprek met de pvp toch beterschap beloofd? Ik verwijs deze mensen terug naar de lokaal werkende patiëntenvertrouwenspersoon die met deze klachten beter uit de voeten kunnen. Ik beloof wel om hen dit alvast via een mailtje onder de aandacht te brengen. Dan zijn er ook nog bezorgde familieleden die bellen en mensen die alleen even een stem willen horen of hun ei kwijt willen aan een behandelneutraal persoon. Voor de familieleden kan ik gezien mijn functie niets doen en voor de andere mensen heb ik eigenlijk bijna geen tijd. Ik vermoed dat dit een drukke dag is.

Gelukkig wordt het ’s middags wat rustiger. Ik heb de tijd voor een telefonische klachtenbehandeling. Het gaat om een meneer die aan het einde van de week met ontslag moet. Heel anders dan zijn mobiele behandelaar had verteld, moet hij weg, terwijl hij zich nog belabberd en in crisis voelt. Hij wil dan ook per se blijven tot hij zich beter voelt. De behandelend psychiater luistert gelijk aandachtig naar mijn argumenten en geeft – enigszins tot mijn verbazing – toe dat zijn beslissing misschien wat kort door de bocht was. Ja, de beslissing was tot stand gekomen door het protocol te volgen wat voor deze cliëntengroep gold, maar hij had eigenlijk niet gekeken welke afspraken er al waren gemaakt. Te druk vanwege de vakantie. Wat hem betreft kon meneer dus nog blijven en zou hij dit keer ook met de mobiele behandelaar overleggen.

Dit voelt goed; binnen een vloek en een zucht heb ik via de telefoon een klacht opgelost voor een meneer die ik niet ken en in overleg met een arts die ik niet ken. Ik kijk op mijn horloge, het is bijna vier uur. Ik denk dat ik maar ga afsluiten voordat er een klacht komt die ik niet krijg opgelost.”

JWvD


Colofon

De PVP-krant is een uitgave van de Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon. De doelstelling van de Stichting PVP is advies en bijstand verlenen aan patiënten/cliënten in de Geestelijke Gezondheidszorg (ggz) bij de handhaving van hun rechten. Hiervoor is in elke ggz-instelling in Nederland een pvp aanwezig.
Als u vragen heeft naar aanleiding van deze PVP-krant, of als u vragen of klachten heeft over uw behandeling of verblijf in de instelling, neem dan contact op met de pvp in uw regio. Naam en telefoonnummer kunt u vinden op de posters in de instelling, of u kunt bellen met de landelijke Helpdesk PVP, T 0900 4448888.

Aan deze PVP-krant werkten mee: Carla Andringa, Ada Blok, Ad Deenen, Jan Willem van Drunick, Arianne de Geus, Roeland Hofstee, Geri Koelewijn, André de Mol, Welmoet Wels, en Ton Peter Widdershoven.