|
Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg
13e jaargang nummer 4 winter 2003
Inhoudsopgave
Voorwoord
Winfried Raaphorst, pvp voor GGZ Drenthe Zuid-West over hoe het kan bestaan dat je geen
gelijk krijgt en toch tevreden bent.
Geachte lezer,
Hoe kán het bestaan dat je geen gelijk krijgt en toch tevreden bent. Me dunkt, als je
er toch zeker van bent gelijk te hebben dan wil je dat bevestigd krijgen: inderdaad, je
hebt helemaal gelijk! Maar het kan nog sterker. Gelijk krijgen maar dan toch niet helemaal
tevreden zijn.'Deze krant opent met de uitkomsten van een enquête die door de Stichting
PVP onder cliënten gehouden is, naar ervaringen met klachtencommissies. Hierin komt onder
andere naar voren, dat cliënten tevreden of ontevreden kunnen zijn met de
klachtencommissie, ongeacht de uitspraak.
Krijg je gelijk, is het weer niet goed. Of wordt de klacht ongegrond verklaard, is de
cliënt niet ontevreden. De cliënt is toch naar de klachtencommissie gegaan om gelijk te
krijgen? Maar de houding van de klachtencommissie: goed luisteren, vragen stellen, zich in
de zaak verdiepen, bepaalt toch ook in grote mate of de cliënt tevreden is. Ik herinner
me een cliënte die haar klacht aan de klachtencommissie had voorgelegd. Ik had haar
dossier gelezen, pleitnota geschreven, een en ander voor de zitting nog eens goed met haar
doorgesproken, kortom, aan de voorbereiding zou het niet liggen. De zitting duurde een
uur. Daarna dronken we samen een kop koffie en ik zeg: 'Wel...., benieuwd wat de uitspraak
is.' Maar cliënte was daar minder mee bezig: 'Zag je hoe de psychiater het hemd van het
lijf werd gevraagd!' merkte ze opgetogen op. 'En al die vragen die ze míj stelden. Goeie
zitting!' Zonder verder op de uitspraak na deze zitting in te gaan, wil ik hier wel
onthullen dat de situatie zich voor kan doen dat een cliënte tevreden is met de uitspraak
van de klachtencommissie en de pvp niet. Dat er naar zijn idee niet voldoende recht gedaan
is aan de klacht van de cliënt. Maar daarover ging het onderzoek niet.
Ook verder in deze krant nog meer over het functioneren van klachtencommissies, en heel
wat boeiende verslagen van rechts- en klachtencommissiezittingen. Nieuws is er te melden
over de voorwaardelijke machtiging, en ook heel belangrijk: onze herziene
voorlichtingsbrochures worden aangekondigd! Veel leesplezier!
Winfried Raaphorst, pvp voor GGZ Drenthe Zuid-West
Onafhankelijkheid klachtencommissies moet groter
Onderzoek naar klachtrecht in de praktijk
Psychiatrische patiënten die klagen bij een klachtencommissie hebben vaak het gevoel
dat die commissie niet onafhankelijk is. Dat leidt tot ontevredenheid. Deze cliënten zijn
wel tevreden als de leden van de klachtencommissie niet in dienst zijn van het ziekenhuis.
Dit blijkt uit een onderzoek van de Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon.
Sinds de Krankzinnigenwet is er een hoop veranderd. Een van de zegeningen van de
hedendaagse wetgeving in de psychiatrie is het recht om te klagen. 'Elke zorgaanbieder
treft een regeling voor de behandeling van klachten over een gedraging van hem of van voor
hem werkzame personen jegens een cliënt', schrijft de Wkcz voor (Wet klachtrecht
cliënten zorgsector, artikel 2, lid 1). De Wet Bopz (Bijzondere opnemingen psychiatrische
ziekenhuizen) maakt in artikel 41, lid 2 melding van het instellen van een
klachtencommissie. Volgens beide wetten is dit niet vrijblijvend, maar verplicht: een
zorgaanbieder moet een klachtencommissie instellen. Dat wordt dus ook overal gedaan. Maar
dat zegt niets over het functioneren van de klachtencommissies. Hoe tevreden zijn
cliënten? Welke aspecten zijn voor hen belangrijk? En vooral: in hoeverre is bij de
samenstelling van de commissie onafhankelijkheid van belang?
Onderzoeken door Stichting De Ombudsman en door de Stichting PVP
De ervaringen van cliënten met het klachtrecht stonden centraal in een onderzoek dat
Stichting De Ombudsman vorig jaar verrichtte. Dit resulteerde in het rapport 'Klachtrecht
in de praktijk' dat medio 2003 werd gepresenteerd. Een van de uitkomsten van dit
onderzoek is dat onder cliënten het idee leeft dat de klachtencommissie niet voldoende
onafhankelijk is. De Wet Bopz, uitgangspunt bij het onderzoek, schrijft over de
samenstelling van de commissie het volgende voor: 'Een klacht wordt behandeld door ten
minste drie leden van een klachtencommissie, waaronder een voorzitter die niet werkzaam is
bij of voor het psychiatrisch ziekenhuis' (besluit Klachtenbehandeling Bopz, art. 4, lid
1). Met andere woorden, de andere leden van de commissie mogen wél verbonden zijn aan de
instelling en volgens het Ombudsmanrapport doet dit geen goed aan de onafhankelijkheid van
de commissie zoals cliënten die percipiëren. Uit het onderzoek blijkt verder dat goede
toegankelijkheid van de klachtencommissie, het horen van familie van de klager en
actievere ondersteuning van de pvp wenselijk zijn. De Stichting PVP heeft vervolgens in
2003 een eigen onderzoek gehouden onder cliënten. Door ook te kijken naar Wgbo-klachten
(Wgbo: Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst) was dit onderzoek breder van opzet dan
het Ombudsmanproject, dat zich alleen op de Wet Bopz richtte. Vragen betroffen onder
andere de informatievoorziening over de klachtencommissie, de werkwijze van de commissie,
en ook klachten over klachtencommissies. De respons was 57 ingevulde vragenformulieren van
zowel vrijwillig als gedwongen opgenomen cliënten.
Tevredenheid
In termen van algemene tevredenheid ('hoe tevreden of ontevreden bent u met de
klachtencommissie?') komt uit de enquête naar voren dat eenderde van de cliënten
tevreden, eenderde deels tevreden en eenderde ontevreden is. Er blijkt een direct verband
te zijn tussen tevredenheid van een cliënt en de uitspraak op de klacht.
Gegrondverklaringen leiden tot grotere tevredenheid over het functioneren van de
commissie. Een uitspraak 'deels gegrond' van de klachtencommissie komt vaak voor in
combinatie met het oordeel 'deels tevreden' van de cliënt. Dit zal weinigen verrassen.
Interessanter zijn de redenen die cliënten opgeven om hun tevredenheid, of juist het
gebrek hieraan te verklaren. Cliënten zelf koppelen dit namelijk niet aan de uitspraak
van de klachtencommissie. Veelal noemen ze de bejegening door de commissie van belang,
zowel in positieve als negatieve zin. 'Ze hebben goed naar me geluisterd', 'ze maakten
werk van mijn klacht', 'ze namen me serieus', zijn commentaren van mensen wier klacht
gegrond is verklaard. Een cliënt die het met de uitspraak 'deels gegrond' moest doen,
schrijft: 'Sommige leden gaven mij het gevoel 'waar maak je je eigenlijk druk over?''.
Daarnaast zijn er uitspraken als 'psychiaters geven elkaar altijd gelijk', 'hun houding is
leeg en formeel' en 'de commissie kan niet onafhankelijk zijn als er een
ziekenhuismedewerker in zit'. Het cijfermateriaal dat het onderzoek opleverde in
combinatie met uitspraken als deze, wijst uit dat voor de tevredenheid van cliënten en
het gevoel serieus genomen te worden, de onafhankelijkheid van de klachtencommissie
buitengewoon belangrijk is. Beter gezegd: de onafhankelijkheid van de commissie zoals de
cliënt die waarneemt en ervaart.
De cliëntenraad
Net als de Wet Bopz schrijft de Wkcz voor dat minimaal de voorzitter onafhankelijk van
de instelling dient te zijn: 'De in het eerste lid bedoelde regeling voorziet erin dat de
klachten van cliënten worden behandeld door een voorzitter die niet werkzaam is voor of
bij de zorgaanbieder' (Wkcz art. 2, lid 2 sub a). In het kader van het onderzoek door de
Stichting PVP zijn van zevenenveertig klachtencommissies gegevens over hun samenstelling
verzameld. Slechts bij ongeveer een kwart van deze groep zijn alle leden onafhankelijk. In
bijna de helft van de commissies wordt netjes de wet gevolgd en is de voorzitter
onafhankelijk, de rest van de leden niet. Het restant betreft commissies die er tussenin
zitten. Nu is het zo dat de cliëntenraad van een instelling de mogelijkheid heeft om
advies uit te brengen over de samenstelling van de klachtencommissie. In het onderzoek is
gekeken naar het belang van deze factor in de mening over de onafhankelijkheid van de
commissie en, daaraan gekoppeld, de tevredenheid van cliënten. Bijna de helft van de
onderzochte commissies heeft minstens één door de cliëntenafvaardiging aangeleverd lid.
Dat is toch niet weinig. Verrassend genoeg blijkt echter uit de cijfers dat de
aanwezigheid van een of meer door de cliëntenraad, en dus door cliënten zelf, aanbevolen
commissieleden, niet of nauwelijks van invloed is op de ervaring van afhankelijkheid of
onafhankelijkheid van de commissie door cliënten. Helemaal onafhankelijk Waaraan moet de
samenstelling van een klachtencommissie voldoen om wél als onafhankelijk gezien te worden
door cliënten? Het antwoord is verbluffend simpel. Onafhankelijkheid van álle leden. Bij
alle mogelijke samenstellingen van commissies is er een verschuiving naar het negatieve,
behalve bij een puur onafhankelijke commissie. Een onafhankelijke commissie leidt tot
grotere tevredenheid van cliënten over de commissie.
De commissie is er voor de cliënt
Eén van de in het onderzoek bevraagde cliënten reageerde: 'Mijn klacht is toch
gegrond verklaard, ondanks het feit dat een lid van de klachtencommissie in dienst is van
het ziekenhuis.' Ondanks. Met andere woorden: deze cliënt had een andere uitspraak
verwacht. Dit bevestigt weer hoe een kleine verbinding met het ziekenhuis al voor een
negatieve verschuiving in de ervaring van de onafhankelijkheid van de commissie kan
zorgen. En deze verschuiving op zijn beurt kan er weer voor zorgen dat een volgende
cliënt het niet zinvol acht een klacht in te dienen bij een commissie waarvan hij het
gevoel heeft dat zij niet onafhankelijk, en dus bevooroordeeld is.
Waarschijnlijk wordt hiermee geen recht gedaan aan de daadwerkelijk onafhankelijke
opstelling van die commissie. Maar we moeten dit voor ogen houden: de commissie is er voor
de cliënt, niet andersom. De ervaring van de cliënt ten aanzien van de onafhankelijkheid
van de commissie is cruciaal in de mogelijkheden die de cliënt ziet om zijn recht te
halen. Artikel 3 van het Besluit klachtenbehandeling Bopz dicteert: 'Een klachtencommissie
wordt zo danig samengesteld, dat een zorgvuldige en deskundige beslissing op de klacht te
allen tijde is gewaarborgd'. Voor een cliënt echter kan de schijn van afhankelijkheid dus
al voldoende zijn om hier niet in te geloven.
WW
Standpunt over geheel onafhankelijke klachtencommissie
Een klachtencommissie die helemaal uit onafhankelijke leden bestaat verdient natuurlijk
veruit de voorkeur. De vraag is maar of dit haalbaar is. Oorspronkelijk moest op alle art.
41-klachten binnen 16 dagen beslist worden (14 dagen klachtencommissie en 2 dagen
bestuur). Bij de eerste evaluatie van de Bopz werd vastgesteld dat deze strakke termijn
veelal niet haalbaar was, zodat ingevoerd is, dat bij niet-actuele klachten de commissie
er vier weken over mag doen. Leden van klachten-commissies hebben vaak nog andere
werkzaamheden, waardoor het plannen van zittingen vaak een hele toer is. Als alle leden
onafhankelijk moeten zijn, zal hier nog meer druk op komen te staan. Ik ben dan ook bang
dat een dergelijk wettelijk vereiste er uiteindelijk toe kan leiden dat de termijnen weer
verder opgerekt worden. Een ander ongewenst effect kan zijn dat minder deskundige leden in
klachtencommissies terecht zullen komen. De pool waaruit de instellingen kunnen kiezen is
niet zo heel groot. Het gevaar bestaat dat - mede met het oog op de termijnen - dan
vooral gevist gaat worden in de vijver van gepensioneerde rechters, psychiaters,
enzovoorts. Deze zouden op zich natuurlijk heel goed kunnen functioneren in een
klachtencommissie, maar fris bloed lijkt mij toch ook nodig voor een optimaal deskundige
klachtenbehandeling.
Ada Blok, juriste Stichting PVP
Wilbert Dijkers over de gang van zaken bij dwangopname
Wie doet wat: de taken, de rollen en de rolverwarring
In Nederland regelt de Wet Bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) de
procedures voor een dwangopname in de psychiatrie. Dit jaar promoveerde Wilbert Dijkers op
een onderzoek met de titel: Doen en laten in de Bopz-machtigingsprocedure. De ondertitel
luidt: een onderzoek naar juridische posities. Dijkers beschrijft in zijn proefschrift de
taken van de verschillende personen en instanties die een rol spelen bij een dwangopname.
Ook signaleert hij bij het uitvoeren van die taken een aantal problemen en draagt
voorstellen aan ter verbetering. Een interview.
Zijn interesse voor de dwangopnameprocedures stamt uit 1985. Wilbert Dijkers was toen
net rechter in Assen en werd geboeid door het bijzondere karakter van dit soort zaken.
Vanuit het oogpunt van het procesrecht verlopen de procedures bij een dwangopname nogal
afwijkend. Dat fascineerde hem. Vragen die hij zichzelf stelde waren: kan de patiënt wel
als een volwaardige partij gezien worden en waarom is de officier van justitie eigenlijk
bij zittingen niet aanwezig? Uiteindelijk leidde zijn fascinatie ertoe dat hij vanaf 1999
in kaart is gaan brengen wat er bij de totstandkoming van een machtiging voor een
dwangopname aan de orde komt en dat heeft in 2003 zijn proefschrift en promotie
opgeleverd.
De onafhankelijke psychiater
Bij de machtigingsprocedure speelt de onafhankelijk psychiater een belangrijke rol. Het
is zijn taak de betrokkene te onderzoeken. Wanneer hij vindt dat er voldaan is aan de
criteria voor dwangopneming, stelt hij een geneeskundige verklaring op. Daaruit moet
blijken dat er voldaan is aan die criteria (zie kader). De geneeskundige verklaring is de
belangrijkste schriftelijke bron waar de rechter uit put wanneer hij moet beslissen over
de vraag: wel of geen dwangopname. Dijkers schrijft dat de psychiater die een dergelijke
verklaring opstelt, dat gedegen moet doen. In gesprek met de patiënt moet hij zich erop
toe leggen deze optimaal te leren kennen. Pvp'en krijgen nogal eens te horen dat het
gesprek met die onafhankelijke psychiater maar een paar minuten duurde of dat het gesprek
plaats vond op een onverwacht tijdstip op een bijzonder onprettige plek. Dijkers: 'Als een
patiënt tijdens een zitting de wijze waarop de geneeskundige verklaring tot stand is
gekomen ter discussie stelt, dan moet een rechter dat serieus nemen. Hij zal eerst de
patiënt vragen te vertellen hoe het gesprek verlopen is. Vervolgens kan hij de psychiater
vragen op het verhaal te reageren. Als het antwoord hem niet bevredigt kan de rechter
besluiten een aanvullend onderzoek in te laten stellen.'
Criteria voor dwangopname:
- de betrokkene moet een gevaar veroorzaken voor personen en/of goederen voortvloeiend uit
een stoornis der geestvermogens;
- het gevaar is niet af te wenden door tussenkomst van personen of instellingen buiten een
psychiatrisch ziekenhuis;
- de betrokkene is niet bereid vrijwillig opgenomen te worden.
Onleesbare verklaringen
Over de geneeskundige verklaring schrijft Dijkers: Hij moet leesbaar zijn en niet
toegelicht psychiatrisch jargon is slechts in beperkte mate aanvaardbaar. Patiënten laten
pvp'en nogal eens een onleesbare geneeskundige verklaring zien of een verklaring waarin
kwistig gestrooid wordt met medische termen. De rechter accepteert kennelijk wel zulke
verklaringen.
Dijkers: 'Als een stuk onleesbaar is dan gebeurt het wel dat het teruggestuurd wordt
naar de schrijver met het verzoek er iets leesbaars van te maken en natuurlijk komen er
medische termen in zo'n verklaring voor, maar het moet wel door een leek te begrijpen
zijn. Er moet concreet beschreven worden wat er met de patiënt aan de hand is.'
De psychiater als beoordelaar van gevaar
Een psychiater is een arts. Hij is de deskundige om te onderzoeken of er sprake is van
een stoornis of ziekte, maar is hij er wel voor opgeleid om te onderzoeken of iemand
gevaar veroorzaakt? Dijkers ziet in de psychiater bij uitstek de persoon die helderheid
moet kunnen verschaffen over het te verwachten gevaar: 'Ik heb liever een psychiater ter
plaatse dan een loodgieter of een wegenwacht. Hij is toch de persoon die menselijk gedrag
kan beoordelen. Een psychiater die zegt dat hij geen inschatting van het gevaar kan maken,
diskwalificeert zichzelf.'
Vormfouten
Cliënten hopen nogal eens dat de rechter een verzoek tot machtiging afwijst wanneer er
fouten in het verzoek zijn geslopen. Dat leidt bijna altijd tot een teleurstelling. Zelfs
wanneer er geen geneeskundige verklaring is of een ondeugdelijke verklaring komt het vaak
nog tot een uitspraak. Het schenden van de vorm mag niet leiden tot schade aan de
maatschappij of personen, schrijft Dijkers daarover. Vaak komen patiënten dan met het
argument dat het in het strafrecht toch ook zo werkt. Daar volgt op vormfouten toch ook
vrijspraak. Dat is niet zo, zegt Dijkers: 'De formaliteiten moeten op orde zijn, maar een
foutje leidt in het strafrecht ook niet tot vrijspraak, althans nu niet meer. Vroeger was
dat anders. Wanneer nu bijvoorbeeld in de stukken staat dat Jantje Pietje heeft vermoord
in Amsterdam, maar hij blijkt dat in Breda gedaan te hebben, betekent dat niet vrijspraak.
Dat soort ontsporingen zijn er niet meer.'
De officier van justitie
Voordat de rechter over het verlenen van een machtiging kan beslissen moet hij daartoe
eerst een verzoek krijgen. Dat is de taak van de officier van justitie. Alleen hij kan de
rechter om een machtiging vragen. Voordat hij dat doet, moet de officier beoordelen of er
in de geneeskundige verklaring voldoende argumenten te vinden zijn voor dwangopneming. De
praktijk is anders. Volgens Dijkers doet de officier voornamelijk dienst als doorgeefluik.
Bijna alles wat bij hem binnenkomt legt hij voor aan de rechter en ook bij de verdere
behandeling van de zaak is de officier niet of nauwelijks betrokken. Zo is hij bij de
zitting niet aanwezig om het verzoek te onderbouwen en toe te lichten. Dijkers vindt dat
geen goede zaak. Hij kan wel verklaren waarom het zo werkt: 'Bijna geen enkele officier
heeft belangstelling voor Bopz-zaken. Hij is officier geworden omdat hij strafrecht en
criminaliteitsbestrijding interessant vindt. Daar ligt zijn prioriteit. Hij kan niet
zeggen dat hij Bopz-zaken niet meer wil doen, want het is een wettelijke taak daar wel een
rol bij te spelen. Daarnaast is het ook een kwestie van geld. Als er meer geld beschikbaar
is dan hebben officieren meer tijd om zich bezig te houden met dwangopnames.' Dijkers is
niet erg hoopvol dat er meer geld beschikbaar gaat komen: 'De overheid accepteert de gang
van zaken. Bij de eerste evaluatie van de Wet Bopz is er gewezen op de beperkte rol van de
officier van justitie. De minister geloofde toen niet dat het probleem zo ernstig was.'
De gemandateerde parketmedewerker
Als bijdrage aan een oplossing van het probleem ziet Dijkers een rol voor een
gemotiveerde ambtenaar die namens de officier in machtigingsprocedures optreedt: 'Dat is
niet iets nieuws. Bij zaken die met verkeersovertredingen te maken hebben zie je dat ook.
Als je te hard rijdt krijg je een bekeuring. Als je daar bezwaar tegen maakt, kom je niet
de officier van justitie tegen maar een ambtenaar die namens de officier de zaak
behartigt. Kom je er dan nog niet uit, dan oordeelt vervolgens de rechter over het
bezwaar. Bij zo'n zaak is het ook niet de officier die optreedt namens de overheid, maar
komt er een gespecialiseerde parketsecretaris.'
De behandelend psychiater
Een patiënt moet kunnen vertrouwen op de vertrouwelijkheid van de behandelend arts.
Wanneer zo'n een arts in een rechtelijke procedure moet getuigen heeft hij het recht om te
zwijgen. Hij heeft zelfs een geheimhoudingsplicht. Bij een procedure voor een dwangopname
gaat dat niet op. Tijdens de zitting stelt de rechter allerlei vragen aan de behandelaar.
In de wet staat nergens dat de behandelaar moet antwoorden. Toch gebeurt dat. Dijkers:
'Dit alles is alleen anders voor een arts die in het kader van een dwangopneming
aangewezen is als behandelaar. Wanneer hem namelijk een Bopz-patiënt wordt toegewezen,
moet hij in het eerste gesprek met die patiënt zeggen: 'ik heb een bijzondere positie ten
opzichte van u en de samenleving. Die brengt met zich mee dat ik de rechter behoor te
informeren over hoe het met u gaat.' Die duidelijkheid zou gegeven moeten worden. Dan kan
de patiënt daar rekening mee houden. Wanneer het echter gaat om vrijwillig opgenomen
patiënten voor wie een machtiging is aangevraagd moet de eigen behandelaar zijn mond
houden, behalve natuurlijk wanneer er sprake is van een noodsituatie.' De advocaat Dijkers
vindt dat het de taak van de advocaat is alles op te sporen wat tegen het belang van de
officier pleit. Hij behoort het belang van de cliënt te dienen zoals die cliënt dat
belang ziet. Pvp'en krijgen nogal eens van cliënten te horen dat de advocaat niks gezegd
heeft tijdens de zitting of gezegd heeft dat een machtiging misschien toch juist is.
Dijkers: 'Het komt voor dat een rechter weinig argumenten krijgt tegen het verlenen van
een machtiging. Dan vervult meestal de advocaat zijn taak niet op de juiste wijze.
Misschien zou die advocaat anders opereren als er aan de andere kant van de tafel een
officier zou zitten die vanuit zijn rol pleit voor een dwangopname.'
De pvp als raadsman
Is het geen goed idee om pvp'en de rol van raadsman te geven bij machtigingsprocedures?
Zij zijn dagelijks in de psychiatrie werkzaam en gewend aan de partijdige positie.
Dijkers: 'Toen ik net rechter was zag je halverwege de jaren tachtig dat pvp'en die rol
wel eens vervulden. In die tijd kregen patiënten bij machtigings-procedures niet altijd
een advocaat toegevoegd. Misschien zou een pvp in een aantal opzichten beter beslagen ten
ijs komen dan een advocaat, maar ik weet niet of bij pvp'en de juridische kennis wel
voldoende is en of een dergelijke rol wel past bij de gedragscode van de Stichting PVP.
Ach, als de pvp de taak van raadsman zou moeten vervullen, had dat 20 jaar geleden
besloten moeten worden.'
Raad voor dwangtoepassing in de psychiatrie
Dijkers schrijft in zijn proefschrift: 'Vanuit de bevinding dat het belangrijk is dat
de huidige ondoelmatige toedeling en ondermaatse uitvoering van Bopz-taken en bevoegdheden
wordt beëindigd doe ik de suggestie om zo nodig een ander bestuursorgaan te creëren.'
Hij noemt dat orgaan de Raad voor dwangtoepassing. Die raad zou ook een rol kunnen spelen
bij het beoordelen van de noodzaak van het toepassen van dwangbehandeling, maar het zou
met name het orgaan kunnen zijn dat de taak van de officier zou kunnen overnemen bij de
machtigingsverzoeken. Hoe wordt er op zijn suggestie gereageerd? Dijkers: 'In het algemeen
met scepsis. Zo van: weer een nieuw orgaan. Dat had ik ook wel verwacht. Misschien gebeurt
er iets mee bij de volgende evaluatie van de Bopz. Er is voortdurend ontwikkeling. Velen
hebben een mening. Er wordt veel geopperd en in dat koor heb ik mijn stem.'
AdM
Dhr. Mr. Dr. W.J.A.M Dijkers
Titel proefschrift: Doen en laten in de Bopz-machtigingsprocedure. Een onderzoek naar
juridische posities.
Reeks gezondheidsrecht deel 21
Uitgeverij: Koninklijke Vermande
ISBN-nummer: 90 5903 157 1
Een uitspraak van de klachtencommissie levert de cliënt weinig
op
Reactie op een stelling
De Stelling: Een uitspraak van de klachtencommissie levert de cliënt weinig op
Gerrit Vandervoort, ex-cliënt gesloten opname-afdeling (naam op verzoek van de cliënt
gefingeerd): Nou, daar ben ik 't helemaal niet mee eens! Als ik samen met de pvp niet naar
de klachtencommissie had kunnen gaan, dan moest ik nu nóg elke week een spuit hebben. Een
jaar geleden heb ik een klacht ingediend tegen die depots; ik werd daar compleet naar van,
en ik deed niets meer, kon niet naar m'n werk in de autospuiterij, en bovendien werd ik er
hartstikke impotent van, dus daar was ik niet vrolijk over. Wel, om een lang verhaal kort
te maken: de dokter kon niet duidelijk maken wat voor gevaar ik nou was, ik heb goed
verteld wat ik van plan was en de klachtencommissie was het met me eens, en dacht dat ik
niet in zeven sloten tegelijk zou lopen. Dus klacht gegrond: lang leve de
klachtencommissie!
Een uitspraak van de klachtencommissie levert de cliënt weinig op
Heleen Wartenberg, cliënt opgenomen op een afdeling voor langdurig verblijf (naam op
verzoek van de cliënt gefingeerd): Mij heeft het in elk geval weinig opgeleverd. Ik had
samen met een stel anderen een klacht ingediend over de manier waarop we steeds te horen
kregen dat een therapie niet doorging: veel te laat, en vaak pas terwijl we al voor de
therapieruimte stonden te wachten, soms pas na een kwartier. Terwijl we wel soms in de
stromende regen het hele terrein over moeten om daar te komen. En dan dus ook nog 'es een
poos daarin staan te wachten! Een iemand moet zelfs uit het dorp komen voor die therapie.
De klachtencommissie was het helemaal met ons eens: daar moest iets aan veranderen. En dat
hebben ze ook opgeschreven, en ook op de zitting tegen de therapeut en onze mentor gezegd.
Maar er is nog steeds niets veranderd. Kon de klachtencommissie maar straffen opleggen,
dan zou ik er gelijk weer heen gaan, en daarom vragen. Nou kan zo'n klachtencommissie
weinig, alleen maar praten en schrijven. Ze hebben niet zoveel macht.
Een uitspraak van de klachtencommissie levert de cliënt weinig op
Els Roelofs-de Bruin, voorzitter klachtencommissie GGZ-Eindhoven Ik ben ervan overtuigd
dat uitspraken van de klachtencommissie een algemeen geldende werking hebben. Dus ook
cliënten die zelf nooit zouden klagen, liften mee op de klachten van anderen. Als er heel
weinig klachten bij de klachtencommissie komen, mag je ervan uitgaan dat de klachten die
er zijn, in het traject worden afgewerkt. Het probleem is dan voor die ene patiënt
opgelost, maar het mist zijn bredere uitwerking. Stel dat iemand klaagt over een
beperking, dan wordt een andere cliënt misschien nog steeds beperkt als de zaak niet voor
de klachtencommissie komt. Dus in die zin denk ik dat de klachtencommissie een hele
belangrijke functie heeft.
Een uitspraak van de klachtencommissie levert de cliënt weinig op
Inkie Theus, ambtelijk secretaris klachtencommissie GGZ-Delfland, Delft: Na anderhalf
jaar ervaring als ambtelijk secretaris van de klachtencommissie van GGZ-Delfland kan ik
niet zeggen dat ik het eens ben met deze stelling. Een uitspraak van de klachtencommissie
levert in eerste instantie voor een patiënt met de specifieke (Bopz-)klacht een zeer
concreet antwoord op. Wanneer een klachtencommissie echt onafhankelijk en professioneel
werkt zijn dit ook goed afgewogen beslissingen. Voor patiënten met een algemene klacht
(Wkcz) ligt het soms iets complexer. Mijn mening is dat deze klachten vaak beter opgelost
kunnen worden via een bemiddelingspoging met betrokkenheid van de
patiëntenvertrouwenspersoon en iemand van de klachtencommissie. Pas wanneer een
dergelijke bemiddeling niet tot resultaat heeft geleid is het zinvol een klacht te laten
behandelen door de klachtencommissie. Jammer dat de wet ten aanzien van dit laatste punt
echter geen onderscheid maakt.
Een uitspraak van de klachtencommissie levert de cliënt weinig op
Juan Stienen, psychiater GGZ Noord-Holland Noord: 'Ik ben het absoluut niet met die
stelling eens. Een uitspraak van de klachtencommissie levert heel veel op. Duidelijkheid
over het te volgen beleid, bijvoorbeeld. Soms kan het behandelteam of de psychiater het
ook wel eens níet bij het rechte eind hebben. De klachtencommissie is een heel legitiem
en zinvol instrument om zowel de behandelde als de behandelaar te beschermen. Ik vind het
altijd een heel goede toetsing in de zin van: 'Ga ik hierin te ver?' Ik kan er zelf wel
iets van vinden, maar wat vinden anderen daarvan? Extra toetsing vind ik in sommige
gevallen heel belangrijk, omdat het dan ook over ethische, juridische en humanitaire
vragen gaat en soms staat dat in schril contrast met wat ik medisch verantwoord vind, ja.
Het is belangrijk dat dit soort beslissingen zo nu en dan door een grotere groep wordt
bekeken.'
Soms wordt een behandeling stopgezet doordat de klachtencommissie een klacht, bijvoorbeeld
over dwangbehandeling, gegrond verklaart. Ook dan heeft de cliënt er volgens Juan Stienen
wat aan: 'Vertrouwen in het systeem en bescherming van de autonomie door een wat groter
instituut dan alleen die een of twee behandelaars die een bepaalde beslissing hebben
genomen.'
Menselijkheid binnen wettelijke kaders
Interview met Els Roelofs-de Bruin, voorzitter klachtencommissie
Niet van één, maar van verscheidene klachtencommissies is ze voorzitter, onder andere
bij de GGZ-Eindhoven (GGzE). Daarnaast heeft ze een eigen juridisch adviesbureau,
gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Els Roelofs-de Bruin over klachtzittingen, emotionele
cliënten, afsprekende behandelaars en de mens achter de klachtencommissie.
Recht en randje
'Het is leuk werk, lidmaatschap of voor-zitterschap van een klachtencommissie. Bij de
GGzE is het ook juridisch een uitdaging omdat het Forensisch Psychiatrische Circuit veel
problemen oplevert. Het veiligheidsaspect speelt daar meer een rol dan in andere
ziekenhuizen; dit aspect is vaak moeilijk in te passen in het kader van de Bopz. Het leuke
is met name te proberen om binnen de kaders en regels op een zo redelijk mogelijke manier
uitspraak te doen over klachten van patiënten. Dat houdt vaak in dat je een interpretatie
moet geven van die regels en wetten. Het is een uitdaging om dat op een nette manier te
doen. Soms is het wandelen op het randje. Een enkele keer gaat een cliënt daarna door
naar de rechter; dit is zijn of haar goed recht en absoluut geen punt. Ik kan me goed
voorstellen dat een patiënt geen dwang-behandeling wil of niet in de separeer. Dat is
zijn kant van het verhaal; als klachtencommissie probeer je aan beide kanten recht te
doen.
De sfeer tijdens een zitting is over het algemeen prima. Wij proberen juist om de zaak
niet al té formeel te maken, maar je moet je natuurlijk altijd aan bepaalde formaliteiten
houden, daar ontkom je niet aan. We leggen de procedure uit. Eerst krijgt dan de klager
gelegenheid om zijn klacht toe te lichten, vaak aangevuld of gestructureerd door de pvp;
acht van de tien zittingen is de pvp erbij. Vervolgens krijgt de verweerder gelegenheid
zijn verhaal te vertellen. Vaak zit daar een verschil van inzicht in, en juist dáárvoor
komt de zaak bij ons terecht in de vorm van een klacht.'
Emotie en afstand
'Emotie komt er dikwijls bij kijken. Regelmatig komt het voor dat niet de cliënt zelf,
maar de familie van de cliënt emotioneel wordt. Cliënten zelf zijn vaak niet zo
emotioneel in de zin van huilen, maar ze zijn meer gespannen, ze vinden zo'n zitting een
beetje eng. Wat ik belangrijk vind is dat je als voorzitter of lid van een
klachten-commissie, ondanks het feit dat je emotioneel geraakt kunt zijn door wat je ziet,
toch altijd in staat moet zijn om als je dat eenmaal geconstateerd hebt, een stapje terug
te doen en de zaak toch zo objectief mogelijk te benaderen. Objectief, daar bedoel ik mee:
kijken naar alle twee de kanten van het verhaal. De klager kan wel zeggen dat hij 'ik zal
je kop inslaan' niet zo bedoelde, maar een verpleeg-kundige kan zich daar heel bedreigd
door hebben gevoeld. Het is belangrijk om beide kanten zo reëel mogelijk te betrekken in
de klachtzaak.'
Keuze en waarde
'Recentelijk speelde het volgende. Een patiënt werd steeds slechter: zijn psychische
conditie nam af. Iedereen had het in de gaten; de patiënt zelf ook, en deze verzocht
daarom vrijwillig om de separeer. Hij zat er een poosje in en gaf bij het volgende
contactmoment aan dat hij niet langer wilde blijven. Daarop werd gezegd dat men vond dat
zijn conditie nog niet goed genoeg was en dat hij in de separeer moest blijven; zo niet
vrijwillig dan maar verplicht. Ik vind dat je zoiets niet kunt maken vanuit menselijk
oogpunt. Als iemand een afspraak maakt en zegt: ik ga naar de separeer, dan moet je hem in
zijn waarde laten en ook de ruimte geven zelf te bepalen wanneer hij eruit komt. Het kan
heel goed dat op de afdeling dan blijkt dat het niet gaat, en hij terug moet. Maar dan heb
je hem in ieder geval de kans gegeven en zijn eigen beslissing recht gedaan. Dat zijn
elementen die ik erg belangrijk vind. Ik stoor me zo aan de gewoonte van behandelaars in
de psychiatrie om tegen de patiënt zeggen: 'we hebben afgesproken'. Ammehoela, denk ik
dan, niks wij, jij hebt gezegd wat er moest gebeuren. Er zou heel wat verbeterd kunnen
worden aan het in zijn waarde laten van de patiënt en deze - uiteraard altijd binnen
bepaalde grenzen - zijn eigen beslissingen laten nemen.'
De menselijke kant
'Een groot probleem waar ik persoonlijk tegenaan loop in de Wet Bopz is het criterium
van gevaar. Soms wil iemand geen medicatie, terwijl uit ervaring bekend is dat hij daarvan
echt op kan knappen. Als klachtencommissie moet je dan concluderen dat medicatie misschien
het beste is, maar omdat hij niemand voor zijn harses slaat, er niet aan het
gevaarscriterium is voldaan en er dus niet tegen de wens van de patiënt medicijnen
gegeven mogen worden. Ik hecht erg aan de waardigheid en eigenwaarde van mensen. Als je
ziet dat iemand die waardigheid verliest door zijn psychiatrische ziekte, en terwijl hij
weet dat er mogelijkheden zouden zijn om hem dat wel terug te geven, hij toch weigert die
mogelijkheden te grijpen, juist op grond van die ziekte, dan is dat een trieste toestand.
Als klachtencommissie moet je die klacht gegrond verklaren, met als gevolgd dat de
patiënt in zijn ellende blijft zitten. Als commissie doen we dan een uitspraak die wel
recht doet aan de wet, maar ingaat tegen ons gevoel van medemenselijkheid. De menselijke
kant van een verhaal speelt dus altijd mee in de beslissing. Maar als commissie ben je
gebonden aan de wettelijke kaders. Dat is wat ik met name leuk vind aan mijn werk:
proberen binnen die kaders het menselijk aspect recht te doen.'
WW
Signalen
Soms komt een patiëntenvertrouwenspersoon tekortkomingen tegen in een ziekenhuis. Als
die tekortkomingen afbreuk doen aan de rechten van cliënten, vraagt de pvp mondeling of
schriftelijk bij de desbetreffende afdeling en/of leidinggevende hier aandacht voor, in
een zogenaamd 'signaal'. De pvp vraagt daarin aan de instelling de situatie te verbeteren.
Een signaal komt tot stand in overleg met de cliëntenraad.
Kast op slot
In de loop van een paar weken klaagt een aantal cliënten van een afdeling bij de pvp
over zoekgeraakte kleding en spullen die van hun kamer gestolen zijn. Deze cliënten
willen schadevergoeding en in de loop van de bemiddeling wordt duidelijk dat er op de
slaapkamers, waar een aantal cliënten samen gebruik van maakt, geen afsluitbare kasten
zijn. Waardevolle spullen kunnen in bewaring worden gegeven, maar alle andere bezittingen
liggen voor elke cliënt die van de kamer gebruik maakt, voor het pakken. In een signaal
aan de regiomanager hierover benadrukt de pvp dat elke cliënt de beschikking moet hebben
over een afsluitbare kast op zijn of haar kamer. Hierbij verwijst de pvp naar een Nota van
de Inspectie voor de Gezondheidszorg waarin dit beschreven staat: 'De patiënt heeft
tenminste de beschikking over een afsluitbare hang- en legkast ten behoeve van het
opbergen van persoonlijke bezittingen.' Omdat dit op deze afdeling niet het geval is, en
omdat de afdelingsleiding niet bereid is alle eigendommen van elke cliënt in bewaring te
nemen, is de pvp van mening dat de instelling de cliënt niet verantwoordelijk kan houden
in het geval er iets gestolen wordt. De instelling is in principe aansprakelijk, omdat
deze de cliënten niet de mogelijkheid biedt hun spullen achter slot te bewaren. Dit
betekent onder meer dat de instelling een schadevergoeding zal moeten geven als er iets
zoekraakt of gestolen wordt. De regiomanager erkent deze verplichting om cliënten het
gebruik van een afsluitbare kast aan te bieden. Ook erkent hij aansprakelijkheid voor het
zoekraken van de kleding en de diefstallen uit de kamers van de cliënten. Hij gaat over
tot het toekennen van schadevergoeding en regelt bij de technische dienst dat er sloten
geplaatst worden. Toch is dit nog niet het einde van het verhaal, want het plaatsen van
sloten stuit onverwacht op tegenstand bij zowel de directe afdelingsleiding als de
cliëntengroep zelf: als iedereen z'n kast op slot gaat doen, lijkt het alsof ze elkaar
niet meer vertrouwen, en dat stuit hen tegen de borst. Werken aan vertrouwen en
betrouwbaarheid is hier namelijk juist iets, wat bij veel van de cliënten centraal staat
in hun behandeling. Naar aanleiding hiervan krabde ook de pvp zich achter het oor: ik heb
het signaal gegeven omdat ik een tekortkoming constateerde in de rechten van de cliënten,
en nu zou het gevolg zijn, dat juist de cliënten ontevreden zijn met het resultaat van
mijn acties? De regiomanager houdt voet bij stuk, en na nog een aantal keren overleg met
cliënten en leiding, leggen deze zich erbij neer. Hun conclusie is: overal waar mensen
samenleven, is er een spanningsveld te merken ten aanzien van vertrouwen, ook zelfs in
harmonieuze gezinnen. Ook daar wil je wel eens wat achter slot en grendel hebben om het te
beschermen tegen al te grote nieuwsgierigheid van een zusje of je moeder, of wil je
jongere broertje aan de haal gaan met je nieuwste broek. Een slot op je kast hoeft goed
samenleven niet in de weg te staan, en het is in het belang van alle cliënten, ook in de
toekomst, dat de kamers voldoen aan de voorschriften.
Verkoop telefoonkaarten bij de receptie
In de opnamekliniek van een ziekenhuis zijn op alle afdelingen kaarttelefoons
geplaatst, en kan een cliënt bij de receptioniste een telefoonkaart kopen. Na een paar
maanden komen er klachten bij de pvp binnen: niet alle cliënten kunnen een kaart kopen,
de receptioniste verwijst cliënten ook wel eens naar de kiosk in het dorp. Ook komt het
voor dat de receptie naar het verpleegkantoor belt en vraagt, of er aan deze cliënt een
kaart verkocht mag worden. Navraag door de pvp maakt duidelijk, dat men de verkoop zo veel
mogelijk wil beperken, enerzijds in verband met de veiligheid van de receptionistes (niet
al te veel geld en telefoonkaarten op de receptie ter voorkoming van inbraak/overval),
anderzijds om de cliënten te stimuleren actief en zo min mogelijk afhankelijk te zijn van
de kliniek. De cliënten zijn hier erg verontwaardigd over: als het ziekenhuis hen gebruik
wil laten maken van kaarttelefoons zullen ze ook telefoonkaarten moeten leveren. Verder
zijn ze boos over de willekeur, en voelen ze zich als een klein kind bij de balie staan
als de receptioniste naar de afdeling belt met de vraag of deze cliënt in staat is om
naar het dorp te lopen, of dat er nog andere afspraken gelden. De pvp klimt voor de
cliënten in de pen en schrijft het management een signaal. Allereerst geeft ze aan, dat
deze kwestie eigenlijk een zaak van cliëntvriendelijkheid te noemen is, of in termen van
de Kwaliteitswet Zorginstellingen, van 'patiëntgerichte zorg' (artikel 2). Verder
herhaalt ze de argumenten van de cliënten en voegt daaraan toe, dat de huidige gang van
zaken een niet geoorloofde inmenging is in de persoonlijke levenssfeer van de cliënten.
Volgens de Wgbo (BW 7: artikel 457) mogen leden van het behandelteam namelijk geen
behandelinhoudelijke informatie verstrekken aan personen die niet direct bij de uitvoering
van de behandelovereenkomst zijn betrokken. En in dit geval doet de verpleging dat wel,
als zij aan de receptie doorgeven dat zij een bepaalde cliënt in staat achten naar het
dorp te gaan voor een telefoonkaart. Na enige tijd - waarin al blijkt, dat alle cliënten
zonder uitzondering bij de receptie terechtkunnen voor hun telefoonkaart - krijgt de pvp
officieel antwoord van het management: de argumenten van zowel de pvp als de cliënten
hebben erin geresulteerd dat de instructies aan het personeel zijn ingetrokken, en dat
telefoonkaarten per direct zonder aanzien des persoons gekocht kunnen worden. De
veiligheid van de medewerkers zal in de toekomst de aandacht van het management houden, en
wanneer nodig zullen er andere, cliëntvriendelijke, veiligheidsmaatregelen getroffen
worden.
CA
(On)gegrond
(On)gegrond is een rubriek waarin u uitspraken van klachtencommissies van
ggz-instellingen kunt lezen. In deze PVP-krant een klacht van een cliënt die het
activiteitencentrum niet meer mocht bezoeken, verder een protest van een cliënt tegen een
gedwongen ontslag, en ten slotte de bespreking van een klacht over het doorbreken van de
geheimhoudingsplicht, aangevuld met een toelichting door onze juriste Ada Blok.
Een bezoeker van een DAC (Dag Activiteiten Centrum) heeft een
toegangsverbod gekregen voor de duur van ruim twee jaar. Deze cliënt dient hierover een
klacht in bij de klachtencommissie omdat hij zich van geen kwaad bewust is. Hij heeft zich
immers nooit (bewust) provocerend uitgelaten jegens bezoekers en medewerkers van het DAC
en daarnaast heeft hij zich gehouden aan de huisregels en de afspraken die met hem zijn
gemaakt na een eerdere schorsing. Een probleem is dat deze afspraken niet schriftelijk
zijn vastgelegd. De cliënt vindt ook dat het toegangsverbod te lang duurt. De
aangeklaagde beroept zich op 'gevoelens van angst en onveiligheid' bij bezoekers en
medewerkers van het DAC, die ontstonden door het gedrag van klager. Naar aanleiding van
het eerdere toegangsverbod zijn afspraken gemaakt met klager over diens gedrag. Gedurende
drie maanden heeft het personeel geprobeerd klager zo ver te krijgen dat hij zich aan deze
afspraken zou houden maar dat is niet gelukt. Ook meent de aangeklaagde dat klager niet in
staat is het effect dat zijn handelen heeft op anderen, in te schatten. Klager komt
stelselmatig afspraken niet na en probeert grenzen te verleggen.
Gezien de situatie heeft
men besloten de betreffende cliënt een toegangsverbod op te leggen. Men baseert zich
hierbij op een instellingsprotocol over het uitvaardigen en toepassen van een
terreinverbod.
De klachtencommissie is het gedeeltelijk eens met de aangeklaagde. Het
toegangsverbod was terecht omdat de betreffende cliënt door zijn gedrag zorgde voor een
ernstige verstoring van het behandel- en zorgklimaat in het DAC. Dat deel van de klacht
wordt door de commissie dan ook ongegrond verklaard. De klacht over de duur van het
toegangsverbod is volgens de commissie gegrond. Men heeft zich namelijk niet aan het
eerder genoemde protocol gehouden. Cliënt heeft in de eerste plaats geen mondelinge
waarschuwing gekregen met een schriftelijke bevestiging en daarnaast kan volgens het
protocol slechts een terreinverbod worden afgegeven voor de duur van drie maanden of een
jaar. Een terreinverbod van twee jaar is dus strijdig met het protocol.
Nadat hij is ontslagen uit een kliniek voor verslavingszorg, legt een cliënt zijn
bezwaren tegen het gedwongen ontslag voor aan de klachtencommissie. De gevolgen van het
gedwongen ontslag zijn immers groot. Klager onderging een detentievervangende behandeling
en werd na zijn ontslag weer gedetineerd. Uit de uitspraak blijkt dat er volgens de
commissie veel is misgegaan rond de ontslagprocedure. Na het weekendverlof lukte het
cliënt niet om op de afgesproken tijd weer aanwezig te zijn in de kliniek. Volgens een
richtlijn over te laat komen voor cliënten moeten zij zich echter uiterlijk om 12.00 uur
melden. Doet een cliënt dit niet, dan gaat men er van uit dat die cliënt met de
behandeling wil stoppen. Medewerkers van de kliniek hebben nog wel geprobeerd telefonisch
contact op te nemen met cliënt maar men kon zijn telefoonnummer niet vinden. Later blijkt
dit nummer gewoon in het dossier te staan. Via een contactpersoon kwam het personeel er
achter waar cliënt verbleef maar er werd geen contact met hem opgenomen. Vervolgens ging
de behandelcoördinator halverwege de ochtend weg met de instructie dat cliënt, indien
hij zich om 12.00 uur nog niet zou hebben gemeld, ontslag zou krijgen. Om 12.15 uur belde
de cliënt met de afdeling en kreeg hij te horen dat hij was ontslagen.
De
klachtencommissie verklaart de klacht gegrond. Men is van oordeel dat de richtlijn met
betrekking tot te laat komen onvoldoende waarborgen bevat over de te volgen werkwijze en
dat er te weinig mogelijkheden zijn tot belangenafweging. Cliënt had, zo vindt de
commissie, een waarschuwing moeten krijgen. Verder oordeelde de commissie dat er fouten
zijn gemaakt bij de pogingen om telefonisch contact te zoeken met klager en had de
behandelcoördinator niet de instructie achter mogen laten dat cliënt ontslagen zou
worden indien hij niet vóór 12.00 uur contact op zou nemen. Volgens de commissie had de
besluitvorming hierover overgedragen moeten worden aan de vervanger en die had
geraadpleegd moeten worden. De commissie was verbaasd over het feit dat de klager geen
schriftelijke bevestiging en motivering van zijn gedwongen ontslag heeft ontvangen. Verder
verzoekt de commissie aan de Raad van Bestuur er op toe te zien dat klager op de kortst
mogelijke termijn een nieuwe detentievervangende opname aangeboden krijgt. Als aanbeveling
suggereert de commissie de richtlijnen voor het omgaan met het te laat komen van cliënten
te herzien en, in samenhang met bijvoorbeeld het protocol 'gedwongen ontslag', te bekijken
op mogelijke strijdigheid met de wet en richtlijnen van de inspectie.
Een cliënte die zelfstandig - met een rechterlijke machtiging en dwangbehandeling - op
het terrein van een instelling woont, dient een klacht in over schending van haar privacy.
Eerder dit jaar moest zij in verband met een crisissituatie tijdelijk naar een klinische
afdeling. Tijdens haar afwezigheid werden in haar woning de knippen van de voordeur
gehaald. Hulpverleners kunnen daardoor haar woning betreden, ook op momenten dat cliënte
dat niet wil. Tijdens de zitting voert klaagster aan dat ze zich aangetast voelde in haar
privacy en dat ze zich niet meer veilig voelt in haar huis, nu mensen zonder haar
toestemming binnen kunnen komen. De aangeklaagde psychiater is van mening dat het
verwijderen van de knippen noodzakelijk was in verband met de veiligheid van cliënte en
medebewoners. Na medicatieweigering en onder invloed van hallucinaties heeft cliënte
immers meerdere malen brand gesticht in haar woning. De pvp vraagt zich af of er niet
beter gewacht had kunnen worden met het verwijderen van de knippen tot klager weer terug
was in haar woning, maar volgens de psychiater was dit niet mogelijk. Tijdens de
crisisopname was het gezien de toestand van klaagster niet mogelijk om met haar te
overleggen en toestemming te vragen om de woning te betreden, ook al heeft er volgens de
psychiater wel een gesprek hierover plaatsgevonden. Cliënte kan zich van een dergelijk
gesprek niets herinneren en ook in het dossier is geen verslag van het gesprek terug te
vinden. De psychiater vond het noodzakelijk om de knippen te verwijderen vóór cliënte
terug zou keren in haar woning en als cliënte om toestemming was gevraagd, had zij die
volgens hem toch niet gegeven. Technisch gezien was het ook niet mogelijk de terugkeer van
cliënte in haar woning samen te laten vallen met het verwijderen van de knippen.
De
klachtencommissie verklaarde de klacht gegrond, voor zover het ging om het betreden van de
woning zonder expliciete toestemming van klaagster. De commissie vindt het echter niet
verwijtbaar dat de knippen zijn verwijderd toen klaagster nog niet in haar woning aanwezig
was. Het laten samenvallen van het verwijderen van die knippen met terugkeer van klaagster
was volgens de commissie in de praktijk moeilijk te realiseren.
Tijdens een uit de hand
gelopen gesprek grijpt een patiënte een verpleegkundige bij haar trui. De verpleegkundige
weet zich los te maken en trekt zich terug om verdere escalatie te voorkomen. Haar
leidinggevende meldt het incident echter bij de politie conform afspraken die over de
patiënte zijn gemaakt in het behandelteam. De patiënte stapt naar de klachtencommissie
van het ziekenhuis en klaagt daar, onder meer, dat de leidinggevende haar beroepsgeheim
heeft geschonden met de melding aan de politie.
De klachtencommissie acht de klacht op dit
onderdeel gegrond. Hoewel bij de melding alleen informatie is verstrekt over wat feitelijk
was voorgevallen en niet over de medische achtergrond of gezondheidstoestand van de
patiënte, vindt de commissie dat ook deze niet-medische gegevens, informatie is 'die de
hulpverlener in het kader van de behandeling heeft verkregen', en daardoor onder het
beroepsgeheim valt. De in het behandelteam gemaakte afspraken acht de commissie in strijd
met de criteria die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld voor het doorbreken van de
zwijgplicht van de hulpverlener. 'Er zal in ieder geval bij elk incident en/of voorval
conform genoemde criteria een zorgvuldige afweging moeten worden gemaakt of er sprake is
van feiten of omstandigheden die het doorbreken van de zwijgplicht rechtvaardigen', aldus
de commissie. De verpleegkundige en haar leidinggevende hebben de commissie er onvoldoende
van kunnen overtuigen dat het doorbreken van de zwijgplicht in dit geval gerechtvaardigd
was. (Deze uitspraak is eerder gepubliceerd in het blad BJ, Bopz-jurisprudentie, 2003,
46.)
Toelichting door Ada Blok, juriste bij de Stichting PVP: 'De Wgbo (Art. 7:457 BW)
verbiedt de hulpverlener om zonder toestemming van de patiënt inlichtingen over hem aan
derden te verstrekken. Deze geheimhoudingsplicht is ook opgenomen in art. 88 van de Wet
Big, terwijl art. 9 lid 4 van de Wet bescherming persoonsgegevens en art. 272 van het
Wetboek van Strafrecht eveneens een verbod op het doorbreken van de geheimhoudingsplicht
bevatten. De in de jurisprudentie ontwikkelde criteria voor doorbreking van de zwijgplicht
zijn, onder andere, dat dit de enige mogelijkheid is om ernstige schade voor een ander te
voorkomen, dat alles is geprobeerd om toestemming van de patiënt te verkrijgen en dat het
geheim zo beperkt mogelijk wordt geschonden. De hulpverlener moet zich geplaatst zien voor
een 'conflict van plichten', dat wil zeggen: enerzijds de plicht om het geheim te bewaren
en anderzijds de (burger)plicht om schade aan derden te voorkomen of te beperken. De
klachtencommissie oordeelde in deze zaak terecht dat van een dergelijk conflict van
plichten niet was gebleken. Tevoren had het behandelteam al afgesproken dat de politie
mocht worden ingeschakeld als de patiënte aan een personeelslid een bedreigd gevoel zou
geven. Wellicht kan deze uitspraak voor de psychiatrische instellingen richtinggevend zijn
ten aanzien van de door ons in de PVP-jaarkrant van september 2002 gesignaleerde tendens,
dat in toenemende mate de hulp van politie of beveiligingsbeambten wordt ingeroepen.'
RH
Rechtspraak
De PVP-krant zet in ieder nummer interessante rechtspraak in de psychiatrie op een rij.
Deze keer een verslag van het inschakelen van een onafhankelijke deskundige door de
rechtbank, diverse uitspraken met betrekking tot de geneeskundige verklaring die gemaakt
moet worden bij een verzoek om een rechterlijke machtiging, en ten slotte een uitspraak
over de onrechtmatigheid van het intrekken van een voorlopig ontslag.
Voor een patiënt met een lange psychiatrische voorgeschiedenis wordt een machtiging
tot voortgezet verblijf verzocht. Ondanks de lange voorgeschiedenis, is er pas sinds twee
jaar sprake van gedwongen opneming. De behandelaar acht gevaar aanwezig omdat de patiënt
een geringe frustratietolerantie heeft, hetgeen zich uit in verbale en fysieke agressie,
en omdat hij zichzelf zou verwaarlozen.De patiënt zelf zegt in te zien dat hij
behandeling nodig heeft, maar hij wil dit op vrijwillige basis.De rechtbank oordeelt dat
er kennelijk een patstelling is ontstaan die de patiënt en de behandelaar niet zelf weten
te doorbreken en laat een onderzoek door een onafhankelijke deskundige verrichten. De
deskundige is van oordeel dat dwang gecontra-indiceerd is, omdat dit slechts een
machtsstrijd oplevert. Ook adviseert de deskundige om de patiënt over te plaatsen naar
een instelling waar hij zo zelfstandig mogelijk kan zijn en waar veel getolereerd wordt.
De rechtbank neemt het oordeel van de deskundige over maar verleent de machtiging
niettemin, zodat de instelling waar de patiënt verblijft hem kan voorbereiden op een
overplaatsing naar een instelling zoals door de deskundige is geadviseerd. Omdat dit het
enige doel is van de machtiging, wordt deze voor een kortere duur verleend, namelijk voor
6 maanden (Rb Alkmaar 24-4-2003, BJ 2003, 36).
De eisen waaraan de geneeskundige verklaring moet voldoen was de afgelopen periode
regelmatig onderwerp van bespreking in de rechtspraak. De Rechtbank Amsterdam verleende
een voorlopige machtiging voor de duur van een maand voor een patiënt die bij herhaling
had geweigerd om mee te werken aan het bij gedwongen opneming verplichte onderzoek door
een psychiater. De geneeskundige verklaring was daarom gebaseerd op mededelingen van de
behandelend psychiater en de ouders van de patiënt, alsmede de indrukken die de
onderzoekend psychiater bij de mislukte huisbezoeken had gekregen. De rechtbank oordeelde
dat verder onderzoek in deze omstandigheden niet van de onderzoekend psychiater kon worden
verlangd, maar beperkte de geldigheidsduur van de machtiging zodat die periode kon worden
gebruikt om nader psychiatrisch onderzoek te verrichten (Rb Amsterdam 11-6-2003, BJ 2003,
39).
Een week later kreeg dezelfde rechtbank te oordelen over een voorlopige machtiging voor
een al in het psychiatrisch ziekenhuis verblijvende vrouw. De patiënte stelde dat de
psychiater die de geneeskundige verklaring had opgemaakt niet onafhankelijk was, omdat hij
bij haar behandeling betrokken zou zijn geweest. De psychiater ontkende dit; hij had
slechts in adviserende zin een overleg gehad met de behandelend psychiater van de vrouw.
De rechtbank oordeelde dat dit overleg niet kan worden aangemerkt als betrokkenheid bij de
behandeling in de zin van de wet en verleende de machtiging (Rb Amsterdam 18-6-2003, BJ
2003, 40).
De rechtbank Groningen verleende een voorlopige machtiging voor een patiënt zonder
vaste woon- of verblijfplaats, zonder hem te hebben gehoord.Geprobeerd was om de man te
spreken op adressen waar hij mogelijk kon worden aangetroffen, maar daar was hij niet
aanwezig. Vervolgens was hem via het Straatteam van de GGD verzocht om mee te werken aan
een psychiatrisch onderzoek, maar dit leidde er slechts toe dat hij zich snel onttrok aan
verder contact. Ten slotte was de man via een regionaal dagblad opgeroepen om op de
zitting van de rechtbank te verschijnen, maar ook dit had geen resultaat. De rechtbank
oordeelde dat aan het vereiste dat een 'in redelijkheid te vergen inspanning wordt
tentoongespreid om zo enigszins mogelijk medisch onderzoek te doen plaatsvinden' in dit
geval was voldaan en verleende de machtiging (Rb Groningen 24-7-2003, BJ 2003, 41).
Ook de rechtbank 's Hertogenbosch verleende een voorlopige machtiging voor een patiënt
die niet was gehoord en bovendien psychiatrisch onderzoek weigerde. De patiënt vermeed
niet alleen contact met de onderzoekend psychiater, maar weigerde ook om met een sociaal
psychiatrisch verpleegkundige te praten. Bij het verhoor door de rechter had de patiënt
zich in zijn kamer opgesloten en weigerde hij om de rechter in zijn kamer toe te laten of
met hem te praten. De geneeskundige verklaring was hierdoor slechts gebaseerd op de
verklaringen van de moeder van de patiënt en de toelichting die tijdens de zitting door
de psychiater en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige was gegeven (Rb 's Hertogenbosch
25-4-2003, BJ 2003, 42).
Een patiënt die
al bijna twee jaar met voorwaardelijk ontslag buiten het psychiatrisch ziekenhuis
verblijft, wordt thuis opgehaald en via het politiebureau per ambulance naar het
ziekenhuis gebracht en daar gedwongen opgenomen. Pas zes dagen later ondertekent de
geneesheer-directeur het besluit tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag, dat de
patiënt vervolgens pas twee maanden later via zijn advocaat onder ogen krijgt. De
patiënt gaat in beroep bij de rechtbank tegen de intrekking van het voorwaardelijk
ontslag. De rechtbank constateert dat niet duidelijk is wie de beslissing om de patiënt
weer op te nemen genomen heeft, nu in dit verband de afdelingsarts, de Riagg-psychiater en
de geneesheer-directeur naar elkaar wijzen. Nu bovendien de patiënt niet voorafgaand aan
het intrekken van het voorwaardelijk ontslag door de geneesheer-directeur is gehoord en
hij pas twee maanden later via zijn advocaat heeft vernomen wat de redenen voor die
intrekking waren kan volgens de rechtbank niet gesproken worden van een zorgvuldige
voorbereiding van het besluit. De rechtbank oordeelt dat de beslissing van de
geneesheer-directeur niet rechtmatig was en vernietigt deze (Rb Roermond 19-6-2003, BJ
2003, 45).
De rechtbank overweegt in deze beschikking dat de geneesheer-directeur bij de
beslissing om een voorwaardelijk ontslag in te trekken handelt als bestuursorgaan. 'In die
publiekrechtelijke functie is de geneesheer-directeur gebonden aan de algemene
gezichtspunten en voorschriften die in het bijzonder gelden voor besluiten op
bestuursrechtelijk terrein zoals bijvoorbeeld de zorgvuldige voorbereiding van een besluit
en de belangenafweging, de hoorplicht, de motiveringseisen en de wijze van bekendmaking
van de beslissing', aldus de rechtbank. De rechtbank verwijst hier naar de algemene
zorgvuldigheidseisen in de Algemene wet bestuursrecht, die bij beslissingen die de
geneesheer-directeur als bestuursorgaan neemt (zoals het intrekken van verlof en
voorwaardelijk ontslag) rechtstreeks toepasselijk zijn.
De Wet Bopz zelf vereist dat de geneesheer-directeur de patiënt binnen vier dagen na
de intrekking van het voorwaardelijk ontslag gemotiveerd schriftelijk in kennis stelt van
zijn beslissing.
AB
Nieuws
Al eerder berichtten wij in de krant (o.a. PVP jaarkrant najaar 2002, p.5) over de
voorwaardelijke machtiging en het voornemen het woordje 'ernstig' uit art. 38 lid 5 Wet
Bopz te schrappen. Tevens maakten wij toen melding van de zogenaamde observatiemachtiging.
Inmiddels is bekend geworden dat de voorwaardelijke machtiging met ingang van 1 januari
2004 in werking treedt. Ook het schrappen van 'ernstig' uit art. 38 lid 5 Wet Bopz wordt
op die datum ingevoerd. De observatiemachtiging treedt evenwel voorlopig nog niet in
werking. Er moet eerst zogeheten 'reparatiewetgeving' komen die het mogelijk moet maken om
de patiënt binnen te houden in het ziekenhuis. Zonder die mogelijkheid is de kans immers
groot dat de maatregel zijn doel voorbij schiet. Nieuwe machtigingsvariant De
voorwaardelijke machtiging is een nieuwe machtigingsvariant die bedoeld is om gedwongen
opname te voorkomen. Dit gebeurt door middel van het stellen van voorwaarden (veelal het
gebruik van medicatie), waar de patiënt van tevoren mee in moet stemmen en die door de
rechter worden vastgelegd. Een voorwaarde is in ieder geval dat de patiënt zich onder
behandeling stelt van een behandelaar volgens een in overleg met hem opgesteld
behandelingsplan. Zolang de patiënt geen gevaar veroorzaakt en de voorwaarden naleeft,
verblijft hij gewoon thuis. Mocht er buiten het ziekenhuis toch weer gevaar ontstaan, dan
wordt de patiënt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis dat zich hiertoe tevoren
bereid heeft verklaard. Als de patiënt zich niet aan de voorwaarden houdt, kan gedwongen
opname in dat ziekenhuis het gevolg zijn. Ook patiënten met een voorwaardelijke
machtiging hebben recht op bijstand door de pvp: dit recht is in artikel 14a lid 9 van de
Wet Bopz opgenomen.
'Ernstig' geschrapt
Door het schrappen van 'ernstig' uit art. 38 lid 5 Wet Bopz wordt de mogelijkheid om
dwangbehandeling toe te passen verruimd. Het criterium wordt nu 'gevaar voor de patiënt
zelf of anderen' in plaats van 'ernstig gevaar voor de patiënt zelf of anderen'. De
jurisprudentie zal moeten uitwijzen wat de gevolgen zullen zijn van deze wetswijziging.
Duidelijk is wel dat de criteria voor dwangopneming en dwangbehandeling uiteen zullen
blijven lopen en dat ook in de toekomst dwangopneming niet per definitie legitimeert tot
dwangbehandeling.
Verhaal cliënt
Voet bij stuk
Pvp'en maken het regelmatig mee: psychiatrische cliënten met somatische klachten, die
niet serieus worden genomen door hun behandelaars, zowel in de ggz, als in de somatische
gezondheidszorg. Niet zelden leidt dat tot een behoorlijke verergering van hun
lichamelijke klachten. En nog veel vaker tot twijfels bij de cliënt over zijn eigen
waarneming. Marleen, een vitaal ogende veertiger, overkwam dat laatste. 'Tijdens mijn
klinische opname in de psychiatrie, kreeg ik ongelooflijke pijn aan mijn handen. Op mijn
medicatielijst stond dat ik zonodig een pijnstiller mocht. Er stond precies bij omschreven
om wat voor pijn het mocht gaan: hoofdpijn. Nadat ik in een week tijd tot drie keer toe
een pijnstiller voor de pijn aan mijn handen had gevraagd, kreeg ik niet meer. Handenpijn
was geen hoofdpijn, basta. Het heeft maanden geduurd voor ik eindelijk serieus werd
genomen en werd doorverwezen voor nader onderzoek. In de verwijsbrief stond, naast mijn
somatische klacht, mijn complete psychiatrische geschiedenis opgesomd. Probeer dan nog
maar eens een fatsoenlijk gesprek te voeren over je klachten! Een operatie heeft de
ondraaglijke pijn uiteindelijk opgelost. Ondertussen was ik serieus aan mezelf gaan
twijfelen: was ik dan echt gek geworden in plaats van depressief, de reden van mijn
opname? Zag en voelde ik nu ook al zaken die er niet waren?'
Enige tijd later, Marleen was inmiddels in dagbehandeling, kreeg ze last van een grote
knobbel op haar voet. Ze werd deze keer vlot doorgestuurd naar de orthopedisch chirurg,
misschien wel omdat de bult zo goed zichtbaar was. Hij beoordeelde dat de knobbel
operatief verwijderd diende te worden, tijdens een dagopname. 'Terwijl ik daar in bed lag
te wachten tot ik aan de beurt was, viel mijn oog op een vragenlijst op mijn nachtkastje.
Er stond onder andere dat de patiënt de eerste nacht na de operatie niet alleen mocht
doorbrengen. Aangezien ik op dat moment alleen woonde, zocht ik een verpleegkundige op om
nadere informatie te vragen. Op haar beurt vroeg zij het aan een collega, verderop in de
gang. Deze antwoordde luid en duidelijk: 'Mevrouw komt toch uit de psychiatrie?!'. Men was
er vanuit gegaan dat ik zowel de vragenlijst niet hoefde in te vullen, als dat er ook
vanzelfsprekend 'nachtopvang' voor mij zou zijn, 'omdat ik uit de psychiatrie kwam'. Ik
kan je verzekeren dat mijn zelfwaardering - toch al niet altijd even hoog - op dat moment
onder nul zakte'. Deze negatieve ervaringen hebben Marleen wel alerter gemaakt. 'Je kunt
zeggen dat ik door schade en schande wijs ben geworden, ik probeer nu voet bij stuk te
houden, hoe moeilijk dat soms ook is, omdat ik geleerd heb meer te vertrouwen op wat ík
voel.'
AdG
Om redenen van privacy is de naam Marleen gefingeerd.
|