pvp
Home Organisatie Cijfers Contact Medewerkers

Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg

 

14e jaargang nummer 2 zomer 2004

Inhoudsopgave

Een overzicht van de cijfers vindt u elders op deze website.


Voorwoord

Geachte lezer

Er is de laatste tijd veel te doen over dwang in de psychiatrie. Een onderwerp dat de lezers van dit blad veelal buitengewoon interesseert en waarbij ook de medewerkers van de Stichting PVP een grote betrokkenheid voelen. De discussie over de vraag of de mogelijkheden tot dwangtoepassing moeten worden verruimd wordt binnen de Stichting dan ook met meer dan gemiddelde belangstelling gevolgd. En zo nu en dan dragen wij aan die discussie ook gaarne een steentje bij, want het baart ons zorgen hoezeer de roep om dwang tegenwoordig weer menig agenda beheerst. Toch zult u ons niet snel betrappen op al te uitgesproken standpunten over het thema dat hier aan de orde is. Wat ons namelijk weerhoudt is dat wij er om principiële redenen terughoudend in zijn om als Stichting zomaar met allerlei standpunten naar buiten te treden. Wij vinden dat het ons niet past om namens ‘de cliënt’ te spreken wanneer die cliënt ons daar niet zelf om heeft gevraagd. Dat doen wij dan ook nooit, en al helemaal niet in het geval van de – immers niet bestaande – cliënt in het algemeen. Voor één aspect van de discussie over dwang staan wij echter te allen tijde op de bres. Dat is de rechtspositie van de cliënt. Zeker wanneer er sprake is van dwang moet die optimaal worden gewaarborgd, met onder meer een zorgvuldige besluitvorming vooraf, een drempelloze (en dus kostenloze) toegang tot de rechter en de mogelijkheid zich door een juridisch deskundige terzijde te laten staan. Wat wij merken is dat er over de rechtspositie van de cliënt soms wel wat erg gemakkelijk wordt gedacht. Onze zorgen daarover steken wij dan ook niet onder stoelen of banken. Overigens is er nog een punt van zorg dat ik niet ongenoemd wil laten. Wie de discussie over dwang al wat langer volgt ziet namelijk dat het sinds enige tijd wel erg bon ton is geworden om te pleiten voor een verruiming van de mogelijkheden tot dwangtoepassing zonder dat er – en dat is opmerkelijk – in de onderliggende problematiek nu zoveel is veranderd. Illustratief is in dit verband de wijze waarop er wordt gereageerd op het advies ‘Noodgedwongen. Zorg voor niet opgenomen acute psychiatrische patiënten’, dat onlangs door de Gezondheidsraad is uitgebracht. Hoewel er in dit advies, dat liefst zeven jaar geleden bij de raad is aangevraagd, voornamelijk deuren worden ingetrapt die al geruime tijd open stonden, vindt menigeen er de legitimatie in om meteen maar te pleiten voor de afschaffing van de Wet Bopz. De Stichting PVP is er de club niet naar om dit soort discussies op een dergelijke opgewonden toon te voeren. Wij doen daar dan ook maar liever niet op die manier aan mee. Wat we wel doen is ons openstellen voor verschillende opinies en het bevorderen dat de ander wordt gehoord. Deze jaarkrant getuigt daarvan, in die zin dat voor- en tegenstanders van dwang de ruimte krijgen om hun opvattingen met ons te delen. En wat we daarnaast doen is ‘gewoon’ ons werk: het verlenen van advies en bijstand aan cliënten bij de handhaving van hun rechten. Ook daarvan vindt u de resultaten terug in deze jaarkrant, in de vorm van ons jaarverslag over het afgelopen jaar. Ik wens u veel plezier bij het lezen, en mocht u daar aanleiding toe zien: ook uw mening wordt graag door ons gehoord.

Gijsbert Hoogerkamp, directeur


Ik dacht even dat ik blind werd

Veel patiënten niet of nauwelijks geïnformeerd over bijwerkingen medicatie

De Stichting PVP ontvangt per jaar meer dan 1200 vragen en klachten over medicatie. Bijna veertig procent hiervan heeft te maken met gebrek aan informatie over de bijwerkingen. Aan bijna driekwart van de patiënten die bij de pvp kwamen met een klacht, vertelde de arts niet wat de alternatieven voor de medicatie zijn. Volgens de wet hebben patiënten daar wel recht op.

Wanneer de huisarts medicatie voorschrijft, krijg je een recept. Daarmee ga je naar de apotheek. Van de apotheker krijg je de medicatie mee en een bijsluiter, waarin je informatie over de mogelijke bijwerkingen kunt vinden. Als de huisarts niets vertelt over mogelijke bijwerkingen van de pillen of de zalf, kun je daarover in ieder geval in de bijsluiter iets lezen. In de psychiatrie werkt het vaak anders. Als je bent opgenomen en de psychiater schrijft medicatie voor, is het niet vanzelfsprekend dat je informatie over mogelijke bijwerkingen krijgt. Een groot aantal cliënten zegt wel last te hebben van bijwerkingen. Dat blijkt uit een inventarisatie van de Stichting PVP onder willekeurig gekozen patiënten in het psychiatrisch ziekenhuis. In hoeverre kreeg men informatie over de medicatie, werking en eventuele bijwerkingen. En: hebben cliënten behoefte aan die informatie?

Het zal je maar gebeuren. Je wordt opgenomen op een opnameafdeling van een psychiatrisch ziekenhuis. De arts schrijft een middel tegen een psychose voor. Je bent niet echt enthousiast over het voorstel, maar besluit toch maar akkoord te gaan. Je neemt de medicatie in. 's Nachts word je wakker. Je kunt je armen en benen niet stilhouden. Je kaak zit vast. Je blijft liggen in de hoop dat het overgaat. Maar het gaat niet over. Na een half uur kruip je in paniek het bed uit en strompel je naar de verpleegpost. Een verpleegkundige vertelt dat je last hebt van een bijwerking van de medicijnen. Je krijgt een pil tegen die bijwerkingen. Pas na een half uur doet je lichaam weer ongeveer wat je wilt.

Klachten over medicatie

Er zijn nogal wat cliënten die bij de pvp met klachten komen over hun medicatie. In het jaar 2000 registreren pvp'en 853 vragen en klachten over medicijnen. In 2003 is dat aantal opgelopen tot 1268. Bij veel van die klachten zeggen cliënten problemen te hebben met de medicijnen vanwege de bijwerkingen. Men wil hulp van de pvp om voor elkaar te krijgen dat de medicatie gestopt wordt of dat de arts een middel voorschrijft waar men minder last van heeft. Voorbeelden van bijwerkingen waar cliënten over klagen zijn: droge mond, minder zin in seks, speekselvloed, moeite met ontlasten, trillen, spierkramp en gewichtstoename. Maar liefst 67% van de cliënten die deelnamen aan het onderzoek van de Stichting PVP, zegt last te hebben van een of meerdere bijwerkingen.

Informatieplicht

De Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo, zie kader), bepaalt dat een behandeling pas kan starten nadat de cliënt daarvoor toestemming heeft gegeven. Om weloverwogen toestemming te kunnen geven, heb je informatie nodig over het behandelvoorstel. Toestemming kun je immers pas geven, als je weet waarvóór je precies toestemming geeft. Daarom beschrijft de Wgbo ook welke informatie een cliënt behoort te krijgen over de voorgestelde behandeling. Als het goed is, vertelt een behandelaar zijn cliënt over het doel van de behandeling, over het te verwachten resultaat van de behandeling, over alternatieven voor de behandeling en over de risico's en bijwerkingen.

In strijd met de wet

In de praktijk blijkt dat niet alle cliënten de door de wet voorgeschreven informatie krijgen. Toch bestaat deze wet al bijna tien jaar! 38 % van de cliënten die deelnamen aan de inventarisatie van de Stichting PVP, zegt niet geïnformeerd te zijn over de mogelijke bijwerkingen. 69 % zegt niets gehoord te hebben over eventuele alternatieven. Dit is een aanwijzing dat mogelijk nogal wat behandelaars zich niet aan de wettelijk voorgeschreven informatieplicht houden. Gevolg hiervan voor de slecht informerende behandelaar kan zijn dat hem een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt wordt. Wanneer een patiënt schade ondervindt vanwege het niet ontvangen van voldoende informatie en hij aannemelijk kan maken dat hij mét die informatie een andere beslissing zou hebben genomen, is het ook mogelijk dat de arts een schadevergoeding moet betalen.

Voldoende zorg en aandacht

Een groot deel van de cliënten spreekt regelmatig met zijn behandelaar over de medicatie. Zo zegt 28 % van de cliënten daar nog de afgelopen week over te hebben gesproken. Maar er zijn ook andere ervaringen. Voor 5 % van de cliënten is het laatste gesprek met de behandelaar over de medicatie ergens tussen de een jaar en de twee jaar geleden. Voor 8 % is het zelfs drie of meer jaar geleden dat daar aandacht voor is geweest. Het is bijna niet voor te stellen dat een behandelaar zo weinig aandacht besteedt aan het medicatiegebruik van zijn cliënten. Behalve met genoemde informatieplicht van de hulpverlener, botst deze handelwijze ook nog met een andere voorschrift uit de Wgbo. Artikel 7:452 BW bepaalt namelijk dat een hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht dient te nemen en daarbij dient te handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Het langer dan drie jaar niet spreken over medicatie met een cliënt lijkt moeilijk in overeenstemming te brengen met de professionele standaard waar artsen aan behoren te voldoen.

Daarnaast kan in dit verband nog worden gewezen op artikel 2 van de Kwaliteitswet zorginstellingen, dat verplicht tot "zorg van een goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht wordt verleend en die afgestemd is op de reële behoefte van de patiënt."

Redenen voor niet informeren

De meeste artsen en psychiaters weten wat er in de Wgbo staat. Toch lijken zij hun cliënten niet allemaal voldoende te informeren. Waarom zou dat niet gebeuren? Heeft het te maken met tijdgebrek? Een cliënt zegt daarover: "Toen ik mijn psychiater vroeg wat de bijwerkingen waren van de medicijnen, wilde hij mij dat niet vertellen. Hij was bang dat ik er last van zou krijgen als hij vertelde wat er allemaal zou kunnen gebeuren. Hij wilde mij daartegen beschermen.

De mogelijkheid bestaat ook altijd, dat een behandelaar wel informatie geeft over werking, bijwerkingen en alternatieven van de voorgestelde medicatie, maar dat deze informatie niet opgepakt en onthouden wordt door de cliënt. Het is ook de taak van de behandelaars, artsen en verpleegkundigen, hiermee rekening te houden, en te checken of de gegeven informatie aankomt, of op een ander tijdstip nog eens herhaald moet worden.

De Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad is het doel van de informatieplicht niet het beschermen van de patiënt tegen de risico's van de voorgestelde behandeling. Het doel is de patiënt in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen over de keuze tussen wel of niet instemmen met de voorgestelde behandeling. Het onvoldoende nakomen van de plicht tot informeren heeft tot gevolg dat er een risico bestaat dat de patiënt niet op de wijze die hij wenst gebruik kan maken van het zelfbeschikkingsrecht en dat hij een keuze maakt die hij niet zou maken als hij wel goed geïnformeerd zou zijn (HR 23-11-2001, TvGr 2002/20; HR23-11-2001, TvGr 2002/21).

Wat ook de reden voor het niet informeren is, een cliënt mag van zijn behandelaar verwachten dat hij voldoende uitleg krijgt over de te verwachten positieve effecten van die behandeling, maar ook over de mogelijke negatieve effecten daarvan, en dat deze behandelaar hierbij zoekt naar een goede manier en een goed moment om deze informatie te verstrekken.

AdM/ADM


Projectgroep Medicatieveiligheid

In Meerkanten, een psychiatrische instelling bij Ermelo, is een projectgroep medicatieveiligheid aan de slag geweest met het project ‘Weet u eigenlijk wat u slikt?’ Het doel was cliënten goed te informeren over de medicatie die zij slikken. Het idee van de projectgroep was dat goede voorlichting leidt tot een grotere tevredenheid van cliënten en tot een trouwer medicijngebruik. Daarnaast was er de gedachte dat goede voorlichting ook leidt tot meer veiligheid voor de cliënt. Als je weet wat je slikt, kun je als cliënt beter in de gaten houden of je de goede pillen hebt gekregen. Om de voorlichting te verbeteren is eerst een nulmeting verricht. Aan cliënten is gevraagd wat zij van de informatie vonden die zij kregen. Veel cliënten gaven aan onvoldoende informatie te krijgen en dat zij graag informatie in normale mensentaal zouden willen krijgen. De apotheek heeft vervolgens een abonnement genomen op de best leesbare bijsluiters. Ook is er een boekje geschreven met de titel ‘Weet u wat u slikt?

Meer informatie over het boekje en de projectgroep is te verkrijgen bij de redactie van De Bovenkamer, een uitgave van Meerkanten. Het e-mailadres is: bovenkamer@meerkanten.nl.

Art. 7:448 lid 1 en 2 (Wgbo)

1. De hulpverlener licht de patiënt op duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk in over het voorgenomen onderzoek en de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van de patiënt. De hulpverlener licht een patiënt die de leeftijd van twaalf jaren nog niet bereikt heeft op zodanige wijze in als past bij zijn bevattingsvermogen. 2. Bij het uitvoeren van de in lid 1 neergelegde verplichting laat de hulpverlener zich leiden door het geen de patiënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van:

  1. de aard en het doel van het onderzoek of de behandeling die hij noodzakelijk acht en van de uit te voeren verrichtingen;
  2. de te verwachten gevolgen en risico's daarvan voor de gezondheidstoestand van de patiënt;
  3. andere methoden van onderzoek of behandeling die in aanmerking komen;
  4. de staat van en de vooruitzichten met betrekking tot diens gezondheid voor wat betreft het terrein van het onderzoek of de behandeling

Weg met de Wet Bopz?

DISCUSSIE DWANGBEHANDELING

De Cliëntenbond en Stichting Pandora plaatsen kritische kanttekeningen bij de roep om meer mogelijkheden voor dwangbehandeling.

De Wet Bopz deugt niet! Verkommerde en verloederde verslaafden, psychiatrische patiënten en veelplegende criminelen zwerven door onze steden en veroorzaken veel overlast. Een gedwongen opname in de psychiatrie is pas mogelijk als deze overlastveroorzakers voldoen aan de criteria voor gedwongen opname: het veroorzaken van gevaar dat voortkomt uit een psychiatrische stoornis. Als iemand eenmaal onder dwang is opgenomen, kan er pas een behandeling gegeven worden als hij in de instelling nog steeds gevaar veroorzaakt. Zo wordt de persoon in kwestie nog steeds aan zijn lot overgelaten, en duurt de verkommering binnen het ziekenhuis voort.

Dit is althans het beeld dat de laatste maanden naar buiten komt in de media. Er is veel te doen rondom de Wet Bopz, de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen, de wet die dwangopnames regelt en de voorwaarden voor dwangbehandeling stelt. Deze wet zou de psychiatrische ziekenhuizen te weinig mogelijkheden geven ernstig zieke psychiatrische patiënten de behandeling te geven die zij nodig hebben. Er moet dan ook een wet komen die gedwongen behandeling als uitgangspunt heeft, aldus de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP), de beroepsvereniging van psychiaters. Het gevaarscriterium moet daarbij vervangen worden door criteria als ‘wilsonbekwaamheid’ en ‘ernstig nadeel’, uiteraard omdat de psychiaters het beste willen voor de patiënt. De NVvP krijgt met dit standpunt veel aandacht in de media en ook de Tweede Kamer ziet veel in overlastbestrijding door dwangbehandeling, zo lijkt het. Niet iedereen ziet echter meer dwang als een oplossing. De redactie heeft de Cliëntenbond en de Stichting Pandora gevraagd hun mening te geven over de noodzaak om de Wet Bopz te veranderen en mensen veel gemakkelijker onder dwang te kunnen laten behandelen. Pandora en de Cliëntenbond zijn twee organisaties die zich inzetten voor de belangen van patiënten in de geestelijke gezondheidszorg (zie kader). Daarnaast kunt u in het volgende artikel (pagina 6) lezen wat iemand die zich dagelijks bezighoudt met wetgeving en gezondheidszorg, mr. Johan Legemaate, op te merken heeft over de huidige wetgeving en de roep om verbetering. Beeldvorming “Ik vind het vervelende aan deze discussie dat men doet alsof er wat te behandelen valt. Maar behandeling bestaat in dit geval uit het volspuiten van mensen. Als je ziet en hoort wat dat met mensen doet, wat die medicijnen voor bijwerkingen hebben, dat is enorm, dat is verschrikkelijk. Behandeling suggereert dat je werkelijk de gezondheid van mensen en hun situatie verbetert en dat gebeurt helemaal niet. Het is symptoomonderdrukking.” Aan het woord is Hans van der Zee, voorzitter van de Cliëntenbond. De Cliëntenbond is fel tegenstander van de regeringsplannen om de mogelijkheden tot het toedienen van dwangmedicatie te verruimen. “Wat me ook stoort is dat psychiatrie met criminaliteit en verslaving in één adem genoemd wordt. Dat is niet terecht. Lang niet iedere verslaafde heeft psychiatrische problematiek. Daar zit al iets fout in de beeldvorming. Bovendien is er al veel geschreven over gedwongen behandeling van verslaafden en het blijkt gewoon niet te werken. Ja, je kunt ze plat spuiten en dan heb je er geen last meer van maar als dat de achterliggende gedachte is, dan moet je het zo benoemen. Dan krijg je namelijk een heel andere discussie, maar de stelling van de ggz ‘geef ons nou maar meer middelen, geef ons nou maar meer mogelijkheden, dan lossen wij het overlastprobleem wel op’, dat horen we natuurlijk al twintig jaar. En het lukt ze van geen kanten omdat ze hun mogelijkheden en hun kunnen ver overschatten. Men denkt hiermee overlast te bestrijden maar dat zal niet zo zijn. Je zult zien dat mensen zich aan de zorg gaan onttrekken en nog meer in een isolement belanden met nóg meer kosten en nóg meer overlast. We hebben nu een overheid en ook een samenleving die denken dat ze alles met repressie kunnen regelen. Dat werkt niet.”

Communicatie

Van der Zee ziet veel meer in communicatie met cliënten en zorg die verder gaat dan alleen het verstrekken van medicatie. Dwang is vaak niet nodig als hulpverleners de tijd en de moeite nemen om in gesprek te blijven met cliënten. “Je moet veel meer kijken naar de alternatieven, je moet in gesprek gaan met de betrokkene, zorgen dat er contact is en zorgen dat er communicatie is. Je ziet het ook aan de kwaliteitscriteria voor dwang en drang die hier in Nederland zijn opgesteld. De basis daarvan is communicatie en daar wordt niks mee gedaan. Als je dus wat wilt verbeteren dan moet je daar maar eens beginnen. Want op het moment dat je met patiënten in gesprek bent, ook met moeilijke mensen, dan is er een band, dan is er contact en dan zul je zien dat die overlast niet ontstaat.”

Zelfbinding

Dwangmedicatie is een groot schrikbeeld voor veel cliënten en een traumatische ervaring voor mensen die er mee te maken hebben gehad. Van der Zee is dan ook een voorstander van zelfbinding, omdat cliënten dan hun eigen keus kunnen aangeven. “Dan zul je zien dat de meeste mensen kiezen voor de isoleercel. Maar als het echt zo is dat je met medicatie je leven beter op de rails krijgt, dan vindt iemand dat zelf ook vaak prettig. In zo’n geval kun je met een zelfbindingscontract regelen dat als het fout gaat en iemand zijn medicatie weigert, er dwang toegepast mag worden. Vanaf 1990 zit men daar echter al over te zeuren. Dan krijg je als argument dat het de keuzevrijheid kan beïnvloeden en waar komt men nu mee als alternatief? Dat er helemaal geen inspraak is, dat er meteen maar gespoten moet worden. Ik begrijp het niet meer.”

Stichting Pandora

“Ik vind de discussie over meer mogelijkheden tot dwangbehandeling heel weinig doordacht.”, zegt Froukje Bos van Stichting Pandora. “Wat er nodig is, is betere crisisopvang, meer bedden, meer continuïteit van zorg, preventie, nazorg, perspectief. Ons standpunt is, dat je dwang moet voorkomen. En dan nog: dwangbehandeling betekent dwangmedicatie. Bovendien wordt er te weinig gesproken over de voorwaarden rond dwangmedicatie: wanneer ga je dat doen en hoelang ga je dat doen en wat is daar dan de kwaliteit van?”

Gevaren

Froukje Bos en Marijke Knuttel zijn respectievelijk beleidsmedewerker en directeur van de Stichting Pandora. In een brief aan minister Hoogervorst van Volksgezondheid, Welzijn en Sport spreken zij onder meer de vrees uit dat, met invoering van een wet die dwangbehandeling breder mogelijk maakt, de toch al ongelijke positie van patiënten ten opzichte van hulpverleners ernstig wordt verzwakt. Zij betreuren dit des te meer, nu toepassing van dwang en drang in de praktijk uiterst weerbarstig is en het ontbreekt aan goede kwalitatieve opvang en toegang tot de zorg. Overlastbestrijding Marijke Knuttel is dan ook niet tevreden over hoe de discussie momenteel gevoerd wordt. “Wat je nu ziet is een lobby van de NVvP en Ypsilon die de deur platlopen in Den Haag bij partijen als VVD, LPF en CDA. Dat zijn partijen die graag meer veiligheid op straat willen en die zien dit voorstel als een bijdrage daaraan. Ineens lijkt er dan geen ruimte meer te zijn voor discussie en een zorgvuldige afweging.” Volgens Froukje Bos is het lastig en onterecht dat in de huidige discussie psychiatrische patiënten, veelplegers en verslaafden in één adem genoemd worden. “Er zijn knelpunten in de forensische psychiatrie, dat zien wij ook en daar is die hele lobby ook ontstaan. Maar wat willen ze nou gaan doen? Ze willen nu wetgeving gaan veranderen die voor iedereen geldt, terwijl ze tegelijkertijd allerlei problemen medicaliseren. Het gevolg is dat er voor een grote groep een cultuur gecreëerd wordt waarin men eerder tot dwangbehandeling kan overgaan. Je verliest dan echter een groot deel van de vrije wil en het eigen initiatief van de patiënt. Je slikt immers beter als je het zelf wilt, als je zelf het nut er van in ziet en ook het contact met de hulpverlener is dan beter.” De Bopz is een opnamewet voor ernstig zieke mensen die een gevaar zijn voor zichzelf of voor hun omgeving, maar die wet is niet bedoeld om overlast te bestrijden of veelplegers van de straat te halen, aldus de brief aan Hoogervorst.

Repressie

“Je moet je afvragen of de samenleving nou zo veel beter uit is als je meer dwang gaat toepassen.” Knuttel denkt dat er een beweging ontstaat richting meer repressie. “Ik ben niet erg optimistisch, ik vind het een zorgelijke ontwikkeling.” Bos en Knuttel zijn van mening dat de prioriteit niet moet liggen bij een wet voor dwangbehandeling maar bij verbetering van de kwaliteit, de toegang tot en de organisatie van de zorg. Dáár liggen immers de knelpunten. Zij pleiten voor meer laagdrempelige opvang, goede begeleiding, investeren in persoonlijk contact. Bovendien zou de asielfunctie van de psychiatrische instellingen verbeterd moeten worden. Voor mensen die zich ondanks de vermaatschappelijking van de zorg niet kunnen handhaven in de samenleving, moet het mogelijk blijven om in een instelling te wonen.

RH/CA


Cliëntenbond in de geestelijke gezondheidszorg

De Cliëntenbond behartigt de belangen van mensen die in aanraking zijn gekomen met of die een beroep gaan doen op de geestelijke gezondheidszorg. De bond doet dit vanuit de gemeenschappelijke ervaring van de leden. Daarnaast geeft de bond voorlichting en zorgt hij voor telefonische opvang.

Adres: Meerkoethof 50, 3582 DA Utrecht; Postbus 645, 3500 AP Utrecht; T 030 2521822 (secr.), T 030 2521812 (telefoondienst) post.clientenbond@planet.nl
www.clientenbond.nl


Stichting Pandora

Stichting Pandora zet zich sinds 1964 in voor mensen die psychische of psychiatrische problemen hebben, hebben gehad of kunnen krijgen, en hun maatschappelijke positie. De ervaringen van deze mensen zelf zijn voor Stichting Pandora de basis voor al haar acties.

Adres: 2e Constantijn Huygensstraat 77; 1054 CS Amsterdam, T 020 6851171
info@stichtingpandora.nl
www.stichtingpandora.nl;
jongerensite: www.zogeknogniet.nl

Pandora Depressielijn: T 0900 6120909 (€ 0,10 p/m)
depressielijn@stichtingpandora.nl
Informatie- & Advieslijn, T 0900-PANDORA (T 0900 7263672) (€ 0,10 p/m)
informatie_advieslijn@stichtingpandora.nl


Noodgedwongen - Zorg voor niet opgenomen acute psychiatrische patiënten

Op 10 mei jl. bracht de Gezondheidsraad een rapport uit: ‘Noodgedwongen. Zorg voor niet opgenomen acute psychiatrische patiënten.’ De taak van de Gezondheidsraad is ministers en parlement te adviseren over vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid. Ook in dit rapport wordt de Wet Bopz bekritiseerd: een moderne wet zou een scala van drang- en dwangmaatregelen moeten bevatten, van lichte maatregelen tot zware, zoals dwangopneming. De Gezondheidsraad is ongerust over met name een groep van ongeveer 8000 psychiatrische patiënten die chronisch in ernstige psychische nood verkeren, vaak ook verslaafd zijn, op straat leven en verkommeren door gebrek aan medicijnen, voedsel en geld. Deze groep ‘zorgmijders’ heeft zelf vaak nauwelijks ziektebesef, of heeft slechte ervaringen met de hulpverlening. Volgens de raad moet hun recht op zelfbeschikking wel gerespecteerd worden, maar zonder dat hun recht op zorg in het gedrang komt. De raad vindt dat de centrale vraag niet moet zijn: “vormt de cliënt een gevaar?”, maar: “is behandeling noodzakelijk?”, en pleit daarom voor een grondige herziening van de Wet Bopz. Succesvolle bemoeizorg kan patiënten helpen hun eigen belangen beter te behartigen, stelt de raad. Een nieuwe wet zou meer sturende vormen van inmenging kunnen rechtvaardigen, met name op het moment dat het recht op zorg in gevaar is. Het Ministerie van VWS neemt de uitkomsten van het advies van de Gezondheidsraad mee in het formuleren van een standpunt over de Wet Bopz, dat voor de zomer uitkomt. Een samenvatting van het advies van de Gezondheidsraad is na te lezen op de site www.gr.nl/adviezen.

Geen zorg

Zoals ook te lezen valt in het artikel, zijn de cliëntenorganisaties ondermeer bang dat het zelfbeschikkingsrecht opgeofferd gaat worden om overlast op straat tegen te gaan. Ook de belangenorganisatie Stichting LPR is tegen. Zij stelt dat het niet voor niets is dat er een groep is die geen zorg wil. “Dat komt door de manier waarop met mensen wordt omgegaan. Zij krijgen bijvoorbeeld medicijnen zonder uitleg over de bijwerkingen,” aldus de LPR. De LPR is landelijk met name bekend door de ondersteuning en deskundigheidsbevordering voor cliëntenraden en -commissies.

(Adres: Postbus 8197, 3503 RD Utrecht. T 030 2933233, info@lpr.nl)


Van zelfbeschikkingsrecht naar bemoeizorg

DISCUSSIE DWANGBEHANDELING

Pleidooi voor meer onderzoek naar effecten van dwang

“Er moet niet een situatie ontstaan waarin een verbetering of verslechtering van de psychiatrische zorg helemaal afgemeten wordt aan de wetgeving die we hebben. Ik denk dat wetgeving slechts een element is in de discussie waarin geroepen wordt om verandering, maar het is niet het enige. Dat is toch wel een risico van de situatie die nu ontstaat.”

Klimaatverandering

Mr. Johan Legemaate, seniorjurist bij de KNMG en sprekend op persoonlijke titel, is overigens niet verbaasd over de roep om verandering. “Er is een klimaatverandering opgetreden en de balans is een beetje verschoven van aandacht voor de individuele rechtspositie naar overlastbestrijding of beveiliging van de samenleving. Het is een soort weging van belangen. In die weging heeft het cliëntenbelang heel lang bovenaan gestaan en dat is nu minder het geval.” Volgens Legemaate was die veranderde houding al waarneembaar in het debat over de voorwaardelijke machtiging en de observatiemachtiging. “De Tweede Kamer van 2002 of 2003 was niet meer de Tweede Kamer die in 1983 unaniem de Bopz aannam en die hele duidelijk verhalen hield over de versterking van de patiëntenrechten.” Verbaasd over de kritiek op de Bopz is Legemaate ook niet: “Het is altijd al een ingewikkelde wet geweest, daardoor maakte hij ook al geen vrienden. De wet is ook heel erg gefocust op intramurale zorg en dat is een ggz-concept van heel lang geleden.”

Samenleving niet florissant

“De ene Bopz-wijziging tuimelt over de andere en het is maar zeer de vraag of dat nou zo reëel is. Ik denk best dat de Wet Bopz in deze situatie niet meer de optimale regeling is, maar je moet ook naar andere factoren kijken: de organisatie en de kwaliteit van de hulpverlening en de maatschappelijke omstandigheden buiten de zorg.” Die omstandigheden zijn op dit moment niet florissant: minder maatschappelijke zorg, minder sociale zekerheid, meer dwang. “Ja, opgeteld leidt dat vast wel tot meer repressie in de samenleving en vooral ook tot meer repressie in de psychiatrie.” Legemaate denkt dat psychiaters zich dat niet allemaal zouden moeten laten aanleunen. “Ze pleiten nu voor verruiming van de mogelijkheden tot dwang, naar ik meen vanuit een therapeutisch idee. De Tweede Kamer doet hetzelfde maar vanuit een idee van overlastbestrijding. Die twee partijen lijken hetzelfde te willen maar op grond van verschillende motieven en dat is iets waar uiteindelijk de psychiatrie last van kan krijgen.”

Effecten van dwang

Een beetje sleutelen aan de Bopz om de mogelijkheden voor het toepassen van dwang nog meer te verruimen is niet de oplossing. “Dat vind ik een valkuil. We verlagen alle drempels en dwang wordt makkelijker mogelijk. Maar wat hebben we daar eigenlijk aan?” Volgens Legemaate is dat een korte termijn succes en zou er eigenlijk gekeken moeten worden naar oplossingen die maken dat ingrijpen een succes voor de lange termijn wordt. Daarvoor is onderzoek nodig. “Ik zou het een goed idee vinden als er meer en goed onderzoek wordt gedaan naar de effecten van dwang. Daar is wel sporadisch onderzoek over maar het is nooit goed onderzocht. Dan wil ik wel eens weten of dwang helpt, ook als je mensen langer volgt. Als de wetgeving wordt veranderd dan zou ik ook graag zeker willen weten dat al het mogelijke is gedaan om de organisatie van de zorg en de deskundigheid van de hulpverleners op peil te krijgen en dat is inclusief allerlei samenwerkingsafspraken in ketentrajecten. En dat is ook inclusief het zoeken naar ‘best practice situaties’, want ik denk dat op dat punt het onderzoek in de psychiatrie nog tamelijk versnipperd is.”

Wilsonbekwaam

Dwangbehandeling mag nu slechts worden toegepast als dit binnen het ziekenhuis volstrekt noodzakelijk is om gevaar voor de patiënt of anderen, voortvloeiende uit de stoornis van de geestvermogens, af te wenden (Wet Bopz, art. 35, lid 5). “Daar zit misschien wel een soort weeffout in de Bopz. Of je nou ten aanzien van dwangbehandeling wilsbekwaam of wilsonbekwaam bent maakt niet uit, in beide gevallen geldt het gevaarscriterium.” Legemaate vindt dat eigenlijk niet juist. “Voor een aantal psychotische mensen geldt gewoon dat ze absoluut niet tot zelfbeschikking in staat zijn. Als je dan als een opvatting van autonomie hanteert dat het je doel is om hen zo snel mogelijk in die situatie terug te brengen, dan zou ik toch voelen voor die medicamenteuze behandeling in plaats van dat je de keuze voortdurend bij hen laat. In een aantal gevallen, denkt Legemaate, duurt het psychische lijden langer doordat men patiënten zelf laat kiezen, terwijl de patiënt, mede onder invloed van zijn psychische stoornis, niet kiest voor de medicatie. “Het is wel een beetje merkwaardig dat de Bopz zó veel gewicht toekent aan een wilsonbekwame weigering.” Even merkwaardig is het in de ogen van Legemaate dat je volgens de Bopz een wilsbekwame weigering mag doorbreken. “Als iemand wilsbekwaam is dan moet hij een absoluut recht hebben om behandeling te weigeren. En bij wilsonbekwamen is de huidige drempel misschien inderdaad wel een beetje hoog”.

Brede, nieuwe wet

Alles bij elkaar ziet Legemaate niet zo veel in het veranderen van de criteria voor dwang in de huidige Bopz. “Ik denk dat er gewoon een tussenstap moet komen. Er is altijd wel gemor geweest over de Bopz maar er is nooit de vraag gesteld en geanalyseerd of het beter zou zijn om anno nu naar een beter wettelijk systeem te gaan.” Die vraag moet dan gesteld worden door een breed samengestelde commissie waar alle invalshoeken in vertegenwoordigd zijn. Ideeën over een brede, nieuwe wet heeft hij wel: “Niet meteen met dwang beginnen.” Legemaate ziet wel wat in een wet die een opbouw heeft waarbij je al in een vroeger stadium een mentor benoemt die een oogje in het zeil houdt. Iemand die niet tot dwang kan besluiten maar die wel kan motiveren, een soort bemoeizorg. Daarna kan er een ambulant behandelingstraject komen waar best wel wat druk op mensen uitgeoefend mag worden en uiteindelijk zou iemand gedwongen opgenomen kunnen worden. Maar, denkt Legemaate, door de stappen die er aan vooraf gaan, kom je aan die laatste stap van dwangopneming misschien helemaal niet meer toe. “Dus een verbreding van de wet, met meer smaken dan alleen dwangopneming zou ik eigenlijk prefereren boven een aanpak waarin we maar blijven sleutelen aan criteria en procedures van de huidige, gebrekkige wet.”

RH


VERHAAL CLIËNT

Prikkelarm bestaan

“In mijn flat staan twee luie stoelen, een eettafel met twee stoelen, wat planten, een enkele foto van vroeger. Het is er niet opgeruimd, maar ’t is ook geen bende. Er staat gewoon te weinig om het wat te laten zijn. Ik zit meestal in de lekkerste stoel, van waaruit ik goed naar buiten kan kijken. Er staat een boom in mijn uitzicht, verder wat nieuwsoortige fabrieken, regelmatig het geluid van de trein, maar die zie ik niet. Het is een prikkelarme omgeving, zo is mij jaren geleden al door hulpverleners verteld. En dat klopt, om mij heen wonen bejaarden, terwijl ik net 41 ben geworden. Aan de boom kan ik zien of het zomer of winter is. Hij is mijn trouwe vriend.

Ik ben al 20 jaar manisch-depressief. Tegenwoordig heet dat een bipolaire stoornis. Dat maakt voor mij niets uit, het voelt niet anders. Vroeger ben ik daarvoor langdurig opgenomen, ook wel gedwongen. De laatste jaren woon ik zelfstandig in dit flatje. Af en toe komt mijn SPV’er (sociaal-psychiatrisch verpleegkundige - red.) op bezoek. De laatste tijd iets vaker, ongeveer een keer per week. Ik ben namelijk weer aan het sleutelen met de hoogte van de dosis medicatie. In zo’n periode houden ze me extra in de gaten. Ik moet dan rapporteren of het goed gaat, dat wil zeggen: of ik niet manisch word.

In het begin van mijn ziekte heb ik jarenlang lithium gehad. Daarna kreeg ik Prozac, een antidepressivum, maar dat werkte helemaal niet. Vier jaar geleden kreeg ik Risperdal. Het wordt gebruikt voor psychose, dat is een stoornis in je hersenen met als gevolg verwardheid, achterdocht, in jezelf gekeerd zijn, spanningen. Dat had ik allemaal. De bijwerkingen zijn gewichtstoename, afname van je reactiesnelheid, slaperigheid, duizeligheid. Heb ik ook allemaal. Ik mag ook al heel lang niet meer autorijden. Ook een bijwerking is dat je gezicht vreemde bewegingen kan gaan maken. Bij mij klemmen de kaken op elkaar.

Ik heb niet gekozen voor het slikken van medicijnen, maar ik word ook niet gedwongen om ze te nemen. Als ik ze niet neem dan krijg ik al die verschijnselen die ik net opnoemde en dat is vreselijk. Een nachtmerrie, maar dan overdag. Dat wordt met die medicijnen wel tegengehouden, zodat ik weer een beetje kan leven. Maar ik ervaar het inderdaad als een onkeuze: zonder medicijnen word ik gek en de mensen om mij heen ook, maar met medicijnen voel ik niets, leef ik als een bejaarde voor wie elke inspanning fataal kan zijn. En dat frustreert me weer tot gekwordens toe…Daarom experimenteer ik af en toe met de hoogte van de dosering. Om weer iets te voelen probeer ik in overleg met mijn behandelaar de dosis Risperdal te verlagen, in die fase zit ik nu weer. Wat meer diepte in mijn leven, dat zou ik graag willen. Een keer bij het opstaan denken dat ik wat mis wanneer ik niet onmiddellijk m’n kleren aantrek en me naar buiten haast vanwege het mooie weer. Eerlijk gezegd vind ik het hondsmoeilijk om de zin van mijn leven te zien. Er is niets leuks aan. Ik heb moeten aanvaarden dat ik deze ziekte heb, wat me jaren heeft gekost, maar nog steeds vind ik het moeilijk om überhaupt te leven.

Ik probeer wel dingen te doen. De SPV’er heeft ervoor gezorgd dat ik goedkoop met de taxi kan. Dan kan ik mijn partner bezoeken. Het is niet ideaal dat we op twee plaatsen wonen, maar er zit niets anders op. Onder één dak wonen met hem zou niet lukken. Ik zoek ook mijn vader wel op. En soms komt mijn vriendin langs. Dat is het wel zo’n beetje.

Niet alleen mijn flat is prikkelarm, mijn leven ook. Al die mensen waar ik over hoor en lees met hun overbelaste bestaan; het is voor mij alsof ze van een andere planeet komen. Spanningen in wat voor vorm ook zijn slecht voor mij, ik moet ze uit de weg gaan. Dan blijft er weinig over. Ik zal, denk ik, altijd verlangen naar het leven van voor ik ziek werd. Die gedachten moet ik soms stoppen, omdat ik het bijna lijfelijk voel. Ik verbaas me er vaak over dat herinneringen zo levendig blijven dat het bijna pijn doet. Zie je dat kanten tafelkleed? Lag bij ons thuis op de eettafel. En die hyacinten daar…die geur… het doet me denken aan mijn jeugd, toen mijn toekomst er net zo uit zag als die van mijn beste vriendin. Niks bijzonders hoor, we wilden kleuterjuf worden en daarna een leuke man en later vier kinderen; twee jongens en twee meisjes. Kleuterjuf zijn we geen van beiden geworden, maar ik weet van horen zeggen dat zij wel kinderen heeft gekregen.

Over mijn toekomst ben ik niet optimistisch, dit blijft toch een leven zonder perspectieven. Zo vlak als de polder hier om de hoek. Ik wil beslist niet zielig doen, dat ben ik ook niet, het is dat jij ernaar vraagt. Maar wie wil er nu zo’n leven? Ik heb het er verder nooit over, hoor, ik wil geen zure sikkeneur zijn, maar ik ben nog niet in de fase dat ik zonder bitterheid mijn realiteit onder ogen kan zien. Daar oefen ik wel op.”

AdG


BOEKBESPREKING

Die onbekende, vreemde psychiatrie

Herkenbare en onthutsende verhalen op de levenslijn

Die onbekende, vreemde psychiatrie!

Begin dit jaar publiceerde verpleegkundige Renze Vink een boekje: ‘Over de lijn, ontmoetingen in de psychiatrie’, met name voor verpleegkundigen in opleiding, om de onbekendheid met het psychiatrisch ziekenhuis weg te nemen en hen voor te bereiden op het werken met psychiatrische patiënten. Psychiatrie door de ogen van, vooral, een verpleegkundige. Dit boekje doet denken op aan een ander boek, al wat eerder verschenen: ‘Los gekoppeld, ego-documenten van ggz-cliënten’, waarin juist de mensen die de hulpverlening ondergaan, aan het woord zijn en hun ervaringen vertellen. Psychiatrie door de ogen van de psychiatrische patiënt zelf. Voor iemand die meer te weten wil komen over hoe het toegaat in een psychiatrisch ziekenhuis – of je nu cliënt, familie, of hulpverlener in opleiding bent – geven beide boeken veel informatie. Maar ook als je er al (lang) werkt: vooral lezen!

Renze Vink geeft in 25 verhalen en interviews een beeld van een klein stukje psychiatrie: de gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis. Zoals de geïnterviewde psychiater het noemt: de intensive care binnen de psychiatrie. Als aankomend werker in de psychiatrie word je met dit boekje dus meteen in het diepe gegooid: ernstig zieke mensen, heftige symptomen, weinig tot geen genezing. Voor mensen die onbekend zijn met de psychiatrie misschien wel een hele grote stap in een keer.

Interviews

Deze ervaringen als verpleegkundige met patiënten vult Vink aan met interviews. Hierin vertellen onder meer twee patiënten zelf, een paar ouders, en psychiater, een Bopz-rechter en een patiëntenvertrouwenspersoon over hun ervaringen en hun rol in de psychiatrie. Dit geeft het geschetste beeld van de gesloten afdeling een breder perspectief. De ouders van een jonge man, Joost, die al vele opnames heeft doorgemaakt, vragen er aandacht voor dat in de hulpverlening aan patiënten de omgeving zo vaak wordt vergeten: ‘de familie is net zo goed je patiënt’. En als je nog eens wilt weten wat een pvp in het ziekenhuis doet, geeft het interview met Theo van Veldhuizen heel complete, heldere informatie.

De lijn

Vink speelt in haar boek met de lijnmetafoor: refererend aan hoe zij in de tijd van de antipsychiatrie, de zeventiger jaren van de vorige eeuw, werd opgeleid, stelt zij de menselijke ontmoeting centraal in haar werk: “De grens tussen verpleegkundige en cliënt was niet meer dan een stippellijn.” Over de huidige tijd schrijft zij: “Alles krijgt een etiket. Het is weer glashelder wie aan welke kant van de lijn staat.” En de geïnterviewde Bopz-rechter zegt: “Deze mensen zitten aan het eind van een lijn waarop we ons allemaal bevinden.” ‘Over de lijn’ is een heel integere schets van een stukje psychiatrie. Maar de keus van de schrijver voor de gesloten afdeling, veroorzaakt dat de bedoelde lezer, de verpleegkundige in spe, een beeld krijgt van een wereld die, hoe realistisch ook, misschien wel heel ver van hemzelf afstaat. Een wereld waarin juist die stippellijn tussen verpleegkundige en patiënt door de ernst van de ziekte als ‘een dikke streep’ ervaren kan worden.

Onthutsende verhalen

‘Los gekoppeld’ is een bundel persoonlijke ervaringen van cliënten op uiteenlopende plekken binnen de psychiatrie, aangevuld met een uitgebreide analyse van de hulpverlening en organisatie van de psychiatrie. De bundel is een initiatief van het ‘Provinciaal ggz-Cliëntenplatform Groningen’ in het kader van een onderzoek naar de kwaliteit van de geestelijke gezondheidszorg.

In vijf delen schetsen tien cliënten hun belevenissen in de psychiatrie gedurende de afgelopen dertig, veertig jaar. Heel verschillende levens, uiteenlopende problemen. Maar groot zijn ook de overeenkomsten in ervaringen met de psychiatrie. ‘Onthutsende verhalen’ worden het genoemd: van de eerste crisisverschijnselen in het deel een, via de periodes van heropnames en een uiteindelijke terugblik op alle belevenissen en een evaluatie van de ervaringen in de psychiatrie in het vijfde deel. Elk deel afgesloten worden met kritische conclusies, het signaleren van knelpunten en aanbevelingen voor een goede hulpverlening.

Organisatorische knelpunten

In de inleiding zegt Hetty Ligtenberg, de samensteller van de bundel, over de ontwikkelingen in de tijd: “De gebouwen zijn vriendelijker geworden, geen slaapzalen meer maar slaapkamers. De medicijnen zijn verbeterd, doeltreffender en met minder bijwerkingen.” Maar “de willekeur in behandeling en bejegening lijken onveranderd evenals ontoegankelijkheid en ondoorzichtigheid van de ggz. Om over gebrek aan continuïteit in behandeling en begeleiding, over steun aan betrokkenen maar te zwijgen….” Hoewel het boek hier en daar een duidelijke verbetering in de kwaliteit van de ggz signaleert, en erkend wordt dat er veel kwaliteitsprojecten in het land zijn opgezet, eindigt elk deel met het vaststellen van knelpunten in de huidige hulpverlening en het doen van aanbevelingen. Gebrek aan continuïteit in de behandeling, gebrek aan informatie en voorlichting, onvoldoende overleg met en begeleiding van de naastbetrokkenen: steeds wijst ‘Los gekoppeld’ op organisatorische tekortkomingen en focust in de aanbevelingen ook hierop. Juist de signalering van alle knelpunten en de uitgebreide aanbevelingen maken dit boek tot een waardevolle aanvulling op het boek van Renze Vink: aan de ene kant laat het veel meer kanten van de psychiatrie zien, en is het ook minder een momentopname doordat het ervaringen gedurende tientallen jaren beschrijft. Aan de andere kant overstijgt dit boek het persoonlijke door de uitgebreide analyse van tekortkomingen in de hulpverlening en organisatie binnen de geestelijke gezond-heidszorg.

Beide boeken zijn het aanraden waard: als kennismaking met het onbekende psychiatrische ziekenhuis, voor kersverse cliënten en hun familie, voor ‘buitenstaanders langs de lijn’ en voor hulpverleners in opleiding. Maar ook patiënten en hulpverleners die al veel tijd binnen de muren van het psychiatrisch ziekenhuis hebben doorgebracht, biedt het lezen hiervan steun en herkenning. Met name ‘Los gekoppeld’ geeft veel eye-openers en stimulansen voor het blijven verbeteren van de kwaliteit.

CA

“Kwaliteit is: zeggen wat je doet,
doen wat je zegt,
en vragen of de cliënt tevreden is”
(‘Los gekoppeld’, pag. 231)

‘Over de lijn, ontmoetingen in de psychiatrie’, door Renze Vink. Uitgeverij Bohn Stafleu Van Loghum, Houten 2004.
ISBN 90 313 4132 0 (met beknopte adressenlijst). 100 pag., € 12,50.
‘Los gekoppeld, ego-documenten van ggz-cliënten’, onder redactie van Hetty Ligtenberg. Uitgeverij De Passage, Groningen 2001. ISBN 90 5452 081 7 (met adressenlijst van patiëntenorganisaties in de ggz). 236 pag., € 14,50.


VERHAAL PVP

Open kaart

Deze keer beschrijft het ‘verhaal van de pvp’ een dilemma ten aanzien van een van de gedragsregels, namelijk de gedragsregel dat ‘de pvp niet beter geïnformeerd mag zijn dan de cliënt’. In elke situatie tijdens het werk handelt de pvp meer of minder bewust vanuit de gedragsregels. In het hierna volgende verhaal blijkt dat een pvp geen robot is die klakkeloos gedragsregels kan opvolgen. Het is niet zo dat hier de gedragsregel in zijn geheel niet wordt nageleefd, maar de situatie dwong deze pvp er een wat bijzondere manier voor te zoeken. Soms merkt een pvp in het contact met medewerkers in de instelling dat men de visie heeft dat de pvp ‘met de botte bijl’ pal staat voor het patiëntenrecht. In dit verhaal wordt duidelijk dat deze pvp wel degelijk de kant van de behandelaar serieus neemt, en probeert mét de kennis die zij ongewild van de behandelaar gekregen heeft, zo goed mogelijk op te komen voor haar cliënt.

Volgens onze gedragsregels mag de pvp niet beter geïnformeerd zijn dan de cliënt. Het was deze regel die me onlangs in een lastige situatie bracht. Na een lange periode van rechterlijke machtigingen mag Els naar huis. Enkele weken later belt ze me op. Het gaat volgens haar prima thuis en ze vindt het dan ook reuze vervelend dat ze dagelijks om half negen naar het ziekenhuis moet komen om haar pillen daar ter plekke in te nemen. Ze heeft geen moeite met het nemen van de medicatie maar dat kan ze makkelijk zelf regelen, op een tijdstip dat ze het háár uitkomt. Zo te horen heeft Els gelijk, ze wordt vrijwillig behandeld dus als ze de medicatie niet wil halen, kan ze daartoe niet worden verplicht. Toch ben ik voorzichtig, misschien heeft de instelling wel een nieuwe rm aangevraagd of zijn ze dat van plan als Els zich niet aan de afspraak houdt. Ik vraag aan Els wat ze zelf denkt dat er gebeurt als ze niet meer naar de instelling gaat voor haar medicatie. “De behandelaar heeft gezegd dat ik dan opnieuw gedwongen wordt opgenomen”, is het resolute antwoord. Juridisch gezien is mijn advies simpel; op dit moment kan Els nergens toe gedwongen worden dus hoeft ze morgen al niet meer naar de instelling te gaan als ze dat niet wil. Dit advies geef ik echter niet. Het contact met Els is telefonisch en ik kan niet inschatten wat er precies gaat gebeuren als ze dit advies zou opvolgen. Ik beloof Els dat ik zo snel mogelijk contact op zal nemen met de behandelaar en adviseer haar tot die tijd de medicatie op te halen in de instelling. Ik hoop dat ik de behandelaar snel te pakken krijg want het voelt niet helemaal goed dat ik Els niet ‘gewoon’ op haar recht gewezen heb.

Informatie

Dezelfde middag krijg ik de behandelaar aan de lijn. Heel bereidwillig en uitvoerig begint ze te vertellen. Dat het helemaal niet goed gaat met Els, dat de rm nooit beëindigd had mogen worden en dat ze zich grote zorgen maakt. Het ophalen van de medicatie in de instelling is een goede gelegenheid om een oogje in het zeil te houden. Nee, ze twijfelt niet aan de medicatietrouw van Els. Bovendien gaat het om medicatie tegen de bijwerkingen van haar depot (d.i. een injectie met een middel tegen de psychose die elke twee weken gegeven wordt). Het begint bij mij te kriebelen, het klinkt allemaal wel mooi maar eigenlijk wordt Els gewoon voor de gek gehouden. Tegen beter weten in vraag ik de behandelaar of Els op de hoogte is van de informatie die ze me net gegeven heeft. “Nee, uiteraard niet, dan zou Els niet meer komen”, gevolgd door het vriendelijk doch dringend verzoek dit ook niet aan Els te vertellen. Haast ten overvloede vraag ik nog naar de gronden voor een eventuele rm. Opnieuw wordt mijn vermoeden bevestigd. Er zijn geen gronden voor een rm aanwezig, de behandelaar heeft dit gezegd om ervoor te zorgen dat Els zich aan de afspraak houdt. Wat moet ik nou doen?

Gedragsregel

Volgens mijn gedragsregels moet ik Els vertellen wat de behandelaar mij heeft gezegd maar ik kan niet inschatten wat Els gaat doen als ze hoort hoe ze misleid wordt. Ben ik degene die dat haar moet vertellen? Ik heb beloofd Els te bellen zodra ik de behandelaar heb gesproken. Het is echter Goede Vrijdag dus duurt het nog tot dinsdag voordat ze zélf de behandelaar kan spreken. Ik twijfel. Niet of Els moet weten hoe de vork in de steel zit maar wel door wie het verteld moet worden en op welk tijdstip. Ik besluit een collega te raadplegen. Een beginnend pvp die de gedragregels direct paraat heeft. Gelukkig ziet hij ook het dilemma maar hij vindt wel dat Els snel op de hoogte moet worden gesteld. We komen tot een soort compromis. De pvp mag niet beter geïnformeerd zijn dan de cliënt maar de behandelaar heeft als belangrijke plicht de cliënt goed te informeren. Hier ligt de sleutel van onze oplossing. Ik zal de behandelaar terugbellen en haar verzoeken Els de juiste informatie te geven. Daar heeft Els recht op en het is mijn taak als pvp om Els bij te staan bij de handhaving van haar rechten. De behandelaar heeft zich waarschijnlijk niet gerealiseerd dat de pvp niet meer informatie mag hebben dan de cliënt. Ik vind het best lastig om dat aan de behandelaar te vertellen omdat ik zeker de indruk heb dat haar zorgen om Els oprecht zijn. Het is vier uur en de behandelaar is vroeg weggegaan vanwege goede vrijdag. Ik bel Els en vertel haar maar een deel van het verhaal. Dat ze inderdaad geen rm heeft, dat de behandelaar zich zorgen maakt en graag wil dat ze haar medicatie komt halen. Dat ze niet verplicht is om het te doen maar dat het mij zinnig lijkt om de situatie met de behandelaar te bespreken en te kijken of ze tot overeenstemming kunnen komen. Ik ben erg blij als Els zelf zegt dat ze de zaak niet op de spits wil drijven. Ze is al lang blij dat ze thuis is en volgens haar komen ze er wel uit. Heb ik nou de goede beslissing genomen? Volgens de gedragsregels had ik volledig open kaart moeten spelen. Soms moet je echter afgaan op je gevoel, gebaseerd op je ervaring, en mijn gevoel zei dat strikte opvolging van mijn gedragsregels in deze situatie niet verstandig zou zijn geweest. (De naam van Els en elementen van de situatie zijn veranderd om herkenbaarheid te voorkomen.)

FSC


Juridische terugblik op 2003

Het is de gewoonte om in de jaarkrant terug te blikken op ontwikkelingen op het gebied van het patiëntenrecht die zich in de wet- en regelgeving en de jurisprudentie in het verslagjaar hebben voorgedaan. In het jaar 2003 zijn geen nieuwe wijzigingen in de Wet Bopz ingevoerd. Dit betekent echter niet dat de wet geen onderwerp was van debat of dat de politiek op dit terrein heeft stilgezeten. Hieronder volgt een overzicht van verschillende voornemens tot wijziging en aanvulling van de Bopz. Ook wordt aandacht besteed aan de tweede evaluatie van de wet en aan voorgestelde wijzigingen van de Klachtwet en de Kwaliteitswet.

Voorwaardelijke machtiging en observatiemachtiging

Hoewel het wetsontwerp inzake de voorwaardelijke machtiging en de observatiemachtiging (alsmede het schrappen van het woordje “ernstig” uit art. 38 lid 5, opdat het criterium voor dwangbehandeling zou worden verruimd) reeds in 2002 het Staatsblad haalde (Wet van 13 juli 2002, Stb. 2002, 431), werd de wet nog niet in 2003 ingevoerd. Dit is uiteindelijk op 1 januari 2004 geschied, waarbij overigens de observatiemachtiging nog niet in werking is getreden. In december 2003 is een wetsvoorstel “in verband met het verbeteren van enkele onvolkomenheden in de regels over (…) de observatiemachtiging” ingediend. Dit in verband met het feit dat verzuimd was om art. 40 Wet Bopz, waarin onder meer de mogelijkheid is opgenomen om de bewegingsvrijheid van de patiënt in en rond het ziekenhuis te beperken, van toepassing te verklaren op krachtens een observatiemachtiging opgenomen patiënten. Indien het niet mogelijk zou zijn om deze patiënten “binnen” te houden, zou de observatiedoelstelling immers in sommige gevallen moeilijk gerealiseerd kunnen worden. De bedoeling is nu om deze omissie te verhelpen, zodat de patiënt indien nodig wel in zijn bewegingsvrijheid kan worden beperkt en de beoogde observatie kan plaatsvinden.

Zelfbinding

Het in maart 2002 ingediende wetsvoorstel zelfbinding, dat ertoe strekt de patiënt zelf zeggenschap te geven over in welke situaties hij tegen zijn wil opgenomen en/of behandeld wil worden, is nog in behandeling bij het parlement.

Klachtenregeling Wet Bopz

In augustus 2003 is een wetsvoorstel tot herziening van de klachtenregeling van art. 41 Wet Bopz bij de Tweede Kamer ingediend. Volgens dit wetsvoorstel zullen de bevoegdheden van zowel de klachtencommissie als de rechtbank in Bopz-klachtenprocedures aanmerkelijk worden uitgebreid. Commissie en rechtbank kunnen bij gegrondverklaring van de klacht de bestreden beslissing (geheel of gedeeltelijk) vernietigen of de behandelaar opdragen een nieuwe beslissing te nemen. De rechtbank krijgt de bevoegdheid om een dwangsom op te leggen. Tevens zal het voor de patiënt mogelijk zijn om in de art. 41 klachtenprocedure bij de rechtbank een schadevergoeding te vragen en zal cassatieberoep bij de Hoge Raad tegen art. 41 beschikkingen worden opengesteld. In haar commentaar op het wetsvoorstel heeft de Stichting PVP – onder meer – aandacht gevraagd voor het probleem dat voor de patiënt wiens klacht door de klachtencommissie gegrond wordt verklaard, deze laagdrempelige mogelijkheid niet openstaat. Indien de klachtencommissie de klacht gegrond verklaart, is de patiënt immers niet ontvankelijk bij de rechtbank. Deze patiënten zullen zich dan alsnog in een afzonderlijke procedure tot de civiele rechter moeten wenden, hetgeen niet alleen tijdrovend is, maar waar bovendien financiële risico's aan verbonden zijn. Het wetsvoorstel zal binnenkort worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

Tweede evaluatie Wet Bopz

Ook in 2003 bleef een Kabinetsstandpunt aangaande de tweede evaluatie van de Wet Bopz uit, terwijl het evaluatierapport reeds in maart 2002 werd uitgebracht. Het Kabinetsstandpunt wordt in de loop van 2004 verwacht.

Wijziging Kwaliteitswet en Klachtwet

De voorgestelde wijzigingen van de Kwaliteitswet en de Klachtwet, die – onder meer – erin voorzien dat de zorgaanbieder verplicht wordt om calamiteiten en seksueel misbruik te melden aan de Inspectie en dat de klachtencommissie ernstige klachten aan de Inspectie moet melden (zie Jaarkrant 2002), hebben in 2003 nog niet hun beslag gekregen.

AB