pvp
Home Organisatie Cijfers Contact Medewerkers

Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg

 

14e jaargang nummer 1 voorjaar 2004

Inhoudsopgave

Voorwoord

Frédérique Schleidt-Couprie, coördinator Helpdesk PVP. "Ik kan me voorstellen dat fysiek ingrijpen soms onvermijdelijk is."

Met belangstelling heb ik de laatste tijd de discussie gevolgd over het wel of niet wettelijk verbieden van fysiek ingrijpen bij kinderen. Zelf moeder van 3 kleine kinderen zit ik ook af en toe met mijn handen in het haar als mijn verbale overtuigingskracht onvoldoende werkt. En zoals vele ouders, heb ook ik wel eens mijn heftig spartelende peuter in de supermarkt opgepakt omdat we van mening verschilden over de noodzakelijkheid van een bepaalde zoete aankoop. Ik denk niet dat deze vorm van fysiek ingrijpen ter discussie staat, net als bijvoorbeeld de tik op de billen. Maar als het gaat om pijn en vernedering, dan wordt het een ander verhaal en een eventueel wettelijk verbod doelt volgens mij op dit soort gevolgen van fysiek ingrijpen. In de jeugdpsychiatrie bestaat al enige jaren een richtlijn die pijn, straf en vernedering niet toelaat als reden of gevolg van lichamelijk ingrijpen. Toch blijkt uit het artikel in deze krant met de adembenemende kop ‘Ik hoorde het kraken in mijn pols’ dat er met enige regelmaat kinderen pijn en vernedering ervaren wanneer groepsleiding fysiek ingrijpt. Het lijkt mij erg moeilijk om kinderen met psychiatrische problematiek te begeleiden en ik kan me voorstellen dat fysiek ingrijpen soms onvermijdelijk is. Toch moest ik echt een paar keer slikken bij het lezen van de verschillende voorbeelden van kinderen die tijdens het fysiek ingrijpen in meer of mindere mate pijn hebben geleden.

Een richtlijn van een heel andere orde is het model huisreglement van GGZ Nederland. Ook deze regeling is nog lang geen gemeengoed in de geestelijke gezondheidszorg. Dit blijkt onder andere uit het onderzoek van de Inspectie waarover u in het artikel ‘Tien jaar Bopz’ kunt lezen. Ook in de rubriek signalen wordt aandacht besteed aan een instelling die in strijd met het modelreglement een algemeen verbod op alcohol in zijn huisregels heeft opgenomen. Als pvp krijg ik bij de behandeling van dit soort klachten vaak te horen ‘dat het toch logisch is dat zaken die slecht zijn voor de cliënt worden verboden’. En dat is nou net wat mij zo trekt aan het werk van de pvp. De vraag wie bepaalt wat goed en slecht is voor een cliënt, ligt in principe bij de cliënt zelf en daarom komt de pvp op voor de belangen van de cliënt ‘zo als de cliënt die ziet’. Pas wanneer er juridische argumenten zijn om iemand in zijn recht te beperken, kan iemand anders (een behandelaar of rechter bijvoorbeeld) bepalen wat goed is voor een cliënt. In het verhaal van de pvp kunt u lezen over de moeite die vooral medewerkers van de instellingen hebben met dit uitgangspunt.

Voordat ik 8 jaar geleden pvp werd, werkte ik als verpleegkundige op een opnameafdeling. Ik kreeg toen de opdracht om een cliënte om 8 uur ’s ochtends te wekken. Cliënte was echter van mening dat ze niet op hoefde te staan omdat ze toch niks te doen had. Op mijn vraag of ze geen therapie had, antwoordde ze dat de therapie uitviel vanwege ziekte van de therapeut. Met deze informatie kwam ik zonder cliënte terug op de afdeling. Mijn collega’s waren niet te spreken over mijn ‘slappe houding’. Cliënte moest gewoon opstaan, omdat het normaal is om op werkdagen vroeg op te staan. Op dat moment wist ik dat ik niet langer als verpleegkundige kon werken. Deze manier van redeneren is wat mij betreft de wereld op zijn kop. De zieke therapeut hoefde niet vervangen te worden maar de cliënte moest wel opstaan om vervolgens niks te doen te hebben! In de rubriek (on)gegrond wordt een klacht over het veelvuldig uitvallen van therapieën gegrond verklaard. Naast de wettelijke mogelijkheden om cliënten in hun rechten te beperken, bestaat er gelukkig ook nog zo iets als het recht op behandeling.

Frédérique Schleidt-Couprie, coördinator Helpdesk PVP, en tot eind 2003


Ik hoorde het kraken in mijn pols

Fysieke inperking bij kinderen leidt tot klachten over pijn en vernedering

Nog steeds komt het voor dat men kinderen jonger dan 12 jaar pijn doet bij het toepassen van lichamelijke dwang. Dit gebeurt ondanks de richtlijn van GGZ Nederland, die bepaalt dat fysieke inperking het kind geen zeer mag doen. Volgens de richtlijn mogen jonge kinderen niet worden vastgebonden. In een aantal instellingen gebeurt dit echter nog volop.

Uit een onderzoek van de Stichting PVP blijkt, dat twee jaar na het verschijnen van de richtlijn ‘Fysieke inperking’ nog lang niet alle instellingen op één lijn zitten. Kinderen worden nog steeds vastgebonden, in een aantal instellingen staat niks op papier, of de hulpverleners zijn niet voldoende getraind in het professioneel toepassen van fysieke inperking. Nog steeds past men methoden toe die in strijd zijn met de eis om fysieke pijn en psychische vernedering zoveel mogelijk te voorkómen. Daarnaast voldoen de melding en registratie lang niet altijd aan de richtlijn.

Af en toe lijkt het onvermijdelijk: een kind met een psychische stoornis of verstandelijke handicap gaat uit zijn dak of is zo onhandelbaar, dat praten niet meer helpt. Dan blijft er soms niets anders over dan het kind beet te pakken om het rustig te krijgen. Het is de bedoeling dat het kind daarbij geen pijn wordt gedaan. Helaas gebeurt dat wel: in 2003 ontvingen we 30 klachten over dit onderwerp van kinderen onder de 12 jaar.

Het bij de arm of de pols pakken van het kind om het bijvoorbeeld naar de kamer te brengen komt in alle klinieken regelmatig voor. Ook het kind fysiek dwingen op een stoel of aan tafel te blijven zitten gebeurt met enige regelmaat in de meeste klinieken, evenals het kind tegen het lichaam van de hulpverlener drukken, vast nemen of optillen. Een aantal klinieken geeft aan dat men wat deze methode terughoudend is, speciaal wanneer het kinderen betreft die te maken hebben gehad met seksueel misbruik.

In de meeste klinieken komt het nog wel voor dat men een kind plat op de grond legt en zo verhindert te gaan staan. Maar geen enkele kliniek geeft aan dat dit regelmatig gebeurt. Dit zijn veeleer uitzonderingen.

Pijnprikkel

In een groot aantal klinieken komen methoden voor die niet in de richtlijn genoemd worden en waarvan het ook zeer twijfelachtig is of ze voldoen aan de eisen van deskundigheid die de richtlijn geeft. Dit zijn methoden waarbij het kind een pijnprikkel gegeven wordt, zoals het bokkenpootje, de vingers naar achteren buigen, het omdraaien van de arm op de rug en dan de onderarm naar boven duwen. Deze methoden lijken in strijd met de eis om fysieke pijn en psychische vernedering zoveel mogelijk te voorkómen. Dit leidt ook tot klachten waar kinderen mee bij de pvp komen. In sommige klinieken worden deze methoden zelfs in een training gegeven aan de groepsleiding.

Er zijn in Nederland 16 klinieken waar kinderen jonger dan 12 jaar met psychiatrische problematiek kunnen worden opgenomen en behandeld. Regelmatig komen deze kinderen bij de pvp met de klacht dat zij door de groepsleiding te hard zijn beetgepakt. Achteraf snappen kinderen vaak wel dat de groepsleiding even moet ingrijpen wanneer een kind een heftige driftbui heeft en helemaal door het lint gaat, maar ze beklagen zich er dan over dat het veel te hard en pijnlijk was.

Vastbinden

Uit het onderzoek van de Stichting PVP blijkt dat vastbinden, de mechanische vorm van fysieke inperking, in tegenstelling tot de algemene opvatting in een klein aantal instellingen in beperkte mate wel vóórkomt. Een aantal pvp’en werkt in klinieken waar kinderen met een verstandelijke beperking en een psychiatrische stoornis zijn opgenomen. In deze klinieken komt het nog voor dat kinderen door middel van een brede band (Zweedse band) worden gefixeerd. De richtlijn is echter niet op deze groep toegesneden.

Richtlijn

De Richtlijn Fysieke Inperking is bedoeld voor kinderen onder de twaalf jaar die in een psychiatrische inrichting verblijven.

Hoewel de sector erkent dat de problematiek van het fysiek inperken één van de meest moeilijke problemen is binnen de kinder- en jeugdpsychiatrie, was hierover tot 2000 nog nauwelijks wet- en regelgeving. Op verzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg riep GGZ Nederland een werkgroep in het leven om een richtlijn te maken. In 2002 is deze richtlijn gepubliceerd en werden de klinieken geacht deze richtlijn na te leven.

De richtlijn onderscheidt twee vormen van fysieke inperking. Onder de eerste vorm wordt verstaan dat ‘een of meer hulpverleners een kind bij de pols, arm of andere delen van het lichaam vasthouden’. De tweede vorm van fysieke inperking is de mechanische vorm, het vastbinden van het kind aan een stoel of een bed. Hier gaat de richtlijn niet nader op in: de opvatting is dat dergelijke vormen van fixatie niet bij kinderen behoren te worden toegepast.

Fysieke inperking kan worden toegepast om onheil voor het kind of anderen af te wenden, terwijl (de schijn van) strafoplegging en vernedering van het kind moet worden voorkomen. De richtlijn adviseert registratie en melding aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg.

De Richtlijn Fysieke Inperking (publicatienr. 2002-179) is gratis op te vragen bij GGZ Nederland. T 030 2804870 of repro@ggznederland.nl

In de meeste instellingen is er op basis van de richtlijn beleid opgesteld of is dit in de maak. Niet alle instellingen beschikken echter over een dergelijk beleid. In één instelling wordt de begeleiding mondeling overgedragen, in combinatie met de richtlijn die men binnen de cursus ‘Controle Fysieke Beheersing’ krijgt. In een andere instelling wordt de richtlijn intergraal besproken en fungeert deze als instellingsbeleid.

Volgens de richtlijn moet de hulpverlener voldoen aan de ‘professionele standaard’. Dit brengt met zich mee dat de hulpverlener op de hoogte is van de verpleegkundige technieken (zoals bijvoorbeeld Controle en Fysieke Beheersing (CFB) technieken).

Uit het onderzoek blijkt dat in de meeste instellingen aandacht is voor de scholing van de hulpverleners. De meeste psychiatrische instellingen trainen de hulpverleners in het toepassen van CFB-technieken. Elke hulpverlener volgt een dergelijke training en herhaalt deze meerdere keren per jaar. Er zijn echter ook instellingen waar niet alle hulpverleners worden geschoold. Een oorzaak hiervan is een groot verloop van personeel en het niet regelmatig houden van trainingen.

Ouders

Wanneer een vorm van fysieke inperking heeft plaatsgevonden, schrijft de richtlijn voor, dan dient er overleg met de ouders plaats te vinden. De behandelaar hoort hen zo open en adequaat mogelijk te informeren over de redenen voor de toegepaste beperking. De meeste instellingen stellen inderdaad  de ouders op de hoogte van de fysieke inperking. Er is een instelling die eens per drie maanden de ouders informeert. Andere instellingen doen dit direct nadat fysieke inperking is toegepast. In enkele instellingen gebeurt melding slechts na ernstige incidenten of wanneer op de inperking een afzondering volgt.

Registratie

De richtlijn bepaalt dat alle toepassingen van fysieke inperking op systematische wijze dienen te worden geregistreerd. Voor fysieke inperking bij jongeren onder de twaalf die niet krachtens een Bopz-maatregel zijn opgenomen, geldt geen wettelijke meldingsplicht bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Echter, in de richtlijn wordt aan de instellingen aangeraden om dit toch aan de Inspectie te melden.

De meeste instellingen registreren fysieke inperking op gestandaardiseerde formulieren. Deze formulieren geeft de groepsleiding meestal aan de behandelaar of de eerste geneeskundige. Slechts een aantal instellingen stuurt deze gegevens tevens door naar de Inspectie. In enkele instellingen is er geen standaard formulier en maakt alleen de dagrapportage melding van fysieke inperking.

De pvp

De richtlijn biedt criteria voor het professioneel toepassen van fysieke inperking. Dit geeft de pvp handvatten bij de behandeling van individuele klachten van kinderen en het signaleren van tekortkomingen. In 2003 behandelden pvp’en 11 klachten over het toepassen van dwang als pedagogische maatregel, 5 klachten over fixatie en 11 klachten over fysiek geweld. De meeste klachten gingen over het pijnlijk toepassen van fysieke inperking.

In één instelling leidde de interventie van de pvp tot aanpassing van de CFB-training. In een andere instelling werd de frequentie van de trainingen verhoogd.

De Stichting PVP hoopt dat de resultaten van dit onderzoek instellingen aanzetten om aandacht te blijven besteden aan het professioneel toepassen van fysieke inperking bij kinderen.


Bokkenpootje

Maarten, een jongen van 10 jaar, dient een klacht in bij de pvp. Een groepsleider heeft hem met een ‘bokkenpootje’ naar zijn kamer gebracht. Dat deed hem heel erg zeer. De pvp kent de term ‘bokkenpootje’ niet, maar in de kliniek blijkt het een ingeburgerde term te zijn. Men buigt de hand van het kind bij de pols naar voren tot de pijngrens. Wanneer het kind zich verzet, geeft men wat meer druk, zodat het pijn gaat doen. Maarten vertelt dat hij het in zijn pols voelde kraken en dat het nog steeds gevoelig is.

Naar de markt

Lotte wil niet aan tafel komen, ze kunnen barsten. De groepsleiding had beloofd dat ze mocht computeren, maar het gaat wéér eens niet door, omdat de hele groep straf heeft. Lotte neemt zich voor om te doen als of ze niet bestaan, die leiding. Als Geert binnenkomt negeert ze hem. Hij pakt haar arm bij de elleboog vast en buigt haar hand bij de pols naar beneden. ‘Naar de markt gaan’ heet dat op de afdeling. Hoe Lotte ook gilt en schreeuwt, Geert laat niet los, hij knijpt wel harder. Met haar hand in de klem duwt hij Lotte voor zich uit naar de eetkamer en dwingt haar aan de eettafel te gaan zitten. Lotte voelt zich vernederd en gekwetst. De hele groep heeft het gezien.

Op kind zitten

Marlieke, een forse meid van 11 jaar, is opgenomen in de verstandelijk gehandicaptenzorg. Ze vertelt de pvp dat het hartstikke gemeen is dat de groepsleiding soms met z’n tweeën bovenop haar gaat zitten. De pvp reageert verwonderd: waarom gaat men op een kind zitten? Desgevraagd laat de groepsleiding weten dat dit de enige manier is om Marlieke rustig te krijgen als ze een woedeaanval heeft. Het spijt hen als Marlieke dat gemeen vindt, want dat is niet de bedoeling. Maar Marlieke is wel beresterk.

In een driegesprek met de pvp speekt Marlieke met de groepsleiding af dat bij een volgende woedeaanval Marlieke tegen een groot kussen mag trappen en slaan om haar woede te uiten. Pas als ze daardoor niet rustiger wordt zal de groepsleiding haar op de grond leggen.

(de namen van de kinderen zijn veranderd)


Tien jaar Wet Bopz

Inspectie voor de Gezondheidszorg niet tevreden over de aandacht die overheid en zorgaanbieders hebben voor de handhaving van de Wet Bopz. Tien jaar Wet Bopz: naleving niet vanzelfsprekend!

De Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen is de wet waar patiënten mee te maken krijgen als een dwangopneming of dwangbehandeling overwogen wordt of wordt toegepast. Tien jaar bestaat deze Wet Bopz nu. De afgelopen jaren is de wet regelmatig getoetst en veranderd. En ook in de nabije toekomst zullen ontwikkelingen in de samenleving en in de geestelijke gezondheidszorg bijdragen aan nieuwe wetswijzigingen. In januari van dit jaar publiceerde de Inspectie voor de Gezondheidszorg het rapport ‘De uitvoering van de Wet Bopz vraagt meer aandacht’, waarin zij de resultaten presenteert van onderzoek naar de naleving van de Wet Bopz. De Inspectie stelt hierin vast, dat er op heel wat terreinen nog het een en ander schort aan kennis en naleving van de wet en trekt op diverse punten kritische conclusies. De resultaten van vier onderzoeken naar de naleving van de Wet Bopz worden in het rapport gepresenteerd: onderzoek naar de huisregels en de beperkingen van individuele vrijheden, de preventie van dwangtoepassing, het ontslag onder voorwaarden en als laatste een onderzoek naar de staat van separeer- en afzonderingskamers in de gehandicaptenzorg. Dit laatste onderzoek wordt in het hierna volgende buiten beschouwing gelaten.

Huisregels

Er is de afgelopen jaren weinig verbeterd op het gebied van de huisregels in de instellingen, zo concludeert de Inspectie in het rapport, ondanks dat eerdere evaluaties van de Wet Bopz ook al gewezen hebben op alle mankementen in de huisregels. Alhoewel de ggz-instellingen het veel beter doen dan de instellingen voor verstandelijk gehandicapten en de psychogeriatrische verpleeghuizen, ontbreken huisregels nog geheel in negen van de vijftig ggz-instellingen die waren aangeschreven voor het onderzoek. Bovendien worden de rechten van patiënten soms op ongeoorloofde wijze beperkt door geschreven en ongeschreven huisregels en is de toonzetting van de huisregels hier en daar onnodig streng, beperkend en bevoogdend. Nog te vaak staan in huisregels sancties op het niet naleven van de huisregels. Er wordt bijvoorbeeld gedreigd met het stopzetten van de behandeling of ontslag bij het niet naleven van de huisregels. Op het gebied van persoonlijke verzorging zijn er huisregels die voorschrijven dat patiënten gewassen en gekleed aan het ontbijt verschijnen, dat men op de afdeling ‘gepaste kleding’ draagt (dit ter beoordeling van de verpleging!) of dat het uiterlijk van patiënten niet ‘aanstootgevend’ mag zijn. Maar liefst zeventien ggz-instellingen hanteren in de huisregels een compleet alcoholverbod en op het gebied van seksualiteit en intimiteit worden aan patiënten té vergaande beperkingen opgelegd. Ook het ontvangen van bezoek is soms een probleem, bijvoorbeeld door een beperking van het aantal bezoekers en het verbod om bezoek te mogen ontvangen in de eigen kamer. In haar rapport stelt de Inspectie onomwonden dat huisregels die strijdig zijn met de wet moeten worden afgeschaft. Bij het herzien van de huisregels dienen de ggz-instellingen het modelreglement van GGZ Nederland als leidraad te nemen en aan de koepelorganisaties voor de verstandelijk gehandicaptenzorg en de psychogeriatrische verpleeghuizen wordt gevraagd een zelfde leidraad te ontwikkelen.

Vrijheidsbeperkingen

Vrijheidsbeperkingen op grond van artikel 40 van de Wet Bopz worden vaak op afdelingen toegepast, maar lang niet altijd gemeld bij de geneesheer-directeur, terwijl dit toch verplicht is. In de meeste instellingen ontbreekt ook een overzicht van het aantal toegepaste maatregelen op basis van artikel 40. Die bewegingsvrijheid van patiënten wordt overigens vooral beperkt door de afdeling voor álle patiënten af te sluiten. De Inspectie wil dat er met onmiddellijke ingang een einde aan komt aan deze onzorgvuldigheden en dit oneigenlijke gebruik van artikel 40!

Preventie dwangtoepassing

Patiënten die met een Bopz-maatregel worden opgenomen krijgen regelmatig te maken met dwang. Het kan hierbij gaan om het toepassen van middelen of maatregelen of dwangbehandeling. Alhoewel het woord ‘preventie’ niet letterlijk is terug te vinden in de tekst van de Bopz, is de Inspectie van mening dat beleid, gericht op dwangpreventie noodzakelijk is. Zowel uit de geest van de wet als uit de criteria voor het gebruik van dwang valt op te maken dat in redelijkheid alles gedaan moet zijn om dwang te voorkomen. De Inspectie concludeert dat veel instellingen het op dit punt laten afweten. Er is nog onvoldoende aandacht voor schriftelijk vastgelegde criteria voor dwangtoepassing en er wordt te weinig aandacht besteed aan alternatieven, zoals vormen van dagbesteding en bouwkundige aspecten die een rol spelen bij het toepassen van dwang. Ook blijkt uit het onderzoek dat zorg die individueel gericht is en zich toespitst op communicatie met de patiënt, veel vormen van dwang kan voorkomen. Ten opzichte van de verstandelijke gehandicaptenzorg en de psychogeriatrie blijken de ggz-instellingen het hoogst te scoren zowel als het gaat om dwangpreventie als om het toepassen van dwang. Dat is opmerkelijk, maar volgens de Inspectie gedeeltelijk te verklaren door het feit dat de psychiatrie koploper is bij het toepassen en naleven van de Wet Bopz. Er is hier meer aandacht voor de wettelijke criteria voor dwangtoepassing waardoor meer dwangtoepassingen gemeld worden en tegelijkertijd is er meer aandacht voor dwangpreventie. Toch vraagt het rapport zich af of meer dwangtoepassing tot meer preventie leidt óf dat meer preventie tot meer dwangtoepassing en meer meldingen leidt. Een boeiende vraag voor vervolgonderzoek. De Inspectie raadt zorginstellingen aan dwangpreventie te verankeren in protocollen en richtlijnen, en deze preventie een belangrijk onderdeel te laten zijn bij nieuw- en verbouwplannen.

Voorwaardelijk ontslag

Gedwongen opgenomen patiënten kunnen onder voorwaarden met ontslag worden gestuurd. Voorwaardelijk ontslag is een bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de geneesheer-directeur. Ook de uitvoering van deze taken is onderzocht door de Inspectie. Het blijkt dat veel geneesheer-directeuren hun bevoegdheden op dit gebied hebben gedelegeerd: zij mandateren hiervoor regelmatig behandelaars. De Inspectie heeft daar moeite mee, en stelt vast, dat mandateren zeker niet geoorloofd is als het een voor de patiënt negatieve beslissing betreft: het intrekken van het voorwaardelijk ontslag. Verder blijft de geneesheer-directeur ook bij mandatering van zijn bevoegdheden verantwoordelijk, en moet hij deze verantwoordelijkheid zo invullen dat hij altijd op de hoogte is van besluiten die door de gemandateerden worden genomen. In de praktijk blijkt dit vaak niet het geval te zijn.

Daarnaast blijken protocollen ten aanzien van het voorwaardelijk ontslag heel vaak weinig aanwijzingen te geven voor de inhoud van dit ontslag: behalve inname van medicatie en acceptatie van nazorg worden vaak zeer uiteenlopende voorwaarden aan het ontslag verbonden. Sommige van deze voorwaarden zijn niet concreet genoeg geformuleerd en zijn daardoor niet goed na te leven of niet te handhaven. Kritiek is er verder op het naleven van de rechtspositie van de patiënt. Meer en beter dan nu het geval is, dient de instelling patiënten te informeren over hun rechten en de voorwaarden waaronder voorwaardelijk ontslag wordt verleend. Ook moeten patiënten op de hoogte zijn van het recht op toetsing van de voorwaarden door de rechter en het recht om gehoord te worden voordat het ontslag eventueel wordt ingetrokken.

Taak en bevoegdheid van de Inspectie

De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft op grond van de Kwaliteitswet Zorginstellingen de taak erop toe te zien dat in de instellingen verantwoorde zorg wordt geboden. Deze wet biedt de mogelijkheid om een instelling aanwijzingen te geven met een termijn waarbinnen de situatie moet zijn verbeterd. Gaat het om acuut gevaar voor de veiligheid of de gezondheid, dan kan de Inspectie een schriftelijk bevel geven met een geldigheidsduur van 7 dagen. Voldoet de instelling niet aan een aanwijzing of een bevel, dan kan dwang worden toegepast (bijvoorbeeld het sluiten van een afdeling of zelfs een hele instelling). Met de concrete aanbevelingen die de Inspectie in het hier besproken rapport doet, roept zij op tot het naleven van de wet en de voorschriften. Het is nu de taak van de Inspectie toe te zien dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. En zonodig in te grijpen.

Het rapport ‘De uitvoering van de Wet Bopz vraagt meer aandacht’ van de Inspectie voor de Gezondheidszorg kan in z’n geheel gelezen, en gedownload worden op: www.igz.nl/Rapport Uitvoering Wet Bopz definitief.pdf

RH/CA


Een stukje geschiedenis

Op 17 januari 1994 werd de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, de Wet Bopz, ingevoerd, als opvolger van de toen ruim honderd jaar oude Krankzinnigenwet. In de zestiger jaren van de vorige, de 20e, eeuw ontstond de gedachte dat het hele terrein van dwang in de psychiatrie vernieuwd moest worden. De Krankzinnigenwet werd als verouderd beschouwd: met name ontstond er langzamerhand grotere aandacht voor de rechten van patiënten als het ging om vrijheidsbeneming door een dwangopname en dwangbehandeling. De totstandkoming van de Wet Bopz ging niet zonder slag of stoot: in april 1971 legde de regering een ontwerp voor deze nieuwe wet aan het parlement voor. In de jaren daarna werd dit ontwerp veelvuldig aangevuld en uitgebreid, waarbij de rechtsbescherming van de patiënt steeds centraal stond. Pas 23 jaar na de indiening van het eerste ontwerp, in 1994, was de Wet Bopz zo ver klaar dat hij kon worden ingevoerd! Er was eindelijk een wet gekomen die de Krankzinnigenwet kon vervangen, en die zowel de externe als de interne rechtspositie van de patiënt regelde. Tien jaar wordt er nu met de Wet Bopz gewerkt. In die jaren heeft de wet al vele veranderingen ondergaan: onder andere vanwege een bepaling in de wet zelf (artikel 71), dat deze van tijd tot tijd moet worden geëvalueerd. Over deze wijzigingen in de wet houdt de PVP-krant u regelmatig op de hoogte. Zo berichtte de laatste krant (nr. 4, dec. 2003) over de invoering van de voorwaardelijke machtiging met ingang van januari 2004, en over het verruimen van de mogelijkheid om dwangbehandeling toe te passen door ‘ernstig gevaar’ in artikel 38 van de wet te veranderen in ‘gevaar’.

Actie van de Stichting PVP

Naar aanleiding van hetgeen het rapport van de Inspectie meldt over hoe het staat met de huisregels, is het goed om vast te stellen dat de Stichting PVP het als een vanzelfsprekendheid ziet dat het bewaken van de huisregels tot een van de belangrijkste taken van een pvp behoort. In 2003 heeft die aandacht voor de huisregels geleid tot het indienen van tal van signalen in de instellingen over niet correcte huisregels of over het totaal ontbreken hiervan. Het is minder plezierig te merken dat deze signalen niet zelden verzanden in stroperige werkgroepbijeenkomsten waarin instellingsmedewerkers, al dan niet door externen geadviseerd, zich langdurig beraden over verbetervoorstellen. Welke vervolgens dan toch weer niet helemaal naar behoren worden ingevoerd. Terwijl het allemaal toch zo eenvoudig is: de wetgever en GGZ Nederland hebben het allemaal al bedacht. De wetgeving (Wet Bopz art. 37, en Besluit Rechtspositieregelingen Bopz, artikel 3) en het Modelreglement huisregels van GGZ Nederland bieden de richtlijnen voor huisregels op een presenteerblaadje aan. Deze gang van zaken is voor de pvp’en in de instellingen alle reden om er als een bok op de haverkist op te blijven zitten. Zoals immers een instelling niet kan functioneren wanneer het gas, water en licht niet zijn aangesloten, zo behoort men ook niet te kunnen draaien als er van alles aan de huisregels mankeert. De Inspectie heeft zich met haar onderzoek ten aanzien hiervan ook tot een actieve opstelling verplicht. Daar zal de Stichting PVP haar graag aan herinneren wanneer de stroperigheid waarop de pvp’en stuiten daartoe aanleiding geeft. Het resultaat van een aantal signalen in 2003 noopt in een aantal gevallen daar nu al toe. De Stichting PVP zal daarom ook op korte termijn actie ondernemen.

Alcoholverbod uit de huisregels!

Tijdens de presentatie van het rapport van de Inspectie op een symposium op 16 januari 2004 in Rotterdam hadden de toehoorders die dag nog het meeste moeite met het niet toestaan van een alcoholverbod in de huisregels: het schrappen van het verbod op het gebruik van alcohol zal onvermijdelijk leiden tot overlast, zo meende men. De Inspectie is echter onverbiddelijk: het gebruik van alcohol kan niet in de huisregels verboden worden, dat mag slechts individueel! De grens is het veroorzaken van overlast, maar niet iedere patiënt heeft een alcoholprobleem en alcohol bij voorbaat verbieden gaat dan ook te ver.


Reacties op een stelling

Als hulpverlener mag je een kind nooit pijn doen, ook niet als je CFB-technieken* moet gebruiken

Mw.L. van Iersel, kinder- en jeugdpyschiater De Ruyterstee in Smilde “In principe ben ik het hier helemaal mee eens. Op dit moment zijn we in onze organisatie aan het onderzoeken of hulpverleners hier wel steeds voldoende aandacht voor hebben: onlangs werd er door de kinderen nog een klacht bij de pvp ingediend. Juist in een situatie dat er spanning is bij zowel het kind als de hulpverlener, kan het zijn dat een techniek niet goed wordt gehanteerd. Binnenkort gaan we dit samen met een CFB-trainer bekijken en onderzoeken of de goede technieken bij iedereen bekend zijn. Belangrijk aandachtspunt daarbij is ook dat juist op een moment van spanning de pijngrens bij een kind anders kan liggen dan in een situatie van rust.”

Als hulpverlener mag je een kind nooit pijn doen, ook niet als je CFB-technieken* moet gebruiken

Gijsbert Roseboom, trainer CFB-technieken Bureau Harmsen & Roseboom te Berkel Enschot “Van pijn leer je niks. Een klassieke opvatting is dat kinderen van pijn leren. Maar preciezer gezegd: als we kinderen pijn doen, leren we hen vermijdingsgedrag. Want pijn willen we allemaal vermijden, het liefst zo snel mogelijk. Daarin zit de kern van de methode om kinderen een pijnprikkel te geven om grensoverschrijdend gedrag te stoppen. Dat gedrag zal ook inderdaad wel ophouden. Maar door te leren vermijden krijgt het kind geen kennis, inzicht en vaardigheden aangereikt om met zijn eigen onvermogen om te leren gaan.

Een van de uitgangspunten die ons bureau de cursisten/hulpverleners tijdens de trainingen bijbrengt en laat ervaren, is het toe kunnen staan dat het kind zichzelf uit, en dit te begeleiden en te sturen, zodat het kind nieuwe kennis en vaardigheden kan opdoen. Uitingen toestaan is makkelijker gezegd dan gedaan: ook hulpverleners hebben recht op een veilige werkplek. Maar naar mijn opvatting is dit de basis van waarom je hulp verleent: begeleiden en ondersteunen in moeilijke situaties, zodat het kind leert beter met zichzelf om te gaan. Bij onze methode laten we uitingsmogelijkheden bestaan, maar leren hulpverleners schade aan het kind en omgeving te voorkomen. Indien nodig, is er sprake van fysieke inperking, maar zonder pijnprikkels of overstrekkingen van ledematen.”

Als hulpverlener mag je een kind nooit pijn doen, ook niet als je CFB-technieken* moet gebruiken

Dhr.P. van Loock, maatschappelijk werker/teambuilder en voorzitter werkgroep ‘Agressie’ in de Zonnehuizen/Veldheim/Stenia te Zeist “Wij zijn in onze instelling van mening, dat wij kinderen nooit pijn mogen doen. Het bewust geven van pijnprikkels wijzen wij ten strengste af. Dit is een vorm van dwang en misbruik van je macht als hulpverlener waar je niet in mag vervallen.

Soms moeten we dan ook aanvaarden dat de problemen te groot zijn, dat het niet meer mogelijk is dingen onder controle te houden. Het hanteren van CFB-technieken is dan niet meer aangewezen om de situatie te beheersen, maar acceptatie van het feit dat dingen niet meer op te lossen zijn, is dan de weg. Ik realiseer mij dat dit makkelijker gezegd is dan gedaan. Maar gebruik van CFB-technieken wordt vaak in een veel te laat stadium ingezet. Waardoor onnodige escalatie optreedt. Onze visie is dan ook dat oplossingen veel meer in de preventieve sfeer dienen te liggen: we moeten aandacht hebben voor alle factoren die daarin meespelen, waaronder een gebrek aan flexibiliteit van medewerkers, het stressvolle werken onder moeilijke omstandigheden of de eigen angst die hen soms doet grijpen naar CFB-technieken om controle te houden. Leren niets te doen en leren luisteren is soms veel belangrijker bij grote problemen, dan het inzetten van welke techniek dan ook.

Als hulpverlener mag je een kind nooit pijn doen, ook niet als je CFB-technieken* moet gebruiken

Gertjan Hoekema, 14 jaar oud, opgenomen in een kliniek voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie (KJP) “Pijn? Dat vind ik niet eens zo belangrijk. Ik ben aardig sterk, en als ik doordraai en driftig word, kan ik behoorlijk onhandelbaar zijn. Ik doe iemand van de leiding dan wel eens pijn, en zij mij ook wel. Maar ze moeten oppassen, dat ze niets kapot maken bij mij, en dat ik er geen dagen last van heb. Dat is wel eens gebeurd, dat ik een hele zere schouder had, en mijn pols bont en blauw was. Dan gaan ze te ver, dat vind ik niet nodig. Ik heb me toen wel zorgen gemaakt, dat ze iets gescheurd hadden in m’n schouder. En wat ik ook belangrijk vind, is dat ze nadat we gevochten hebben, bij me blijven of weer terug komen en vragen hoe het met me gaat. Ik heb wel eens het gevoel, dat ze nog een hele poos hartstikke kwaad op me zijn.”

Als hulpverlener mag je een kind nooit pijn doen, ook niet als je CFB-technieken* moet gebruiken

Melanie, 12 jaar, verblijft op de Zonnehuizen in een KJP groep “Ik ben het daar heel erg mee eens. Ik vind dat je kinderen niet pijn mag doen. Vroeger hebben ze mij ook wel pijn gedaan als ze me wilden kalmeren. En dat was nergens goed voor.” (De namen van de kinderen zijn op hun verzoek veranderd.)

*CFB-technieken: technieken voor Controle Fysieke Beheersing. Zie ook artikel op pag. 2


Verhaal pvp

Misbruik van de pvp?

Terwijl ik de deur open van het klaslokaal, wordt het plotseling stil. Met taxerende blikken nemen de HBO-V studenten, differentiatie ggz, mij op. "Zo," zie ik sommige denken, "daar heb je er dus eentje". Voorlopig valt er uit niets op te merken of de eerste indruk meevalt of niet.

Enkele weken hiervoor was ik benaderd door twee studenten, die een workshop over de pvp zouden organiseren. Tijdens ons kennismakingsgesprek hoefde ik niet veel te vertellen over de geschiedenis van de Stichting PVP. De studenten hadden zich goed voorbereid, door onder andere grondig de website van de Stichting te bestuderen. Al snel kwam daarom het gesprek op de positie van de pvp ten opzichte van cliënten en hulpverleners, en de gedragsregels waar een pvp zich aan heeft te houden. Daarbij viel de term ‘misbruik’. “Stel”, zei een student, “er komt een psychotische patiënt bij je, met het verhaal dat de verpleging haar spullen pikt en bovendien haar bankpasje in bewaring houdt om daar zelf geld mee te pinnen. En omdat jij pvp bent, mag je dus niet zeggen dat ze zo denkt vanwege haar psychose”. Ik vulde aan: “Je bedoelt de regel dat de pvp open hoort te staan voor alle klachten die verband houden met de relatie tussen cliënt en instelling. En”, zo citeerde ik verder, “dat de pvp dan elke klacht serieus neemt, ook wanneer iemand anders geneigd is deze toe te schrijven aan het ziektebeeld van de cliënt. Dat de pvp laat zich leiden door hoe de cliënt zelf zijn belang ziet.” Inderdaad, dat was het. Ik legde uit dat ik dat zeker lang niet altijd makkelijk vind. En dat ik me dan goed kan voorstellen dat ik me de woede en het onbegrip van de verpleegkundigen op de hals haal als ik mij aansluit bij een verhaal van de cliënt. Natuurlijk is het altijd de kunst is om te kijken welke haalbare klacht er achter zo’n verhaal zit, zonder afbreuk te doen aan de beleving van de cliënt. Meestal lukt dat aardig. En ik vraag de cliënt ook wel eens zelf het woord te voeren, wanneer zijn versie van het gebeuren zelfs mij te ver gaat. Ik bespreek van tevoren altijd met een cliënt wat hij wil bereiken en dat hij soms een beter resultaat kan halen door wat water bij de wijn te doen. Door bijvoorbeeld de pittigste verdachtmakingen in zijn verhaal wat te nuanceren. Tot slot leg ik uit dat ik wel mijn privé-opvattingen heb over gedrag van mensen en waardoor dit wordt beïnvloed, maar dat het me meestal geen moeite kost om die ideeën voor me te houden. De beide studenten knikten begrijpend, maar leken niet overtuigd.

Dat komt tot uiting in de aangekondigde workshop, enkele weken later. Na een korte introductie komen de vragen. Veel daarvan gaan over die bevreemdende gedragsregels, het eenzijdig staan aan de kant van de patiënt. Er wordt getwijfeld of de acties van de pvp eigenlijk wel altijd in het belang van de patiënt zijn. En wie bepaalt welk belang dat van de patiënt is. Sommige verhalen hebben de studenten van horen zeggen, maar er worden ook een paar voorvallen genoemd die ze zelf hebben meegemaakt. Zo vertelt een van de studenten het verhaal van de cliënt die al zijn geld opmaakt aan alcohol. Daarom houdt de verpleging zijn bankpas in bewaring. Tot het moment dat de cliënt het via de pvp voor elkaar krijgt weer zelf over zijn geld te beschikken. En op diezelfde dag nog stomdronken door de politie in de instelling wordt afgeleverd. Bedankt pvp! Een boeiende discussie. Met aansluitend een rollenspel.

Een geloofwaardig acterende studente speelt de cliënt. Ook al praat ze gebroken Nederlands, al snel wordt me duidelijk dat ik hier te maken heb met de persoon wier spullen gejat worden door de verpleging. In een spraakwaterval somt ze de vermiste spullen op en uit terloops haar irritatie en wantrouwen over het gedrag van de verpleging. Ik schrijf het allemaal op. Vraag soms naar details. Uiteindelijk lukt het me haar te onderbreken en kan ik haar vertellen dat het pikken van spullen een serieuze beschuldiging is en dat, als je daar iemand van beticht, je heel zeker moet zijn van je zaak. Dat je dan aangifte kunt doen bij de politie. Ik vraag haar vervolgens of zij een afsluitbare kast heeft op haar kamer. Dat beaamt ze, maar ook dat de verpleging de sleutel heeft ingepikt. Zou het schelen, vraag ik, wanneer zij zelf de sleutel zou bewaren en dus precies kan bijhouden wat er in kast zit en vooral: wat eruit gaat. Dat lijkt haar wel wat. Ze gaat ermee akkoord dat we de verpleging erbij halen en het voorstel bespreken. Uiteindelijk komen we dan overeen dat de cliënte haar eigen sleutel bewaart en zelf de kast op orde houdt. De verpleegkundige belooft direct na het gesprek nog eens goed de was door te kijken, om te zien of hij nog wat aan vermiste kleding op kan duikelen. Na afloop vertrouwt de studente mij toe dat ze zich door mij serieus genomen voelde. Ik schreef immers op welke voorwerpen ze miste en noemde het naar de politie gaan als reële mogelijkheid. Beide mogelijkheden zou zij als verpleegkundige nooit opperen.

De meeste studenten zijn het erover eens dat de pvp duidelijk aan de kant van de patiënt stond, terwijl ze de verpleegkundige ook in zijn waarde liet. Het viel ze mee. Klaarblijkelijk leek die combinatie van tevoren niet tot de mogelijkheden te horen. Zelf vond ik het interessant om mensen die aan het begin van een loopbaan in de ggz staan, eens wat meer te vertellen over de pvp, over wie er schuilgaat achter die functionaris, wat hem beweegt en weerhoudt. Verhalen over wat pvp’en allemaal in het werkveld aanrichten, zijn er immers te over.

AdG


Signalen

Gebrek aan zorg en aandacht

Een Detox-afdeling heeft zijn visie op verslaving veranderd. Zagen ze het eerst als een motivatie- en draagkrachtprobleem, tegenwoordig zien ze verslaving als geestesstoornis. Niet alleen voor cliënten maar zeker ook voor het personeel heeft deze omslag in denken gevolgen. Zo wordt een cliënt bij een terugval niet meer ontslagen, iets wat in de verslavingszorg wel gebruikelijk is. Niet al het personeel is blij met de verandering in visie en een aantal van hen stapt op. De opgestapte verpleegkundigen worden niet direct vervangen en daardoor is er voor de cliënten minder tijd en aandacht. Een aantal cliënten beklaagt zich daarover bij de pvp. De pvp bespreekt de klacht met de manager van de afdeling. Hij geeft aan dat de cliënten gelijk hebben, maar dat hij op dit moment simpelweg onvoldoende personeel heeft. Hij hoopt dat de pas gestarte wervingscampagne snel resultaat heeft. In de tussentijd zegt hij toe dat er voor cliënten per dienst een vast aanspreekpunt komt. De wervingscampagne is succesvol. Binnen twee maanden is er weer voldoende gemotiveerd personeel en dus voldoende zorg en aandacht voor cliënten. De cliënten die geklaagd hebben kunnen helaas niet meer profiteren van het resultaat, zij hebben allen hun opname (die gemiddeld 3 weken duurt) beëindigd.

Nadruk op gebreken

Een aantal cliënten van een afdeling vindt de gesprekken die ze hebben met hun behandelaar onprettig. Het is niet dat ze niet tot overeenstemming kunnen komen maar het stoort hen dat de nadruk wordt gelegd op alles wat er mis is. De pvp schrijft in zijn signaal: “Cliënten missen erkenning van wat er wél goed is gegaan. Een cliënt voelt zich meer dan een ziektebeeld, en stelt er prijs op om ook op het gezonde deel te worden aangesproken.” De behandelaars nemen de kritiek ter harte. In de teams en in werkoverleggen is er aandacht besteed aan de inhoud van het signaal. Het Hoofd Behandelzaken laat de pvp weten dat de feedback geholpen heeft het werk nog beter te doen.

Sanctie op inschakelen pvp

In een instelling waar recent een nieuwe pvp is gestart, wordt het de cliënt niet altijd in dank afgenomen wanneer hij de pvp inschakelt. Eén behandelaar dreigt zelfs de behandeling te stoppen als de cliënt zich in verbinding stelt met de pvp. Dit gaat de pvp veel te ver en hij schrijft in een signaal aan de geneesheer- directeur dat “zijn functioneren daardoor bemoeilijkt wordt en dat kan niet de bedoeling zijn”. Een oorzaak zou kunnen zijn dat behandelaars niet goed op de hoogte zijn van de taken en bevoegdheden van een pvp en omdat de betreffende pvp goede ervaringen heeft met een ronde langs de verpleegafdelingen om met de medewerkers over zijn werkwijze te spreken, doet hij in het signaal de suggestie om iets soortgelijks voor behandelaars te organiseren. De geneesheer-directeur kiest ervoor om de medische staf schriftelijk te informeren over de taken, bevoegdheden en werkwijze van een pvp. Dat deze werkwijze de behandelaar niet altijd even goed uitkomt, beaamt de geneesheer- directeur maar “zo zijn nou eenmaal de regels en die hebben we te respecteren”, zo schrijft hij.

Verbod alcohol in huisregels

Bij haar onderzoek naar de huisregels van de instelling stuit de pvp op het algemene verbod op alcohol. Dit is, zo stelt zij, in strijd met de wet. Huisregels dienen immers alleen de ordelijke gang van zaken in de instelling te regelen. Het wel of niet gebruiken van alcohol moet met de patiënten individueel worden afgesproken in het behandelingsplan. GGZ Nederland adviseert in haar Modelreglement Huisregels over het onderwerp alcohol de volgende zin op te nemen: “Alcoholgebruik is toegestaan voor zover het de orde op de afdeling niet verstoort en het niet in strijd is met de afspraken die hierover gemaakt zijn in uw behandelingsplan.” Wat de pvp vervolgens opvalt, is dat veel medewerkers niet op de hoogte zijn van wet- en regelgeving met betrekking tot het opstellen van huisregels. Ze verzoekt de voorzitter van de Raad van Bestuur dan ook ervoor zorg te dragen dat medewerkers op de hoogte zijn van wet-en regelgeving betreffende huisregels en om het algemene verbod op alcohol te wijzigen volgens het Modelreglement van GGZ Nederland. Binnenkort worden de huisregels geactualiseerd en dan zal zeker gekeken worden naar het Modelreglement, is de reactie van de voorzitter. De vraag of de medewerkers in de toekomst weten waaraan huisregels moeten voldoen blijft onbeantwoord. De pvp houdt de vinger aan de pols. Meer over huisregels in het artikel ‘Tien jaar Wet Bopz’ op pag. 4 en 5.

FSC


(On)gegrond

(On)gegrond is een rubriek waarin u uitspraken van klachtencommissies van ggz-instellingen kunt lezen. Deze keer in de PVP-krant klachten over de behandeling: een cliënte is ontevreden over haar behandeling en wil hypnotherapie en een consult bij een neuroloog, en een groep cliënten vindt het therapieaanbod van het ziekenhuis onvoldoende. Ook doet de klachtencommissie een uitspraak over de manier waarop dwangbehandeling, in de vorm van medicatie, wordt gemeld en beargumenteerd. Opmerkelijk is weer, dat een klachtencommissie oordeelt – bij de klacht over een gedwongen ontslag – dat het vervallen van de indicatie voor opname niet automatisch hoeft te betekenen dat de cliënt met ontslag gestuurd kan worden: de zorgplicht van het ziekenhuis reikt verder.

Gedwongen ontslag

Een klacht over gedwongen ontslag wordt door de klachtencommissie ongegrond verklaard. Tegelijkertijd is de klachtencommissie van mening dat cliënt in de instelling mag blijven tot hij huisvesting heeft gevonden in een beschermde woonvorm.
Tijdens de zitting van de klachtencommissie wordt door de aangeklaagden naar voren gebracht dat er geen sprake is van een psychiatrische stoornis die verdere opname zou rechtvaardigen. De commissie gaat hierin mee maar is van mening dat de zorgplicht van de instelling met zich meebrengt dat cliënt, tot hij een plek in een beschermde woonvorm heeft gevonden, geplaatst moet worden in een overbruggende woonvorm. De instelling dient zich volgens de klachtencommissie hiervoor in te spannen. Het alternatief zou zijn dat cliënt weer tijdelijk bij zijn ouders moest wonen en dat vinden alle partijen, behandelaar, ouders én cliënt, een slechte zaak. Ondanks dat zijn klacht ongegrond werd verklaard is cliënt tevreden. De instelling volgde namelijk het advies van de klachtencommissie en cliënt heeft nog maanden op de afdeling mogen wachten tot er een plek vrijkwam waar hij kon wonen.

Verkeerde medicatie

Na een crisisopname op vrijdagmiddag krijgt klager in het weekend naast zijn eigen medicatie ook nog de medicatie van iemand anders. Als gevolg hiervan heeft hij enkele dagen last gehad van verwardheid, te hoge bloeddruk, duizeligheid en spierpijn. De cliënt dient hierover een klacht in bij de klachtencommissie en klaagt ook over gebrek aan nazorg en het niet tijdig informeren van zijn partner. Tijdens de zitting wordt duidelijk dat de behandelend arts zich tijdens de drukke vrijdagmiddag heeft vergist en dat hij de medicatie van twee patiënten op één formulier heeft geschreven. Ook de verpleegkundige die de medicatie verstrekte was niets opgevallen. Nadat men de fout bemerkte is cliënt regelmatig gecontroleerd en de partner van cliënt is kort na het weekend in een persoonlijk gesprek geïnformeerd.
De klachtencommissie kan natuurlijk niet anders dan concluderen dat er sprake is geweest van een toedieningsfout bij het verstrekken van de medicatie en verklaart de klacht gegrond. De commissie vraagt zich daarbij af of de bestaande procedure wel waterdicht is, nu is gebleken dat dit soort kwesties zich vooral voordoen op momenten van drukte. Kan een bescheiden procedureafspraak de kans op dit soort fouten verminderen? De klachten over nazorg en het informeren van de partner van klager worden ongegrond verklaard. De commissie is van mening dat er gezien de omstandigheden afdoende is gehandeld en geïnformeerd.

Dwangbehandeling

Een klachtencommissie buigt zich over de klacht van een gedwongen opgenomen patiënt over dwangbehandeling. Klager krijgt tegen zijn zin een depot. De klachtencommissie is van mening dat er bij klager geen sprake is van ziektebesef en inzicht in de gevolgen van het weigeren van medicatie, maar - zo concludeert de commissie - volgens de Wet Bopz dient ook wilsonbekwaam verzet als verzet te worden aangemerkt. Er is dus sprake van dwangbehandeling en de klacht is in behandeling genomen. Tijdens de behandeling van de klacht komt naar voren dat de behandelaar in een brief aan de Raad van Bestuur schrijft over dwangbehandeling, maar dat hij niet bij de Eerste Geneeskundige van de instelling formeel melding maakt van zijn voornemen om met dwangbehandeling te starten. Volgens de commissie is de opmerking van de behandelaar in zijn brief aan de Raad van Bestuur géén melding zoals vereist is op grond van de Wet Bopz. Aan die procedurele eis is dus niet voldaan. Verder is de commissie niet te spreken over het verweer van de aangeklaagde behandelaar. Deze heeft zijn stelling dat er sprake is van ernstig gevaar, volgens de commissie op geen enkele wijze onderbouwd.
De commissie stelt in de uitspraak dan ook dat zij, op grond van de beschikbare gegevens niet in staat is om te oordelen dat de dwangmedicatie volstrekt noodzakelijk is om het gevaar weg te nemen. De commissie merkt hierover op dat degene die dwangbehandeling toe wil passen, moet aantonen waaruit dit gevaar bestaat. “De klachtencommissie acht het niet haar taak om in de dossiers op zoek te gaan naar gegevens die het standpunt van verweerder onderbouwen.” Nu de dwangbehandeling formeel niet correct is gemeld en het ernstige gevaar door gebrek aan onderbouwing niet aannemelijk is gemaakt, verklaart de commissie de klacht gegrond.

Behandeling

Een cliënte is ontevreden over haar behandeling. Zij wil voor onderzoek verwezen worden naar een neuroloog en vraagt om hypnotherapie. Klachten hierover legt cliënte voor aan de klachtencommissie. De behandelaars brengen in hun verweer naar voren dat cliënte vooral behoefte heeft aan rust en stabiliteit en daarbij is structuur erg belangrijk. In dit soort situaties is hypnotherapie gecontraïndiceerd. Ook zijn er geen aanwijzingen die het nodig maken cliënte voor onderzoek door te sturen naar de neuroloog. Maar liefst drie psychiaters hebben zich over het verzoek van klager gebogen en zijn tot dit oordeel gekomen.
De klachtencommissie gaat hierin mee en verklaart de klachten ongegrond: “Een patiënt heeft recht op behandeling maar die behandeling dient dan wel geïndiceerd te zijn.”

Te weinig behandeling

Een groep van 13 cliënten is niet tevreden met het therapieaanbod van de instelling en legt een klacht voor aan de klachtencommissie. Therapieën zijn de afgelopen jaren langdurig uitgevallen en daardoor is de instelling ernstig tekortgeschoten bij de behandeling van cliënten. De aangeklaagde is het eigenlijk wel eens met de klagers. Door een samenloop van omstandigheden (langdurig ziekteverzuim, zwangerschaps- en ouderschapsverlof) en onvoldoende middelen om dit op te vangen is er veel mis gegaan. Daarbij vindt de aangeklaagde het een beetje vreemd dat van het therapieaanbod dat er wél was, nauwelijks gebruik is gemaakt door cliënten. Na het nemen van een aantal maatregelen denkt de instelling echter dat men binnen afzienbare tijd weer een adequaat therapieaanbod kan bieden.
De klachtencommissie is van mening dat de stukken voldoende duidelijkheid verschaffen en beoordeelt de klacht zonder zitting. De klacht wordt gegrond verklaard. Van een instelling die patiënten opneemt mag volgens de commissie immers verwacht worden dat er een professioneel verantwoorde behandeling wordt aangeboden, en onderdeel van die behandeling is therapie. De commissie constateert dat het therapieaanbod van de instelling gedurende de afgelopen jaren onvoldoende en onevenwichtig is geweest en dat patiënten hierdoor in hun behandeling zijn benadeeld. De commissie ziet hierin ook een verklaring voor het geringe enthousiasme om deel te nemen aan het wel aanwezige aanbod aan therapieën. Deelname is voor veel patiënten op zich al een hele opgave, en uitval, onduidelijkheid en gebrek aan continuïteit maken dat er niet beter op. Verder is de commissie van mening dat het onacceptabel is dat een instelling voor gezondheidszorg gedurende meerdere jaren niet in staat is een deel van de behandeling – therapie – op een professioneel verantwoorde wijze aan te bieden.

Separatie

Een gedwongen opgenomen patiënte verlaat de afdeling regelmatig via een ruit. Zij doet dat omdat ze, naar eigen zeggen, niet meer in de separeercel wil verblijven. De behandelaar is echter van mening dat separatie noodzakelijk is om verdere ontsnappingspogingen te voorkomen. Cliënte legt haar klacht voor aan de klachtencommissie van de instelling.
De commissie is het niet eens met klager dat zij slechts vlucht om aan separatie te ontkomen, ze was immers ook via een ruit ontvlucht gedurende een periode dat ze niet werd gesepareerd. Gezien het feit dat cliënte een rechterlijke machtiging heeft is het volgens de commissie de taak van de instelling ervoor te zorgen dat zij niet weg kan lopen. De ontsnappingspogingen van cliënte, waarbij ze dwars door ruiten springt, zijn volgens de commissie gevaarlijk voor cliënte en mogelijk gevaarlijk voor anderen. Separatie is volgens de klachtencommissie noodzakelijk om klaagster op een veilige manier binnen de instelling te houden. De klacht wordt dan ook ongegrond verklaard, maar wel met een paar kanttekeningen. Uit de behandeling van de klacht is gebleken dat het door organisatorische perikelen een aantal keren erg lang duurde voor het behandelbeleid besproken kon worden met gespecialiseerde hulpverleners. Na een eerdere ontsnapping, waarbij het in eerste instantie helemaal niet zo slecht ging met klaagster, heeft het bijna zes weken geduurd voor er een afspraak was om te praten over ambulante medicatie en ging het alsnog mis. Ook ten tijde van de behandeling van de klacht heeft het weer erg lang geduurd voor er een afspraak was gemaakt met externe deskundigen over een aangepaste of andere vorm van behandeling. De klachtencommissie vindt zoiets erg vervelend, zeker nu het gaat om een langdurige en vergaande beperking in de vrijheden van een patiënt. Daarnaast is de commissie van mening dat, alhoewel separatie als zodanig noodzakelijk wordt geacht om te voorkomen dat klaagster pogingen doet te ontsnappen, de uitvoering van de separatie te wensen overlaat: ”Nu verweerder, ook na herhaald verzoek, geen andere argumenten voor de separatie naar voren heeft gebracht dan het voorkomen van ontsnapping, is de commissie van mening dat de wijze van uitvoering van de separatie beter in overeenstemming had dienen te worden gebracht met het doel. Dat verweerder zich slechts gehouden heeft aan het protocol voor separatie is geen argument, nu dit protocol blijkbaar meer en grotere inbreuk op de lichamelijke integriteit toestaat dan in de gegeven situatie noodzakelijk is.”

RH


Rechtspraak

De PVP-krant zet in ieder nummer interessante rechtspraak in de psychiatrie op een rij. Deze keer gaan alle casussen over de behandeling van cliënten: in een aantal gevallen wordt het oordeel van de rechter gevraagd over de mogelijkheid via een voorlopige machtiging een behandeling van een lichamelijke aandoening te starten. Daarnaast twee verzoeken aan de rechtbank in verband met dwangbehandeling van de zgn. ‘stoornis van de geestvermogens’, zoals dit officieel in de Wet Bopz heet.

Driemaal somatische dwangbehandeling

De Rechtbank Amsterdam oordeelde als volgt over een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging om behandeling van longkanker bij een patiënte mogelijk te maken. Het standpunt van de vrouw dat zij niet bestraald wil worden, wordt ingegeven door haar stoornis en de daarmee gepaard gaande psychose en er is geen sprake van een consistente en weldoordachte doodswens. Deze stoornis van de geestvermogens veroorzaakt gevaar, met als uiteindelijk gevolg de dood, hetgeen niet afgewend kan worden buiten het ziekenhuis. De gedwongen opname is echter geen middel dat uitsluitend gebruikt kan worden voor de somatische behandeling. De behandelend arts heeft verklaard dat het de bedoeling is om de vrouw op te nemen om haar te behandelen voor de psychose. Hij verwacht dat zij na verblijf en behandeling in het psychiatrisch ziekenhuis zal kiezen voor somatische behandeling. De rechtbank verleent de machtiging (Rb Amsterdam13-11-2002, BJ 2003, 49).

Dezelfde rechtbank krijgt nogmaals een verzoek om een voorlopige machtiging te verlenen met de bedoeling voorwaarden te scheppen om behandeling van kanker mogelijk te maken. De machtiging wordt gevraagd met het oog op een korte opneming in een psychiatrisch ziekenhuis om vervolgens de patiënte op een geschikte plek op te nemen in het kader van een voorwaardelijk ontslag. De vrouw lijdt, volgens een door de rechtbank geraadpleegde deskundige, aan een chronische psychose die tot gevolg heeft dat ze zich niet wil laten behandelen. Het nut van een opneming in een psychiatrisch ziekenhuis is volgens hem echter twijfelachtig. In eerste instantie moet gezocht worden naar het snel organiseren van (somatisch)medisch onderzoek in een gespecialiseerd ziekenhuis. Onder enige druk lijkt de patiënte daartoe bereid.

De stelling van de advocaat van de vrouw dat het op deze wijze toepassen van de voorlopige machtiging niet in overeenstemming is met de wet, wordt verworpen door de rechtbank. In de wet wordt slechts vermeld dat binnen twee weken een opname moet plaatsvinden, maar over de duur van de opname wordt niets vermeld. Het is dus mogelijk om na een zeer korte opname betrokkene met voorwaardelijk ontslag te laten gaan, aldus de rechtbank. Nu naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de criteria voor gedwongen opneming, wordt de machtiging verleend (Rb Amsterdam 23-1-2003, BJ 2003, 50).

Ook de Rechtbank Middelburg buigt zich over een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging ten behoeve van het verrichten van een somatische behandeling. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat de patiënte lijdt aan dementie en dat deze geestesstoornis gevaar veroorzaakt in de vorm van ernstige zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Betrokkene heeft een ontstoken been met open wond en weigert zich te laten behandelen. Aannemelijk is dat de weigering om zich te laten behandelen voortvloeit uit de geestesstoornis, aldus de rechtbank. De rechtbank verleent de machtiging maar beperkt de duur tot twee maanden voor de nodige behandeling van het ontstoken been met open wond, omdat niet nu al aangenomen wordt dat na die tijd het bedoelde gevaar nog aanwezig zal zijn (Rb Middelburg 18-3-2003, BJ 2003, 56, m.nt. J.C.J. Dute). In deze drie casussen moest er steeds een afweging worden gemaakt in hoeverre de Wet Bopz kan worden aangewend om somatische behandeling mogelijk te maken. De Wet Bopz gebruiken voor somatische dwangbehandeling is een mogelijkheid die in de praktijk wordt benut, maar die eigenlijk strijdig is met de bedoelingen van de wetgever. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat de dwangbehandelingsregeling in de Wet Bopz niet bedoeld is voor somatische verrichtingen. Juister zou zijn om de (gedwongen) behandeling van lichamelijke aandoeningen onder het bereik van de Wgbo te brengen. Art. 7:465 BW lid 6 voorziet in een dwangbehandelingsregeling, maar deze heeft alleen betrekking op wilsonbekwame patiënten en mag alleen worden aangewend om ernstig nadeel voor de patiënt zelf te voorkomen. Afgezien van het feit dat de regeling van de Wgbo beperkt toepasbaar is, kleeft aan deze weg het nadeel dat de Wgbo niet voorziet in adequate rechtswaarborgen. De Wet Bopz is in dit opzicht beter opgetuigd. Over de vraag welke van genoemde wettelijke regelingen de voorkeur verdient bij een (voorgenomen) somatische dwangbehandeling, lopen de meningen van rechtsgeleerde auteurs uiteen. Zie o.a. noot J.K.M. Gevers bij Rb Amsterdam 13-2-2001, BJ 2001, 39 en noot R. de Roode bij Rb ‘s-Hertogenbosch 11-9-2001, kBJ 2001, 29.

Brand

Bij de Rechtbank Zutphen wordt een machtiging verzocht die als basis moet dienen voor gedwongen medicijngebruik voor een patiënte die vrijwillig is opgenomen. Vanuit haar stoornis bestaat er gevaar voor fysieke agressie en brandstichting. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een geestesstoornis die uitsluitend in de instelling gevaar veroorzaakt. Het gevaar kan door de verpleging, als professionele begeleiding, worden afgewend. Bovendien mag worden verwacht dat de verpleging kan omgaan met agressie. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging niet (Rb Zutphen 27-8-2003, BJ 2003, 58).

Inhumane situatie

De Rechtbank Zwolle wordt geconfronteerd met een klacht van een patiënt over langdurige dwangbehandeling (separatie en fixatie sinds acht maanden). Verzocht wordt om de dwang met onmiddellijke ingang te beëindigen op straffe van een dwangsom, of om verzoeker over te plaatsen naar een instelling waar deze dwang niet noodzakelijk is. Opmerkelijk is dat de klachtencommissie van de instelling waar de man verblijft drie maanden eerder de klacht gegrond heeft verklaard. De klacht wordt desondanks in behandeling genomen omdat, volgens de rechtbank, de uitspraak van de klachtencommissie zo begrepen moet worden dat de commissie de toepassing van de dwangmaatregelen ten tijde van de klacht weliswaar niet onrechtmatig achtte, maar heeft geoordeeld dat door een onbeperkt voortduren van de maatregelen de toepassing hiervan wel onrechtmatig kan worden. Nu de gegrondverklaring feitelijk niet heeft geleid tot beëindiging van de dwangbehandeling, acht de rechtbank de klacht ontvankelijk.

Omdat er sprake is van veelvuldige ernstige incidenten, die zich ook nog hebben voorgedaan na de uitspraak van de klachtencommissie, met geheel onvoorspelbaar gedrag van de patiënt, oordeelt de rechtbank dat de toepassing van de dwangmaatregelen de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Het verzoek tot onmiddellijke opheffing wordt afgewezen. Dit laat volgens de rechtbank echter onverlet dat de langdurige toepassing van dwangmaatregelen onrechtmatig moet worden geacht als deze na de uitspraak nog twee maanden voortduurt. Na het verstrijken van deze termijn kan de man, als de dwang voortduurt, schadevergoeding vorderen. De onrechtmatigheid van het voortduren van de dwang is dan voor de burgerlijke rechter uitgangspunt, tenzij de patiënt weigert ergens anders geplaatst te worden (Rb Zwolle 4-9-2003, BJ 2003, 60, m.nt. T.P. Widdershoven). Opmerkelijk is dat de rechtbank reeds ingaat op de mogelijke schadeplichtigheid van het ziekenhuis. Immers in de huidige Bopz-klachtenregeling is het niet mogelijk om schadevergoeding af te dwingen, hetgeen in de toekomst wellicht anders zal zijn na een herziening van het klachtrecht (wetsvoorstel 28 999). Ook de mogelijkheid tot het opleggen van een dwangsom, zoals door de patiënt is verzocht, is in het huidige artikel 41 Bopz niet geregeld. Het wetsvoorstel tot herziening van art. 41 voorziet eveneens in die mogelijkheid.

AB/GK


Verhaal cliënt

Rommelen met de Bopz

De wetgeving rond gedwongen opnames en dwangmedicatie is een goed dichtgetimmerd geheel. Tenminste, dat zou je verwachten. Een gedwongen opname is immers een schending van je grondrechten als vrij mens. Dus in de regelgeving daarover zitten geen gaten. Denk je. Dat dacht ik als cliënt ook, tot een paar maanden geleden. Lees mijn verhaal, en huiver.

Het ging niet goed met mij. Vond men. Ik dacht daar anders over, maar na heel wat gedoe en gepraat en toestanden en crisisdienst kwam het helaas tot een gedwongen opname. Met een Rechterlijke Machtiging in de hand kwam een of andere dokter of ambulancebroeder mij vriendelijk verzoeken me naar de locale psychiatrische kliniek te laten vervoeren. Nou, vooruit dan maar. Tegen zo’n rechterlijk dwangbevel kun je niet veel beginnen, nietwaar? Dus ik ging mee, al zag ik persoonlijk de zin er niet van in. In het ziekenhuis bleek ook al gauw dat het gelijk meer aan mijn kant was dan aan de hunne: na een paar weekjes was er al sprake van ontslag. “Morgen heb je een ontslaggesprek met de arts”, vertelde de verpleging me op een goeie dag. De vaste dokter – die ik overigens ook pas een of twee keer had gesproken tijdens mijn opname – was er niet, dus het gesprek werd gevoerd door een waarnemend arts. “U kunt morgen naar huis”, zei hij. Ik, niet op mijn achterhoofd gevallen en bekend met de procedures, vroeg: “Is dat dan een volledig ontslag of een ontslag onder voorwaarden?” “Er zijn mij geen voorwaarden bekend”, was zijn antwoord. Mooi zo, dacht ik, en terecht, en ik accepteerde het ontslag en vertrok de volgende middag. Ik belde direct mijn advocaat om te vertellen dat ik met ontslag was. Hij feliciteerde mij en vroeg naar eventuele voorwaarden. “Die zijn er niet”, liet ik weten. “Goed”, zei mijn raadsman, “dan houdt je ontslag in dat ze de rm opheffen.” Ontslag zonder voorwaarden betekent immers het einde van de rm. Maar, stelde hij voor, ik stuur voor de zekerheid hierover nog even een fax naar het ziekenhuis. Want je weet maar nooit, anders denken ze er misschien niet aan. De fax werd prompt verstuurd. Er kwam geen antwoord op. Wel kwam er goed drie weken later met de post een briefje met wat onduidelijke voorwaarden, maar goed, ik was immers met ontslag en de rm was opgeheven, dus – uiteraard na overleg met mijn advocaat – besloot ik dat het op een vergissing moest berusten en legde het naast me neer. Ik had weer rust. Dacht ik.

Een paar maanden later begon het gedonder in de glazen. Op een dag werd ik weer verrast door zo’n vriendelijke, begripvolle, meedogenloze hulpverlener die erop stond dat ik meeging naar het psychiatrisch ziekenhuis. Ik voelde daar helemaal niks voor en zei hem dat. Je moet, zei hij. Want je hebt immers een rm. Nou, ik zal je zeggen, had ik klompen aangehad, dan waren ze op dat moment in minimaal duizend stukjes gebroken. rm? rm?! Ik was toch met ontslag gestuurd, zonder voorwaarden of niks, en mijn advocaat had daar nog een fax over gefaxt naar het ziekenhuis! En nou stonden ze ineens aan mijn deur? Hoe bestaat het. Maar goed, ik kon hoog springen of laag, ik moest weer mee. Eenmaal in het ziekenhuis wilden ze ook nog eens dwangbehandeling op me loslaten. Het was een ware lijdensweg en heel verwarrend ook. De rm bestond inderdaad nog en zat in mijn dossier. Dat hebben ze me laten zien. De fax van mijn advocaat zat er ook in, dus die hadden ze gewoon ontvangen, maar er nooit wat op laten horen. De voorwaarden die ze nagestuurd hadden bevonden zich ook in het dossier, en zij vonden die voorwaarden wél geldig. Het was een voorwaardelijk ontslag, redeneerden zij, en dus is de rm niet opgeheven. Daarom hadden ze me zomaar ineens zonder aankondiging van huis gehaald.

Stel je voor: je wordt met ontslag gestuurd. Drie weken later krijg je zonder overleg of wat dan ook ineens voorwaarden thuis. Het ziekenhuis reageert niet op je advocaat. En dan word je ineens thuis opgehaald en opgesloten op de afdeling. Een heel vreemde gang van zaken was het. En daarbovenop kreeg ik ook nog ineens die dwangspuit. Verschrikkelijk, wat een toestand. Mensonwaardig. Met behulp van de pvp heb ik deze zaak voorgelegd aan de klachtencommissie. Dat had tot gevolg dat de dwangbehandeling werd stopgezet en dat het ziekenhuis op de slordige vingers werd getikt wegens onzorgvuldig handelen rond mijn ontslag en die voorwaarden die er kennelijk toch waren. Ik ben er echter nog niet klaar mee. Mijn advocaat is er nog mee bezig. Ik vind het werkelijk onacceptabel dat een ziekenhuis zó laks omgaat met zo’n rm. Het is toch godgeklaagd dat er onenigheid is of iemand (in dit geval ik) over zijn eigen vrijheid beschikt of niet? Aan wat mij overkomen is kan niets meer veranderd worden. Maar ik hoop dat er een goede rechterlijke uitspraak komt en dat er jurisprudentie uit ontstaat waar anderen baat bij hebben. Want zo’n situatie als ik heb gehad, dat gun je niemand.

WW