|
Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg
14e jaargang nummer 3 najaar 2004
Inhoudsopgave
Voorwoord
Geachte lezer,
Een van de belangrijkste rechten als je hulp zoekt bij ziekte, en daarvoor soms
opgenomen wordt in een ziekenhuis, is het recht op informatie. De Wet geneeskundige
behandelingsovereenkomst besteedt heel wat zinnen aan de verplichting die een hulpverlener
heeft jou als cliënt op een duidelijke manier informatie te geven. En de modelregeling
arts-patiënt van het KNMG schrijft hetzelfde nadrukkelijk voor. Welke informatie heb je
dan nodig? Wat wil je weten als je bent opgenomen? Je wilt weten wat je mankeert, hoe je
weer beter kunt worden, wat het ziekenhuis je te bieden heeft, wat je kunt verwachten, bij
wie je terecht kunt, je wilt weten hoe lang het gaat duren
en nog heel veel
meer
Als patiëntenvertrouwenspersoon merk ik in het ziekenhuis steeds weer dat heel
veel klachten voortkomen uit het feit dat cliënten te weinig weten. En daardoor zich
onzeker voelen, niet reële verwachtingen van hun opname hebben, te veel of juist te
weinig van hun hulpverlener verwachten, niet voldoende gemotiveerd zijn om hun medicijnen
te nemen, of ook niet snappen wat verpleegkundigen altijd in dat kantoortje zitten te
doen. Soms weten cliënten zelfs niet eens waarom ze zijn opgenomen en wat ze voor
behandeling krijgen; het komt voor dat een patiënt weken in het onzekere blijft over wie
de behandelaar is of welke therapieën nodig zijn. Te weinig weten is niet bevorderlijk
voor je gezondheid en ook is het niet bevorderlijk voor het contact tussen jou en je
hulpverleners. Het kweekt onzekerheid en ontevredenheid. In deze PVP-krant wordt weer op
diverse plekken aandacht besteed aan dit recht op informatie en de goede invloed die het
op je heeft als je weet wat je kunt verwachten. Het artikel Content versus
consent belicht allerlei aspecten van het informatierecht. Ook in het
openingsartikel Kleien, kleuren en soms sporten gaat het, meer indirect, over
de behoefte aan informatie: wat is de standaard voor verantwoorde zorg? Hoeveel
activiteiten mag je van het ziekenhuis verwachten? Waar dienen die activiteiten voor, is
het ziekenhuis verantwoordelijk voor jouw dagbesteding? Dossierperikelen op
pagina 6 gaat over het weten wat er over je wordt opgeschreven in je dossier en wat, soms
zonder je toestemming, wordt doorgegeven aan anderen. Want naast het recht op informatie
is je recht op privacy ook een groot goed!
Carla Andringa, eindredacteur en pvp in Groningen
Cliënten: activiteitenprogramma opnameafdeling sluit onvoldoende
aan bij interesse
Kleien, kleuren en soms sporten
In instellingen wordt heel wat geplakt, geknipt, gekleurd, gesport en muziek gemaakt.
Als je daar niet van houdt is de keuze beperkt. De helft van de cliënten vindt dat hun
programma onvoldoende activiteiten heeft. Het sluit niet aan bij hun interesse of
behoefte. En tijdens de vakantieperiode vallen de activiteiten meestal uit. Soms
loopt iedereen maar een beetje rond.
Wij vroegen 103 cliënten van opnameafdelingen van meer dan 40 psychiatrische
ziekenhuizen wat zij van het activiteitenprogramma in het ziekenhuis vonden. Hierbij
werden de gerichte therapieën als creatieve therapie, psychomotorische of
bewegingstherapie -gegeven door desbetreffende therapeuten- buiten beschouwing gelaten:
het ging hier specifiek om het activiteitenprogramma, begeleid door
activiteitenbegeleiders. Uit de beantwoording werd duidelijk dat in sommige ziekenhuizen
niet zon scherp onderscheid werd gemaakt tussen activiteiten en therapie, en ook dat
het activiteitenprogramma regelmatig onderdeel vormde van de behandeling.
Ervaringen van cliënten
Veel cliënten zijn tevreden met de kwaliteit en de omvang van het aanbod, zoals een
cliënt die aangeeft: Kralen rijgen, meer kan ik nu niet aan. Andere cliënten
zien graag veranderingen. De volgende reacties maken dit duidelijk: Er zijn te
weinig individuele mogelijkheden, het aanbod is van een te laag niveau. Dat plakken en
knippen hier,
.. ik zit niet meer op de kleuterschool. En: Vooral
s middags is er weinig te doen en s avonds is er helemaal geen programma. Ik
verveel me! Ook is het heel vervelend dat als iets uitvalt er niets voor in de plaats
komt: er is geen vervanger. De verpleegkundigen nemen ook niets over. Soms loopt iedereen
maar een beetje rond. Vijf van de 103 cliënten geven aan dat ze geen
dagactiviteiten hebben. De dagactiviteiten van de andere cliënten bestaan overwegend uit
creatief bezig zijn, tekenen, schilderen, sport en bewegen. Activiteiten als tuinieren en
het volgen van een computer- of kookcursus worden minder vaak genoemd. ( 34 keer geven
cliënten aan creatief bezig te zijn, en 19 keer dat zij activiteitentherapie te bezoeken;
uit de beantwoording van de vragen werd niet duidelijk welk verschil cliënten, of de
betreffende afdelingen hierin zagen, zodat deze categorieën wellicht bij elkaar genomen
kunnen worden.)
Veel cliënten zijn blij met het activiteitenaanbod omdat ze dan iets te doen hebben.
Toch zegt maar de helft van de cliënten dat het aanbod bij hun belangstelling aansluit.
Sommige cliënten vinden de activiteiten saai, weinig creatief en altijd hetzelfde. In
veel instellingen is er op de afdeling een ruim aanbod aan handvaardigheden, maar als je
daar niet van houdt dan is de keuze beperkt. Gemiddeld genomen hebben de cliënten acht
uur per week dagbesteding. De helft van de cliënten vindt dat hun programma onvoldoende
activiteiten heeft. Hierdoor raken cliënten uit hun ritme, beginnen bijvoorbeeld weer met
roken of geven aan zich slechter te gaan voelen tijdens de opname door de grote
leegte van de dagen.
Activiteitenbegeleiders
Door heel Nederland is aan 45 activiteitenbegeleiders in psychiatrische ziekenhuizen
gevraagd wat zij met de activiteiten op de opnameafdelingen beogen. Volgens veel
activiteitenbegeleiders is het belangrijkste doel van de dagbesteding het bieden van
structuur en dagvulling. Daarnaast worden ontspanning, het therapeutische effect,
resocialisatie of observatie genoemd als doelstellingen van de activiteiten. Het is niet
duidelijk waarom de ene activiteitenbegeleider meent dat een activiteit als kleien een
therapeutisch doel heeft, terwijl de andere activiteitenbegeleider aangeeft dat het toch
vooral een dagvulling is; dit kan te maken hebben met individuele verschillen tussen
cliënten, of, weer, met een verschil in afgrenzing tussen activiteitenbegeleiding en
creatieve therapie in de ziekenhuizen. Overigens moet volgens het Ministerie van VWS
(Volksgezondheid, Welzijn en Sport) de dagbesteding die via een indicatie van het
Regionaal Indicatie Orgaan (RIO) wordt aangeboden, gericht zijn op het bevorderen van de
sociale participatie en het uitbreiden van persoonlijke vaardigheden.
Niet alleen cliënten klagen over het activiteitenaanbod, ook activiteitenbegeleiders
zijn niet altijd tevreden. Maar liefst de helft van de activiteitenbegeleiders geeft aan
dat ze niet altijd voldoende ruimte hebben om in te spelen op de vraag van cliënten. Een
belangrijke oorzaak hiervan is dat activiteitenbegeleiders beperkt zijn in tijd, ruimte,
personeel en financiën. Het aanbieden van groepsactiviteiten is altijd wel mogelijk. Maar
er is vaak te weinig personeel om individuele activiteiten te begeleiden. Een
activiteitenbegeleider meldt: Het aanbod is toegenomen, mede door een enquête onder
cliënten. We hebben nu vier in plaats van twee activiteitenbegeleiders waardoor we ook
wat avonden en weekenden per week kunnen werken.
Een keten van lege zondagen
Activiteitenbegeleiders zijn mede afhankelijk van het budget dat het ziekenhuis ter
beschikking heeft. Al in 1997 trok de toenmalige H.C. Rümkegroep (nu opgegaan in
Altrecht) bij het Ministerie van VWS aan de bel over tekorten in de zorg. VWS en GGZ
Nederland lieten het Trimbos-instituut de kwaliteit van de zorg voor langdurig
zorgafhankelijken in kaart brengen. De bevindingen van dit onderzoek werden in 2001
beschreven in het rapport Een keten van lege zondagen. In dit
Trimbos-onderzoek, onder chronische cliënten in algemeen psychiatrische ziekenhuizen, is
het feitelijk zorggebruik en het feitelijke zorgaanbod vergeleken met een 'algemeen
aanvaardbare standaard voor passende zorg'. Deze standaard was speciaal ten behoeve van
dit onderzoek door een breed samengesteld panel van hulpverleners opgesteld. Voor
dagactiviteiten was deze standaard bijvoorbeeld vijf tot tien uur per week. (In dit
onderzoek werden dagactiviteiten duidelijk onderscheiden van het volgen van therapie: voor
dit laatste werd de standaard op tachtig minuten gesteld.) Uit het Trimbos-onderzoek kwam
onder meer naar voren dat in werkelijkheid slechts gemiddeld vijftig minuten per week aan
dagactiviteiten werden aangeboden aan chronische cliënten. De zorg schoot op veel punten
tekort, waaronder in de recreatiemogelijkheden. Veel mensen reageerden geschokt op de
bevinding dat veel ziekenhuizen niet voldeden aan een algemeen aanvaarde standaard voor
zorg. Verveling is in de psychiatrie geen onbekend verschijnsel: de 'keten van lege
zondagen' staat voor het beeld van de patiënt voor wie elke dag vergelijkbaar is met
zondag, waarop hij tot niet veel meer komt dan op bed liggen, eten, koffie drinken, roken
en misschien een korte wandeling of het kijken naar tv. Diverse partijen, waaronder de
toenmalige minister van VWS, mevrouw Borst, riepen de ziekenhuizen op om de situatie te
verbeteren. De cliënten op opnameafdelingen die door de Stichting PVP gevraagd zijn naar
hun ervaringen met het activiteitenprogramma, bevestigen de bevindingen in het rapport van
het Trimbos-instituut deels: ook cliënten op deze afdelingen klagen over de lege
dagen, het gebrek aan daginvulling en de uitwerking die dit op hen heeft.
Rommelmarkt
Na het verschijnen van Een keten van lege zondagen kwam het aanbod van
activiteiten weer op de agenda van de beleidsmakers in de ziekenhuizen en heeft het
rapport veel aandacht in de media gehad. Samen met de oproep van de minister hebben deze
feiten ertoe geleid dat nu vijftien van de ondervraagde activiteitenbegeleiders kunnen
aangeven dat bij hen in de afgelopen jaren het aanbod van activiteiten is toegenomen. Zij
krijgen hierdoor ook meer gelegenheid het aanbod af te stemmen op de individuele cliënt.
Altrecht is een van de ziekenhuizen die naar aanleiding van het Trimbos-rapport het
beleid aanpasten. Het stelde in 2003 budget beschikbaar om de knelpunten die het rapport
noemt, aan te pakken. Het activiteitenaanbod is, onder meer met de hulp van vrijwilligers,
vergroot met uitstapjes, bioscoopbezoek, etentjes en het organiseren van een rommelmarkt.
Toch zijn er tien activiteitenbegeleiders die melden dat er bij hen in het ziekenhuis
juist op het activiteitenaanbod en het aantal uren begeleiding is bezuinigd. In één
ziekenhuis zijn, mede na een signaal van de pvp, de bezuinigingen op het
activiteitenaanbod teruggedraaid.
Opnameafdelingen
De door de Stichting PVP bevraagde cliënten op opnameafdelingen nemen gemiddeld acht
uur per week deel aan een activiteitenprogramma. Dit lijkt veel in vergelijking met de
gemiddelde vijftig minuten van de chronische patiënten, die in het rapport van het
Trimbos-instituut worden genoemd. Het is echter de vraag of de standaard voor
passende zorg voor dagactiviteiten die voor chronische patiënten op vijf tot tien
uur per week werd vastgesteld, vergelijkbaar is met wat cliënten van een opnameafdeling
nodig hebben aan activiteiten. Deelname aan het activiteitenprogramma is hier ook vaker
onderdeel van de behandeling, met als doel onder meer observatie, ontspanning en het
beogen van een bepaald therapeutisch effect. Een standaard voor passende zorg is tot nu
toe voor cliënten op opnameafdelingen niet net zo geformuleerd als voor chronische
patiënten.
Een ander aandachtspunt is dat door de vermaatschappelijking van zorg er steeds minder
mensen wonen op de instellingsterreinen. Dit heeft tot gevolg dat ook allerhande
activiteitenaanbod gedecentraliseerd wordt en er dus minder aanbod op het terrein is. Dit
is niet in het voordeel van de patiënten op opnameafdelingen; deze mogen immers niet
altijd het ziekenhuisterrein verlaten en kunnen alleen daarom al niet aan bepaalde
activiteiten deelnemen.
Individuele benadering
Minister Hoogervorst wil ruim baan voor nieuwe aanbieders van, onder andere,
dagactiviteiten (ZorgVisie, december 2003). Volgens de minister sluit de huidige
organisatie van de Geestelijke Gezondheidszorg onvoldoende aan op de hulpvraag van de
cliënt. Een voorbeeld van hoe hierin verandering gebracht kan worden, is de samenwerking
tussen GGNet en Stichting Radar. Radar streeft er naar om cliënten dagbesteding op maat
aan te bieden. Ze wil af van handenarbeid die in instellingsverband gegeven wordt en
streeft naar een zinvolle, op maat gesneden, dagbesteding. Naast de dagactiviteitencentra
met een sociale en recreatieve functie, beheert Stichting Radar ook een divers aantal
kleinschalige bedrijfjes en projecten zoals een fietsenmakerij en een muziekband. De
omschakeling van een aanbodgerichte naar een individuele benadering in het begin onwennig
voor de activiteitenbegeleiders, maar cliënten blijken nu tevredener.
Keten van lege vakantiedagen
Tijdens de vakantieperiodes vallen activiteiten vaak uit. Slechts zestien procent van
de activiteitenbegeleiders geeft aan dat er tijdens de vakantieperiode een volledige
vervanging is. In de meeste instellingen is in de vakantieperiode een beperkt
activiteitenprogramma. Activiteiten worden overgenomen door de verpleging of alleen de
groepstherapieën gaan door, terwijl de individuele begeleiding vervalt. In sommige
instellingen vervalt het gehele activiteitenaanbod. In de vakantieperiode lijkt in veel
instellingen dan ook sprake te zijn van 'een keten van lege vakantiedagen', soms
afgewisseld met een enkele activiteit die wel doorgaat. Een cliënt over de
vakantieperiode: Ik heb recht op behandeling en dat is naast pillen ook
activiteiten. De therapeuten hebben nu vakanties en dan vervallen vrijwel al mijn
activiteiten. Ze kunnen me net zo goed naar huis sturen, daar kan ik ook tellen hoeveel
autos er in een uur voorbij komen.
Een keten van lege zondagen, een onderzoek naar zorgverschraling,
uitgevoerd in 2001. Aanvragen: GGZ Nederland, Postbus 8400, 3503 RK Utrecht. T 030 2873333
info@ggznederland.nl, o.v.v.
publicatienummer 2001-162 ( 9,)
AvD/CvdB
Kabinetsstandpunt tweede evaluatie Wet Bopz bekend
De Wet Bopz onder de loep
Deze zomer werd het langverwachte Kabinetsstandpunt over de tweede evaluatie van de Wet
Bopz naar buiten gebracht. Al in maart 2002 werd het evaluatierapport gepubliceerd; dit
rapport hebben wij toen uitgebreid besproken in de PVP-krant van zomer 2002. De
vijfendertig aanbevelingen die de begeleidingscommissie in dit rapport had gegeven, hadden
wij daarin voor u samengevat. Bij het bepalen van het Kabinetsstandpunt is niet alleen het
evaluatierapport meegenomen, maar ook het rapport Dementerenden en de Wet Bopz van de
Algemene Rekenkamer van juni 2003, en het rapport Noodgedwongen, Zorg voor niet-opgenomen
acute psychiatrische patiënten van de Gezondheidsraad, dat in mei 2004 werd uitgebracht.
Aan het laatste rapport besteedden wij aandacht in de PVP-jaarkrant van 2004. Hieronder
geven wij de hoofdconclusies van het Kabinet weer. De volledige tekst van het
Kabinetsstandpunt is te downloaden van de website van het Ministerie van VWS: www.minvws.nl.
Verheldering van begrippen
Het Kabinet neemt de meeste aanbevelingen van de begeleidingscommissie over. Zo zullen
de centrale begrippen van de Wet Bopz, waarover ook bij de tweede evaluatie weer veel
verwarring bleek te bestaan, met behulp van richtlijnen worden uitgelegd en zal de
voorlichting hierover worden geïntensiveerd. Het gaat daarbij met name over het
gevaarscriterium en de begrippen "verzet" en "wilsonbekwaamheid",
waarmee de praktijk moeilijk uit de voeten kan. Het Kabinet spreekt de hoop uit dat het
uitbrengen van richtlijnen en meer voorlichting ertoe zullen leiden dat de wet in de
praktijk beter wordt nageleefd en dat er beter gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden
die de wet nu al biedt.
Mogelijkheden tot dwangbehandeling
Het Kabinet is, meer naar aanleiding van het rapport van de Gezondheidsraad dan op
basis van het evaluatierapport, van mening dat er reden is de mogelijkheden tot het
toepassen van dwangbehandeling binnen de instelling uit te breiden. Daarbij wordt evenwel
gesignaleerd dat dit fundamentele vragen met betrekking tot het recht op zelfbeschikking
raakt. Daarom zal hierover eerst advies aan deskundigen worden gevraagd. Dit advies zal
zich in eerste instantie richten op de vraag hoe en onder welke voorwaarden binnen de
huidige wettelijke regeling een ruimer gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheden tot
het toepassen van dwangbehandeling. Daarbij zal gekeken worden naar het effect van recente
ontwikkelingen, zoals het invoeren van de voorwaardelijke machtiging en het schrappen van
het woord "ernstig" uit artikel 38 lid 5 per 1 januari 2004. Vervolgens zal
worden bezien of het nog nodig is om de Wet Bopz verder aan te passen of om een specifiek
op behandeling gerichte wettelijke regeling in het leven te roepen. Het Kabinet wijst er
overigens nog op dat dwangbehandeling niet in alle situaties een oplossing kan brengen.
Niet alle stoornissen zijn immers behandelbaar, dwang kan ook een averechts effect hebben
en het werkt slechts tijdelijk. Met betrekking tot dwangbehandeling buiten de instelling
concludeert het Kabinet dat eerst het effect van de inwerkingtreding van de
voorwaardelijke machtiging moet worden afgewacht.
Verloedering en overlast
Het Kabinet kondigt aan dat in het najaar van 2004 een plan van aanpak
"verloedering en overlast" naar de Kamer zal worden gestuurd waarin, naast de
voorgestelde aanpassingen van de Wet Bopz, concrete maatregelen zullen worden voorgesteld
om gerichte zorg te verlenen aan een specifieke groep cliënten voor wie zichtbaar
maatschappelijke teloorgang dreigt.
Geen bereidheid, geen bezwaar-groep
De begeleidingscommissie heeft in het evaluatierapport voorgesteld om de gehele groep
cliënten die bereidheid noch bezwaar tonen ten aanzien van hun opneming uit de Wet Bopz
te lichten en daarvoor een andere wettelijke regeling met afdoende rechtswaarborgen te
ontwerpen. De begeleidingscommissie heeft als reden daarvoor aangevoerd dat de
rechtsbescherming voor deze groep in de praktijk maar in zeer beperkte mate wordt
gerealiseerd. In de huidige systematiek van de Wet Bopz kan vrijwillige opneming slechts
plaatsvinden indien de patiënt daarvoor een 'informed consent' verleent. Het
Kabinet neemt de aanbeveling van de begeleidingscommissie over voor wat betreft de
sectoren psychogeriatrie en verstandelijk gehandicaptenzorg. Hiervoor zal een andere
regeling worden ontworpen, waarbij vooralsnog in het midden wordt gelaten of deze al dan
niet in de Wet Bopz zal worden ingepast. Het Kabinet is echter van mening dat voor de
psychiatrie het bereidheidscriterium gehandhaafd moet blijven en dat er voor deze sector
geen andere regeling in of in plaats van de Wet Bopz moet komen.
AB
Verhaal PVP
Dossierperikelen op de Helpdesk PVP
Veel vragen die wij op de Helpdesk PVP krijgen gaan over het dossier. Naast vragen over
de inhoud (wat moet in een dossier staan?) gaat een groot aantal vragen over inzage,
aanvulling, correctie en vernietiging. Cliënten lijken niet of onvoldoende op de hoogte
van één van de meest absolute rechten die je als cliënt in de geestelijke
gezondheidszorg hebt. Zo werd het Hans bijzonder moeilijk gemaakt om zijn dossier in te
zien. Eerst moest hij wachten tot zijn behandelaar terug kwam van vakantie omdat inzage
alleen in het bijzijn van de arts toegestaan was. Terug van vakantie gaf de behandelaar
aan dat veel van wat in het dossier staat persoonlijke werkaantekeningen zijn die niet ter
inzage zouden zijn. Hans vond de gang van zaken vreemd en belde de helpdesk voor advies en
informatie. Ik heb na overleg met Hans telefonisch contact opgenomen met de behandelaar.
Deze bleek in de stellige overtuiging dat de met de hand geschreven stukken in het dossier
persoonlijke werkaantekeningen zijn. Echter, persoonlijke werkaantekeningen
horen niet in een dossier thuis. Alles wat (handgeschreven of getypt) in het dossier zit,
komt voor inzage in aanmerking. De plicht dat inzage in aanwezigheid van de behandelaar
moet gebeuren vond de behandelaar een teken van zorgvuldige hulpverlening. Immers, de
inhoud van het dossier zou bij cliënt vragen kunnen oproepen of zelfs emotioneel
belastend kunnen zijn. Uiteraard mag de aanwezigheid van een arts om uitleg te kunnen
geven aangeboden worden maar een cliënt ertoe verplichten is volgens de regels niet
toegestaan. Na dit telefonische overleg met de behandelaar kreeg Hans uiteindelijk inzage
in het gehele dossier. Hans besloot zijn dossier alleen in te zien en kon zich in de
inhoud grotendeels vinden.
Voor Angela was dit anders. Zij werd op een vreemde manier geconfronteerd met
rapportage die over haar was geschreven. Angela ging verhuizen en moest op zoek naar een
nieuwe huisarts. Zij verzocht haar huisarts om een afschrift van haar dossier, zodat ze op
de hoogte was van de overdracht aan de nieuwe huisarts. Toen zij het afschrift kreeg werd
zij onaangenaam verrast door een zeer uitgebreide ontslagbrief die vier jaar geleden door
haar toenmalige Riagg-behandelaar aan de huisarts was gestuurd: een verslag van zeven
A4tjes met volgens Angela een zeer subjectief verhaal over haar levensloop en
psychische situatie. Ineens werd haar duidelijk waarom ze door de huisarts bijna altijd
naar huis gestuurd werd met de boodschap dat er niets aan de hand was. Lichamelijke
klachten werden geweten aan stress en met een tijdje rustig aandoen zou ze er wel weer
bovenop komen. Rugklachten kregen ook het etiket psychisch en zo kon het
gebeuren dat een hernia niet werd onderkend en Angela pas na maanden aandringen naar een
specialist werd doorverwezen.
Angela belde de helpdesk met vele vragen: was het normaal dat een zo uitgebreid verslag
zonder haar toestemming naar de huisarts werd gestuurd? Kon zij voorkomen dat haar nieuwe
huisarts deze informatie kreeg zodat ze eindelijk met een schone lei kon beginnen? Is het
misschien mogelijk om dit deel van haar dossier te laten vernietigen? Angela was blij met
mijn informatie dat zij naast inzage ook het recht heeft om haar versie van het verhaal in
het dossier te laten opnemen. Ook zou zij kunnen kiezen voor vernietiging van het dossier
als ze echt een nieuwe start wil maken. (Angela is nooit gedwongen opgenomen geweest, het
verzoek om vernietiging kan in dat geval pas 5 jaar na beëindiging van de gedwongen
opname worden gehonoreerd red.) Voor Angela was het voldoende te horen dat een
dergelijk uitgebreid verslag niet zonder haar toestemming naar de huisarts had mogen
worden verstuurd. Zij bleef wel nieuwsgierig naar de reden van de uitgebreide rapportage,
maar vooralsnog wil ze daar niks mee doen.
Voor Margreet heeft de over haar vastgelegde informatie weer andere gevolgen. Na een
langdurige opname in een instelling voor psychiatrie, gaat ze zelfstandig wonen.
Zelfstandig wonen impliceert eigen verantwoordelijkheid en daar wordt dan ook een groot
beroep op gedaan. Zo moet ze zelf haar financiën regelen, zelf het huishouden doen en is
ze zelf verantwoordelijk voor haar lichamelijk en psychisch welbevinden. Logischerwijs
ging ze ook zelf op zoek naar een huisarts in de buurt. Dit wordt haar echter onmogelijk
gemaakt. Wanneer zij huisartsen in de omgeving belt, krijgt ze steevast na het noemen van
haar naam te horen dat er geen plaats is in de betreffende huisartspraktijk. Ze krijgt
argwaan en geeft een valse naam op. Ineens is in dezelfde praktijk wél ruimte. Margreet
heeft sterk het vermoeden dat haar naam circuleert met bijbehorende privacygevoelige
informatie over haar psychische toestand. Margreet vroeg mij wat ze met haar vermoeden kon
doen. Omdat de stap van een instelling naar zelfstandig wonen groot is, valt mijns inziens
ook het regelen van een eigen huisarts onder de nazorgverplichting van de instelling.
Zeker in de situatie van Margreet waar haar psychiatrische verleden problemen veroorzaakt
bij de weg naar zelfstandigheid. De informatie die over (ggz-)cliënten bij huisartsen
circuleert is sowieso een punt van zorg. Het zou goed zijn als de betreffende cliënt op
de hoogte gesteld wordt van deze informatie zodat bij specifieke afspraken de cliënt
bezwaar kan maken.
Tenslotte het verzoek van Peter om inzage in het dossier van zijn overleden moeder. De
geheimhoudingsplicht van de hulpverleners reikt tot over het graf. Peter is dus
afhankelijk van de inschatting van de hulpverlener van zijn moeder. Wanneer de
hulpverlener van mening is dat de moeder van Peter geen bezwaar zou hebben, dan kan
uitgegaan worden van zogenoemde veronderstelde toestemming. Zo niet dan is inzage voor
Peter heel moeilijk te bewerkstelligen. (De namen van de cliënten zijn om privacyredenen
gefingeerd.)
FSC
Leidt het geven van informatie tot tevredenheid met medicatie?
Content versus consent
De Wgbo (Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst) beoogt met het zogeheten informed
consent (letterlijk: geïnformeerde toestemming) dat een cliënt akkoord gaat met de
behandeling en de medicatie, pas nadat de behandelaar alle informatie heeft gegeven die
voor een goede afweging nodig is. In de vorige PVP-krant kon u een verslag lezen van wat
134 cliënten in de Geestelijke Gezondheidszorg vonden van de hoeveelheid informatie die
zij gekregen hadden over hun medicatie en de eventuele bijwerkingen ervan. De mate waarin
een cliënt instemt met de medicatie en er tevreden mee is, blijkt samen te hangen met hoe
hij is geïnformeerd en of hij last heeft van bijwerkingen. In dit artikel gaat Ad
Deenen-Meijer, onderzoeker bij de Stichting PVP, nader in op hoe instemming en
tevredenheid van cliënten met hun medicatie samenhangen met de manier waarop en de mate
waarin zij informatie hierover krijgen.
Beter informeren van cliënten
Artsen verschillen in hun visie op voorlichting en in de wijze waarop zij hun cliënten
voorlichten. Lange tijd is de paternalistische werkwijze - de dokter weet wat het beste is
- gemeengoed geweest. Deze aanpak moet langzamerhand plaatsmaken voor andere werkwijzen
waarbij voorlichting belangrijk is, bijvoorbeeld een werkwijze waarbij de arts de patiënt
helpt een keuze te maken die het best bij hem of haar past. Dr. C. van t Spijker
beveelt in een artikel in Medisch Contact, artsen aan om informatie over de behandeling
zowel mondeling als schriftelijk te verstrekken en om (later) na te gaan of de informatie
is overgekomen of moet worden herhaald dan wel aangevuld. Door een stijgende werkdruk en
onvoldoende communicatieve vaardigheden bij artsen neemt het aantal klachten over de
communicatie toe. Van t Spijker concludeert dat er artsen zijn die hun cliënten
(ongewild) aan hun lot overlaten. De arts zou de cliënt de volledige informatie moeten
geven die de patiënt een plaats kan geven. Dat vereist training in communicatieve
vaardigheden, zowel tijdens de opleiding als tijdens na- en bijscholing.
Ook in de psychiatrie wordt steeds meer verwacht dat cliënten goed worden
geïnformeerd over de behandeling. De wet verwacht dat de informatie op het niveau van de
cliënt wordt gegeven. Ook zou er op meerdere momenten moeten worden gecontroleerd of de
informatie goed is aangekomen. De wet schrijft echter niet voor wanneer dat het geval is.
In een advies aan het Ministerie van VWS stelt de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg
(RVZ) dat patiënten betere informatie moeten krijgen. Volgens de RVZ houden artsen nog te
weinig rekening met hun wensen en worden patiënten slecht geïnformeerd. Het Ministerie
deelt de bezorgdheid en de mening van de RVZ. Op 1 april 2004 stuurden de bewindslieden
van VWS hun uitvoerige standpunt op het RVZ-advies Van Patiënt tot Klant naar
de voorzitter van de Tweede Kamer. De centrale vraag was hoe zorgaanbieders aangezet
kunnen worden tot meer cliënt- en vraaggericht werken. Volgens Kahn (1997) is er in de
psychiatrie zelden een goede reden om iets voor de patiënt verborgen te houden. Zo zijn
patiënten met schizofrenie bijvoorbeeld gebaat bij duidelijkheid, helderheid en
eerlijkheid. Vaak zijn ze vanwege hun ziekte al achterdochtig. Dit wordt versterkt als de
patiënt het gevoel heeft dat men dingen achterhoudt of niet eerlijk is.
Kennis over medicatie
Over de werking, bijwerking en langetermijneffecten van antipsychotica en
antidepressiva is nog onvoldoende bekend. Verschillende medicijnen die bij psychiatrische
ziekten worden gebruikt zijn tientallen jaren geleden, veelal bij toeval, ontdekt. De
klassieke antipsychotica zijn goedkoop, maar hebben vaak ernstige bijwerkingen. Daarom
wordt nieuwe medicatie met minder bijwerkingen ontwikkeld. Bij een manisch-depressieve
stoornis worden reeds in toenemende mate medicijnen met minder bijwerkingen toegepast. Ook
voor schizofrenie wordt nieuwe medicatie ontwikkeld. Toch aarzelen cliënten om medicijnen
te gebruiken of te blijven gebruiken, ook als de behandeling van de stoornis daardoor
onvoldoende zou zijn. Dit komt onder andere door de bijwerkingen die vooral oude,
klassieke, antipsychotica opwekken. Nieuwe antipsychotica zijn soms nog niet als
depotpreparaten beschikbaar en daardoor alleen geschikt voor cliënten die hun medicijnen
niet vergeten in te nemen. Ook zijn bij een depot de bijwerkingen moeilijker te voorkomen
dan bij pillen. Heldere informatie over dergelijke, soms onduidelijke en verwarrende,
zaken maakt dat cliënten meer kennis krijgen over hun medicatie en betere afwegingen
kunnen maken.
Vragen en klachten
Cliënten leggen steeds meer vragen en klachten over medicatie en dwangmedicatie aan
hun patiëntenvertrouwenspersoon voor. In 2003 waren er 1.268 vragen en klachten over
medicatie waarvan 418 over dwangmedicatie. Bij 60% van de vragen en klachten over
medicatie en 75% van die over dwangmedicatie willen de cliënten aanpassing van de
omstandigheden. Als cliënten met behulp van de pvp vragen om aanpassing van de medicatie,
voldoet de ziekenhuismedewerker in veel gevallen geheel of deels aan de wensen van de
cliënt, of komt de cliënt op een andere manier tegemoet. (Zie onderstaand overzicht uit
de registratiegegevens van 2004, die hetzelfde beeld laten zien als het jaar daarvoor.)
Veel cliënten slikken klakkeloos wat ze krijgen voorgeschreven. Vaak beseffen
cliënten pas later dat ze niet alles hebben gevraagd. Psychiaters hebben ook weinig tijd
om overal uitgebreid op in te gaan (Schoemaker & Dam in Psy, 2004). Sommige
ziekenhuizen stimuleren juist de interesse van cliënten voor de medicatie die ze
gebruiken. Zo maakt Meerkanten (Ermelo) onder het motto Weet wat u slikt
cliënten ervan bewust dat ze niet allerlei pillen moeten slikken. Meerkanten is één van
de eerste ggz-instellingen die, met het project Doorbraak, beoogt de kwaliteit van de
voorlichting over medicatie te verbeteren. Ook voor behandelaars moet het stellen en
beantwoorden van vragen over medicatie gewoon worden. Het nut van dit kwaliteitsproject is
daar aangetoond; op de afdelingen schoot de waardering voor de voorlichting omhoog.
Instemming en tevredenheid
De wet beoogt met het informed consent-principe zoveel mogelijk instemming van de
cliënt. In het begin van 2004 vroeg de Stichting PVP in een kleinschalig onderzoek in
hoeverre cliënten ook daadwerkelijk met de medicatie instemmen; 134 cliënten gaven hun
mening over de medicatie en de voorlichting over de medicatie. Het blijkt dat veel
cliënten niet instemmen met de medicatie, er ontevreden mee zijn, en dat veel cliënten
menen onvoldoende te zijn voorgelicht. (Zie voor een uitgebreide bespreking van de mening
van deze cliënten de vorige PVP-krant, zomernummer 2004; hieronder volgen alleen de
belangrijkste conclusies.) Veel cliënten die hebben meegedaan gebruiken al heel lang
medicatie. De helft van de cliënten doet dat zelfs meer dan vijf jaar. Minder dan de
helft van de cliënten meent voldoende informatie te hebben over de werking en de
bijwerking van de medicatie. Opmerkelijk is dat een op de tien cliënten niet weet wat
voor medicatie hij gebruikt. Er was maar één cliënt die aangaf niets te willen weten
over zijn medicijnen. Opvallend is dat een groot deel van de cliënten aangeeft niet
schriftelijk te zijn geïnformeerd. Enkele cliënten geven aan dat zij zelf om de
bijsluiter hebben moeten vragen. Maar 15% van de cliënten zegt zowel mondeling als
schriftelijk te zijn voorgelicht. In het oog springt dat de cliënten die aangeven (alleen
of ook) schriftelijk te zijn voorgelicht veel minder bijwerkingen melden dan cliënten die
aangeven niet of alleen mondeling te zijn voorgelicht. De cliënten die zowel mondeling
als schriftelijk zijn voorgelicht, geven vrijwel allemaal aan dat dit voldoende was.
De instemming met de medicatie is het grootst onder cliënten die geen vervelende
bijwerkingen hebben en die voldoende informatie over de werking en bijwerking hebben
gehad; cliënten die antidepressiva voorgeschreven krijgen zijn meer tevreden met hun
medicatie dan cliënten met antipsychotica. De meerderheid van de cliënten stemt met de
medicatie in, maar nog niet de helft is er daadwerkelijk tevreden mee. Cliënten die
aangeven dat hen de werking en bijwerking van de medicatie is uitgelegd, stemmen vaker in
met de medicatie. Toch vindt een belangrijk deel van de cliënten waaraan de werking is
uitgelegd, de gegeven informatie onvoldoende.
Meer onderzoek
In de praktijk loopt het proces van informatieoverdracht over en instemming met
behandeling op verschillende plaatsen stroef. Daarbij is gebleken dat instemming met
voorgestelde medicatie nog niet betekent dat cliënten tevreden met die medicatie zijn.
Onderzoek zou die aspecten aan het licht moeten brengen die de kwaliteit van leven van
cliënten vergroot. Hiervoor is het nodig dat niet alleen de werking van medicatie in een
proefgroep wordt onderzocht, maar dat het hele proces van informatieoverdracht,
medicatietoediening, bijwerkingen en beleving van cliënt beter in beeld worden gebracht.
Onderzoek zou een antwoord moeten vinden op de volgende vragen: waarom vinden zoveel
cliënten dat ze niet of onvolledig zijn voorgelicht, welke omstandigheden bepalen het
aantal vervelende bijwerkingen, wat is het verschil tussen oraal, depot of een combinatie
daarvan, wat maakt dat een bijwerking de kwaliteit van leven beperkt.
Geestkracht
Vanaf 2001 is 24 miljoen euro beschikbaar gekomen voor omvangrijk wetenschappelijk
onderzoek op diverse terreinen in de geestelijke gezondheidszorg: ZonMw heeft in 2001 in
opdracht van VWS en de NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) een
ambitieus onderzoeksprogramma onder de naam Geestkracht van start laten gaan. In dit
onderzoekprogramma worden in de loop van tien jaren duizenden cliënten in de geestelijke
gezondheidszorg gevolgd waarbij ook allerlei aspecten van de behandeling van hun
ziektebeeld aan de orde zullen komen, met als doel betere behandeling en preventie van
psychische ziekten. In hoeverre de beleving, de instemming en de tevredenheid van
cliënten hierin meegenomen worden, is echter niet in de beschrijving van het programma
terug te vinden.
In het Maandblad voor Geestelijke Volksgezondheid (maart 2004) verbazen Stolker e.a.
zich erover dat bij de studies naar interventies, zoals het verstrekken en toedienen van
medicatie, nog veel te weinig naar de beleving van de cliënt wordt gevraagd. Zij vinden
dat niet alleen de interventies zelf maar ook de wijze waarop cliënten deze ervaren,
wetenschappelijk moeten worden onderzocht. Dergelijk onderzoek levert nieuwe informatie
op, waarmee de arts en de patiënt betere keuzes kunnen maken. De bewuste instemming van
de cliënt met de behandeling, het informed consent, is een belangrijk recht in de
(geestelijke) gezondheidszorg, dat klakkeloos slikken van medicijnen tegengaat, en
meewerkt aan grotere tevredenheid en waardering van cliënten. Dit gegeven rechtvaardigt
de roep om meer onderzoek. En om navolging van initiatieven zoals in psychiatrisch
ziekenhuis Meerkanten.
AD-M
Literatuur:
- Kahn, R.S. (1997). Gids pillen en psychiatrie. Balans.
- Van t Spijker, C. (2003). Ingenieur of priester. Medisch Contact, 58, 1, pp.
24-27.
- Schoemaker, B., & C. Dam (2004). Voorkom klakkeloos slikken. Psy, 8, 4, pp.14-15.
- Stolker, J.J., H. Nijman, P.H. Zwanikken (2004). Separatie: een noodzakelijk kwaad?
Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 59, 3, pp.193-204.
Meer informatie over het onderzoeksprogramma Geestkracht is te vinden op de website van
ZonMw: www.zonmw.nl, onder
programmas.
Ik hoorde het kraken in mijn pols
Artikel over fysieke inperking krijgt reacties
In het voorjaarsnummer van de PVP-krant (nr.1, 2004) schreven wij over Controle en
Fysieke Beheersing (CFB) bij kinderen en de klachten over het ervaren van pijn en
vernedering waarmee kinderen in 2003 naar de pvp zijn gestapt. Dit artikel heeft veel
reacties losgemaakt. Verschillende kinderpvpen konden vaststellen, dat de PVP-krant
ook door de kinderen gelezen wordt. Een pvp schrijft: Terwijl ik kom aanlopen, hoor
ik op 100 meter afstand al het bekende: ´Hé, pvp!´, en daar staan ze voor me,
drie kinderen van ongeveer 7 jaar oud, zichtbaar opgewonden. Ze praten door elkaar, en uit
hun woordenstroom filter ik CFB, ontslag en verboden.
Het wordt duidelijk, dat de kinderen het artikel over CFB-technieken in de laatste
PVP-krant gelezen hebben. Ze praten over de foto, waarin een kind in een zogenaamd
bokkenpootje wordt gehouden. Ze hebben zelf ook ervaring met deze pijnlijke
polsgreep en zijn ontzettend blij, dat dit niet meer mag. Een andere pvp meldt, dat
uit de reacties van kinderen blijkt, dat de groepsleiding zelf de kinderen de krant heeft
laten lezen, en ook stukken van het artikel aan de jongere kinderen heeft voorgelezen. In
een radioprogramma zei Andrée van Es, voorzitter van GGZ Nederland, dat het bokkenpootje
een vorm van kindermishandeling is, die gewoon niet kan. Zij dringt bij de
leden van GGZ Nederland erop aan, dat de richtlijn Fysieke Inperking uit 2002
wordt nageleefd. (Bron: ZorgVisie, 9 april 2004)
CA
SIGNALEN
Soms komt een patiëntenvertrouwenspersoon tekortkomingen tegen in een ziekenhuis. Als
deze tekortkomingen afbreuk doen aan de rechten van cliënten, vraagt de pvp mondeling of
schriftelijk bij de desbetreffende afdeling en/of leidinggevende hier aandacht voor, in
een zogenaamd signaal. De pvp vraagt daarin aan de instelling de situatie te
verbeteren. Over een signaal heeft de pvp in het algemeen contact met de cliëntenraad.
Kamertijden voor kinderen In een instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie klagen
kinderen van alle afdelingen over het feit dat zij verplicht zijn om op bepaalde tijden op
hun kamer te verblijven. Deze kamertijden vallen vaak samen met de
verpleegkundige overdracht maar kinderen moeten soms ook op andere tijden naar hun kamer.
De pvp schrijft aan de eerste geneeskundige dat het hier om een vrijheidsbeperkende
maatregel gaat die overeenkomt met afzondering. Volgens de pvp kunnen kinderen, of ze nu
vrijwillig of onvrijwillig zijn opgenomen, niet tegen hun wil naar hun kamer gestuurd
worden. Dat kan slechts als dit in het kader van hun behandeling nodig is én als daarover
in het individuele behandelingsplan afspraken zijn gemaakt. Daarnaast beschrijft de Wet
Bopz, aldus de pvp, een aantal situaties waarin kinderen die gedwongen zijn opgenomen in
hun vrijheden beperkt kunnen worden. Het kan dan gaan om het beperken van de
bewegingsvrijheid in en rond de instelling (artikel 40, lid 3), de toepassing van middelen
of maatregelen (artikel 39) en dwangbehandeling (artikel 38, lid 5). Pas als gedwongen
opgenomen kinderen voldoen aan de voorwaarden voor het toepassen van deze artikelen zou de
instelling over mogen gaan tot afzondering in hun kamer. Verder is de pvp van mening dat
het niet zo behoort te zijn dat kinderen op hun kamer moeten verblijven vanwege het feit
dat er op dat moment geen personeel op de afdeling aanwezig is: Voor het inperken
van vrijheden vanwege een dergelijke reden ontbreekt een juridische grond. Tot slot
stelt de pvp dat ook afdelingsregels, geschreven of ongeschreven, niet gebruikt kunnen
worden om kinderen op vaste tijden op hun kamer te laten verblijven. Afdelingsregels
dienen immers slechts voor het regelen van een ordelijke gang van zaken op de afdeling en
zaken die een behandeldoel dienen horen daarin niet thuis. Het signaal van de pvp heeft
effect. In een reactie laat de eerste geneeskundige weten dat kinderen voortaan
alleen op individuele basis, indien geïndiceerd en vastgelegd in een
behandelplan, op maat gesneden rusttijden (krijgen) toebedeeld.
Drang en dwang bij medicatie
Verpleegkundigen gaan soms ver bij het overreden van cliënten om hun medicatie in te
nemen. Zo krijgen cliënten op een gesloten afdeling te horen dat zij niet naar buiten
kunnen als zij hun medicatie niet innemen, dat ze bij weigering veel langer moeten blijven
of simpelweg dat ze hun medicatie móeten innemen. Verschillende cliënten klagen hierover
bij de pvp want zij voelen zich geïntimideerd en ervaren het innemen van medicatie als
dwang. De pvp is van mening dat de handelswijze van het personeel niet correct is, omdat
bij geen van deze cliënten sprake is van formele dwangbehandeling. In zijn signaal wijst
de pvp het unithoofd erop dat volgens de Wgbo en de Wet Bopz het behandelingsplan altijd
het uitgangspunt is van de behandeling, zowel bij gedwongen als bij vrijwillig opgenomen
cliënten. Onderhandeling over het behandelingsplan is een zaak van cliënt en behandelaar
en als de cliënt niet instemt met het behandelingsplan, bijvoorbeeld als het gaat om
medicatie, dan dient de verpleging te verwijzen naar de behandelaar. Het unithoofd beaamt
dat de bestaande wetgeving altijd het uitgangspunt dient te zijn van de benadering van
cliënten. Daarnaast denkt hij dat de toon waarop verpleegkundigen cliënten proberen te
bewegen hun medicatie in te nemen een rol speelt. Hij zegt dan ook toe dit te bespreken in
het team.
Geen vrijheden tijdens therapie
In de huisregels van een afdeling staat vermeld dat cliënten tijdens therapietijden
geen gebruik kunnen maken van hun vrijheden: zij mogen niet van de afdeling af, niet naar
buiten, ze mogen niet telefoneren, ze mogen maar een ding: naar therapie. Cliënten klagen
hierover en de pvp stuurt de directie een signaal waarin hij betoogt dat er geen
juridische grond is om deze regel toe te passen. Zowel vrijwillig als onvrijwillig
opgenomen cliënten mogen niet middels huisregels beperkt worden in hun rechten, daar zijn
huisregels immers niet voor. Van cliënten mag slechts verwacht worden dat zij aanwezig
zijn bij die therapieonderdelen waarover met hen is afgesproken dat zij die in het kader
van hun behandeling volgen. Dit dient vastgelegd te worden in het individuele
behandelingsplan en de pvp wijst erop dat cliënten eenmaal gegeven toestemming voor
uitvoering van dit behandelingsplan altijd in kunnen trekken. Gedwongen opgenomen
cliënten kunnen in bepaalde gevallen beperkt worden in hun vrijheden maar dan moeten zij
voldoen aan de criteria die de Wet Bopz hieraan stelt. Zowel de directie als de Raad van
Bestuur van de instelling zijn het niet eens met de pvp. Kort gezegd is men van mening dat
cliënten buiten de therapietijden voldoende gelegenheid hebben om de afdeling te
verlaten. Ook vindt men dat als een vrijwillig opgenomen cliënt niet mee wil werken aan
de behandeling maar tijdens therapietijden liever gaat wandelen, de uiterste consequentie
zou kunnen zijn dat de behandeling gestaakt wordt en de cliënt met ontslag gaat.
Wat de pvp betreft gaat het hier om een principiële kwestie en hij legt het signaal
voor aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg. De Inspecteur is het na rijp beraad eens
met de pvp dat sancties (in dit geval het niet verlenen van vrijheden tijdens
therapietijden) niet in huisregels thuishoren en adviseert de instelling de huisregels aan
te passen aan het modelreglement huisregels van GGZ Nederland.
RH
(ON)GEGROND
(On)gegrond is een rubriek waarin u uitspraken van klachtencommissies van
ggz-instellingen kunt lezen. Deze keer gaan de zaken waarin een uitspraak werd gedaan over
het verlenen van goede zorg, over de wens van een cliënte haar dossier te laten
vernietigen terwijl zij nog onder behandeling is, en over een protest tegen
dwangbehandeling en separatie.
Een cliënte dient een klacht in
tegen het feit dat zij niet aan de creatieve therapie kan deelnemen die haar wel is
voorgeschreven; zij zit in een rolstoel, en de therapieruimte is kortgeleden verplaatst
naar de eerste verdieping, terwijl er geen lift in het gebouw aanwezig is. De instelling
voert als verweer aan dat om organisatorische redenen, in feite om betere zorg te kunnen
verlenen, de therapieruimte naar boven is verplaatst. Daarbij is de verplaatsing maar
tijdelijk: als de nieuwbouw is gerealiseerd bestaat het probleem niet meer. Er is aan de
klagende cliënt een individueel alternatief aangeboden, wat door de cliënt als
onvoldoende is ervaren.
De pvp voert onder andere aan dat meerdere cliënten door de verplaatsing creatieve
therapie moesten missen. Hij draagt ook de nodige alternatieve oplossingen aan. Verder
beroept de pvp zich op de verplichting verantwoorde zorg te leveren (Artikel 2 en 3 van de
Kwaliteitswet zorginstellingen) en de verplichting uit art 7:453 BW om de zorg van een
goed hulpverlener in acht te nemen. Daarnaast vestigt hij de aandacht op de huisregel,
waarin cliënten verplicht worden dat zij deelnemen aan alle therapieën. Een eventuele
uitzondering wordt vermeld in de behandelingsovereenkomst. In het geval van cliënt is dit
laatste niet gebeurd.
De commissie komt tot de conclusie dat de creatieve therapie voor de
cliënte onvoldoende beschikbaar is, er onvoldoende gehandeld is vanuit primair
cliëntenbelang en dat er voor genoemd probleem onvoldoende is gezocht naar een oplossing
van technische, ruimtelijke en organisatorische aard. De klacht wordt gegrond verklaard.
Belangrijk argument voor de commissie was het gegeven dat het groepskarakter van de
therapie niet door een individueel alternatief kon worden vervangen, en dit voor de
cliënt het meest leerzaam was. De commissie adviseert de Raad van Bestuur een
tussentijdse kwalitatieve oplossing te zoeken.
Een
cliënte dient een klacht in omdat haar behandelaar, ondanks haar nadrukkelijk verzoek,
haar dossier niet wil vernietigen. Opmerkelijk detail is, dat de cliënte haar dossier wil
vernietigen, voor zover dat betrekking heeft op een periode lopend tot de datum, waarop
het verzoek tot vernietiging is ingediend. Zij wil doorgaan met de ambulante
psychiatrische zorg die zij ontvangt. De cliënte beroept zich op Art. 7:455 BW, waarin
het recht op vernietiging van het dossier wordt geregeld. De pvp en cliënte voeren aan
dat er geen aanmerkelijk belang is voor een ander dan de cliënte. Daarbij is de cliënte
niet van zins een gerechtelijke procedure tegen de instelling te starten en is er geen
sprake van een erfelijke ziekte waarover de gegevens van belang zouden kunnen zijn voor
een nakomeling van cliënte. Als verweer voert de instelling een aantal argumenten aan.
Ten eerste is het dossier van belang voor diagnostiek. Het dossier is daarnaast van belang
voor de beoordeling bij de voortgang van de behandeling. Als derde en laatste kan het
dossier van belang zijn in geval van juridische kwesties, die zich zouden kunnen voordoen.
De instelling meldt verder dat er in literatuur over dossiervernietiging van uitgegaan
wordt dat de behandelingsovereenkomst beëindigd is of dat de behandeling beëindigd dient
te worden, als gevolg van het verzoek om vernietiging. De instelling zegt toe het dossier
direct te vernietigen, zodra de behandeling wordt gestopt.
De commissie oordeelt dat de
klacht gegrond is. Zij wijst op het gegeven dat er in deze casus op geen enkele manier
sprake is van de uitzonderingen, zoals in de wet genoemd, die vernietiging zouden
verhinderen. De door de instelling aangevoerde stelling, dat zolang de behandeling loopt,
er geen vernietiging plaats kan vinden van het dossier vindt volgens de commissie geen
steun in de wet. Ook de aan literatuur ontleende stelling dat vragen om vernietiging van
het dossier, een dringende reden kan zijn de behandelovereenkomst op te zeggen, laat
volgens de commissie het recht op vernietiging van het dossier onverlet.
Een cliënte verblijft op een opnameafdeling. Volgens het team is zij dreigend
aanwezig. Medecliënten en personeel mijden haar uit angst voor escalatie. Zij krijgt de
keuze om vrijwillig medicatie te nemen of gesepareerd te worden. Medicatie weigert zij,
waarop zij wordt overgeplaatst naar een gesloten afdeling; hier is de mogelijkheid om de
leefruimte zodanig in te perken dat een cliënt alleen de beschikking heeft over een
kleine huis- en slaapkamer. De cliënte vindt dat zij nu gesepareerd wordt. Na een
incident belandt de cliënte in de separeercel en wordt er onder dwang medicatie
toegediend. Dit wordt door de instelling als een noodmaatregel beschreven. Er wordt
vervolgens dwangbehandeling aangevraagd, aangezien de cliënte medicatie blijft weigeren.
De klacht bij de klachtencommissie gaat over de overplaatsing, de (vermeende) separatie na
overplaatsing, de plaatsing in de separeerruimte met gedwongen toediening van medicatie en
de voorgenomen dwangbehandeling.
Na het horen van beide partijen verklaart de
klachtencommissie alle klachten van de cliënte ongegrond. De commissie ondersteunt de
juistheid van de beslissing van de behandelaar om de cliënte over te plaatsen naar een
afdeling met separeermogelijkheid. Haar gedrag gaf hiertoe voldoende aanleiding. De
commissie is het eens met de behandelaar, dat er geen sprake is geweest van separatie,
maar van verblijf op een gesloten afdeling met beperkte vrijheden. De separatie die volgde
op het incident met een medecliënt wordt eveneens als een gerechtvaardigde ingreep
gezien, er is volgens de commissie voldaan aan de eisen der wet en het gevaar is voldoende
aangetoond. Een opmerkelijk detail in de mening van de commissie is het feit dat zij vindt
dat voldaan is aan de eis van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. De
beslissing te separeren met toediening van medicatie voldoet aan de eis van
subsidiariteit, omdat de cliënte op haar kamer vrijwillig medicatie had in kunnen nemen.
Er was dus volgens de commissie een redelijk alternatief. Aan het feit dat cliënte, zodra
dit mogelijk was, werd gemobiliseerd ziet de commissie een bewijs dat de maatregel voldoel
aan de eisen van proportionaliteit en doelmatigheid. Als laatste wijst de commissie de
klacht over dwangbehandeling af. Zij vindt dat voldaan is aan de gevaarscriteria en ziet
geen andere mogelijkheden dan het gebruik van medicatie om het gevaar op te heffen.
RdK
RECHTSPRAAK
Na een half jaar ervaring in de praktijk
Problemen met de voorwaardelijke machtiging
Zoals wij in de PVP-krant van winter 2003 (nr. 4, p. 11) al aankondigden, is de
voorwaardelijke machtiging met ingang van 1 januari jl. ingevoerd. Deze nieuwe
machtigingsvariant, die erop gericht is gedwongen opneming te voorkomen, heeft inmiddels
voor de nodige verwarring gezorgd en flink wat pennen in beweging gebracht. Alvorens
enkele gerechtelijke uitspraken te behandelen, volgt hieronder een beknopte toelichting op
de problemen waarvoor de voorwaardelijke machtiging de praktijk plaatst.
Ook voordat de voorwaardelijke machtiging werd ingevoerd, was het mogelijk om een
patiënt met een rechterlijke machtiging gewoon thuis te laten wonen. Dit gebeurde door de
patiënt voorwaardelijk ontslag te verlenen. Zolang de patiënt zich aan de voorwaarden
hield, veelal gebruik van medicatie en het onderhouden van contact met een ambulante
hulpverlener, kon hij buiten het ziekenhuis verblijven. De voorwaarden werden eenzijdig
door de geneesheer-directeur opgelegd aan de patiënt. In de praktijk is uit het
voorwaardelijk ontslag de zogenaamde paraplumachtiging ontstaan, die erop neer
kwam dat de patiënt van aanvang af met machtiging thuis verbleef. De machtiging fungeerde
als stok achter de deur: bij niet naleving van door het ziekenhuis aangegeven voorwaarden
kon opneming volgen. De constructie van het voorwaardelijk ontslag, die altijd al in de
Wet Bopz was vastgelegd, is ook na het invoeren van de voorwaardelijke machtiging gewoon
blijven bestaan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat het de bedoeling is dat de
paraplumachtiging wordt vervangen door de voorwaardelijke machtiging en niet meer behoort
te worden verleend. Voordeel van de voorwaardelijke machtiging is dat de rechter zich
expliciet over de voorwaarden buigt; bij de paraplumachtiging werden die door de
geneesheer-directeur bepaald.
Bereid tot naleving van de voorwaarden
Bij de voorwaardelijke machtiging is het de bedoeling om gedwongen opneming te
voorkomen door voorwaarden te stellen aan het gedrag van de patiënt. Anders dan tot 1
januari 2004 bij het voorwaardelijk ontslag het geval was, moet de patiënt zich expliciet
bereid verklaren tot naleving van de voorwaarden. Tegelijk met de invoering van de
voorwaardelijke machtiging, is echter ook de regeling van het voorwaardelijk ontslag in de
wet aangepast. Evenals bij de voorwaardelijke machtiging, moet de patiënt nu ook bij het
voorwaardelijk ontslag zich bereid verklaren om de voorwaarden na te leven. Spoedig na de
wetswijziging werd duidelijk dat een groep cliënten die onder de oude regeling gewoon
thuis kon verblijven, buiten de boot dreigt te vallen en weer gedwongen in het ziekenhuis
terecht dreigt te komen. Dit laatste omdat er geen voldoende bereidheid bij de patiënt
zou zijn met betrekking tot de te stellen voorwaarden. Een onbedoeld neveneffect van
nieuwe wetgeving, die juist een betere rechtsbescherming beoogde dan de paraplumachtiging
kon bieden
Kamervragen
Inmiddels zijn Kamervragen gesteld over het tussen de wal en het schip geraken van de
cliënten die voorheen met een paraplumachtiging buiten het ziekenhuis konden verblijven,
maar die in de huidige regeling niet voldoen aan de criteria voor een voorwaardelijke
machtiging of voorwaardelijk ontslag, omdat zij niet expliciet de bereidheid tot naleving
van de voorwaarden tonen. Uit de antwoorden van de Minister op de Kamervragen blijkt dat
de oplossing gezocht moet worden in een ruime interpretatie van de bereidheid bij de
patiënt tot het naleven van de voorwaarden. Voldoende is dat de rechter er vertrouwen in
heeft dat de patiënt zich aan de voorwaarden zal houden, zodat het gevaar wordt afgewend.
Daarvoor is niet vereist dat de patiënt instemt met het gehele behandelingsplan. Een
voorbeeld van die ruime interpretatie wordt hieronder besproken (Rb Amsterdam). Maar ook
zijn er uitspraken die minder toeschietelijk zijn (Rb Dordrecht), terwijl er ook nog
nieuwe varianten opdoemen (Rb s-Hertogenbosch). Het wordt er al met al niet
overzichtelijker op.
De Rechtbank Amsterdam krijgt te oordelen over een voorwaardelijke machtiging voor een
man, die tevoren het daarbij benodigde behandelingsplan voor akkoord heeft ondertekend.
Echter, bij de zitting lijkt hij er anders over te denken en zegt hij de medicatie niet
nodig te hebben. De advocaat van de man vindt dat het verzoek om die reden moet worden
afgewezen. De rechtbank verleent de voorwaardelijke machtiging toch, daarbij overwegende
dat het behandelingsplan wel met instemming van de patiënt is opgesteld en dat hij ook
ter zitting heeft aangegeven dat hij de medicatie zal gebruiken als hij een machtiging
krijgt. Op die gronden vertrouwt de rechtbank er desondanks op dat betrokkene de
voorwaarden wel zal naleven (Rb Amsterdam 23-2-2004, BJ 2004, 18, m.nt. W. Dijkers).
Voor een vrouw die met voorwaardelijk ontslag in een beschermde woonvorm verblijft,
wordt een machtiging tot voortgezet verblijf verzocht. De vrouw heeft geen ziektebesef en
vindt behandeling niet nodig, maar met de stok achter de deur van de
rechterlijke machtiging accepteerde zij toch de medicatie. Het ziekenhuis wil de bestaande
constructie voortzetten en vraagt met dat doel verlenging van de machtiging aan. De
rechtbank wijst het verlengingsverzoek af omdat paraplumachtigingen niet meer behoren te
worden verleend nu de voorwaardelijke machtiging is ingevoerd. Bovendien, zo stelt de
rechtbank, kan een gewone machtiging evenmin worden verleend omdat het daarbij
de bedoeling is om de patiënt op te nemen en er vooralsnog geen gevaar is dat opname
noodzakelijk maakt. In de zijlijn merkt de rechtbank nog op dat ook een voorwaardelijke
machtiging niet zou zijn verleend indien de officier van justitie daarom had verzocht,
omdat de vrouw had verklaard dat zij de in het behandelingsplan opgenomen medicatie niet
meer wilde slikken en bovendien de daarin aangewezen behandelaar afwees. De rechtbank
onderkent weliswaar dat de vrouw de stok achter de deur van een rechterlijke machtiging
nodig heeft en dat de constructie van het voorwaardelijk ontslag in haar geval goed bleek
te werken, maar constateert dat er geen wettelijke mogelijkheid (meer) is om deze te
verlenen (Rb Dordrecht 9-2-2004, BJ 2004, 10, m.nt. A. Blok).
In een vergelijkbaar geval
koos dezelfde rechtbank twee weken later voor een andere oplossing. Voor een patiënt die
met een paraplumachtiging thuis verblijft, wordt primair een voorwaardelijke machtiging
verzocht. Voor het geval de rechtbank deze niet verleent, wordt een machtiging tot
voortgezet verblijf verzocht. De rechtbank wijst de voorwaardelijke machtiging af, omdat
de patiënt weigert in te stemmen met het behandelingsplan. Ook heeft de patiënt
aangegeven direct met de medicatie te zullen stoppen indien geen machtiging wordt
verleend. De rechtbank overweegt vervolgens dat het niet mogelijk is om de
paraplumachtiging te verlengen, maar verleent niettemin de machtiging tot voortgezet
verblijf. De rechtbank geeft daarbij aan dat de patiënt dan wel opgenomen dient te
worden, maar dat aan hem opnieuw voorwaardelijk ontslag kan worden verleend. Ook hier
constateert de rechtbank dat de paraplumachtiging in dit geval een goede oplossing bood,
maar dat thans een wettelijke mogelijkheid voor de noodzakelijke behandeling onder
drang die een opname voorkomt ontbreekt (Rb Dordrecht 23-2-2004, BJ 2004, 21, m.nt.
W. Dijkers).
De Rechtbank s-Hertogenbosch introduceert een geheel eigen variant van de
voorwaardelijke machtiging. Voor een man wordt een voorwaardelijke machtiging verzocht,
die de rechtbank verleent onder de opschortende voorwaarde dat de patiënt gevaar
veroorzaakt dan wel dat hij zich niet houdt aan de in het behandel- en noodplan opgenomen
behandeling en voorwaarden. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat de man zich onder
behandeling dient te stellen van een psychiater (Rb s-Hertogenbosch 26-2-2004, BJ
2004, 22, m.nt. W. Dijkers). Vervolgens verleent dezelfde rechtbank voor een vrouw die met
voorwaardelijk ontslag buiten het ziekenhuis verblijft een machtiging tot voortgezet
verblijf onder de opschortende voorwaarden dat zij haar medicatie weigert, de afspraken
met de behandelaars of de afspraken die gelden in haar woongroep niet nakomt of suïcidale
uitspraken doet (Rechtbank s-Hertogenbosch 8-3-2004, BJ 2004, 23, m.nt. W. Dijkers).
Beide bovenstaande uitspraken van de Rechtbank s-Hertogenbosch zijn opmerkelijk.
Ten aanzien van de voorwaardelijke machtiging onder opschortende voorwaarde kan worden
opgemerkt dat deze variant niet strookt met de bedoelingen van de wetgever. De
voorwaardelijke machtiging is een feit vanaf het moment dat de rechtbank deze verleent:
vanaf dat moment moet de patiënt immers de voorwaarden naleven. De machtiging tot
voortgezet verblijf onder opschortende voorwaarden is in feite de niet ten uitvoer
te leggen machtiging uit de beschikking van de Hoge Raad d.d. 6-10-2000 (kBJ 2000,
56), waaraan wij destijds aandacht besteedden in de PVP-krant van winter 2000 (nr. 3, p.
14/15). Inmiddels heeft de wetsgeschiedenis geleerd dat de wetgever zich distantieert van
deze door de Hoge Raad geïntroduceerde variant en de voorwaardelijke machtiging daarvoor
in de plaats wilde stellen. De geïnteresseerde lezer verwijzen wij naar de annotaties van
Dijkers onder genoemde uitspraken in het tijdschrift Bopz Jurisprudentie (BJ).
Een man wordt met een inbewaringstelling opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.
Aansluitend wordt een voorlopige machtiging verleend. Ruim twee weken later wordt de man
uit het ziekenhuis ontslagen. Er worden hem geen voorwaarden meegedeeld. Op de dag van
zijn ontslag stuurt zijn advocaat een fax naar het ziekenhuis met de mededeling dat de
machtiging als opgeheven wordt beschouwd. Het ziekenhuis reageert niet op de fax. Drie
weken daarna ontvangt de man een geantedateerde brief van het ziekenhuis met voorwaarden
met betrekking tot zijn ontslag. Zon drie maanden later wordt de man weer gedwongen
opgenomen op grond van de (volgens hem en zijn advocaat niet meer bestaande) voorlopige
machtiging. Het ziekenhuis verzoekt vervolgens een machtiging tot voortgezet verblijf. De
man stelt bij de rechtbank dat dit niet kan, aangezien er helemaal geen voorlopige
machtiging meer bestaat. Door hem met ontslag te laten gaan is immers de voorlopige
machtiging opgeheven. Het ziekenhuis stelt dat destijds aan de man slechts voorwaardelijk
ontslag is verleend en dat de voorlopige machtiging dus nog wel degelijk bestaat. De
rechtbank overweegt dat de Wet Bopz een duidelijk onderscheid maakt tussen een ontslag met
voorwaarden en een ontslag zonder voorwaarden. Een onvoorwaardelijk ontslag betekent dat
er geen bemoeienis meer is met de patiënt; is bemoeienis nog wel nodig, dan dient het
ziekenhuis voorwaardelijk ontslag te verlenen. In dit geval rest geen andere conclusie dan
dat aan de man onvoorwaardelijk ontslag is verleend, aangezien vaststaat dat er bij zijn
ontslag geen voorwaarden zijn besproken, noch op andere wijze aan hem is duidelijk gemaakt
welk karakter aan het ontslag diende te worden toegekend. Bovendien is niet voldaan aan de
verplichtingen van de geneesheer-directeur, waaronder het verstrekken van een
schriftelijke verklaring dat (voorwaardelijk) ontslag is verleend. Het drie weken later
nasturen van een brief met voorwaarden heft deze gebreken niet op. De rechtszekerheid
verlangt dat personen waaraan ontslag wordt verleend niet in het ongewisse worden gelaten
over de Bopz-maatregel die voor hen van toepassing is, aldus de rechtbank. In dit geval is
dat wel gebeurd, hetgeen uitsluitend te wijten is aan de handelwijze van het ziekenhuis.
Omdat door het ontslag van de man uit het ziekenhuis de voorlopige machtiging opgeheven
is, kan er geen machtiging tot voortgezet verblijf verleend worden. Het verzoek wordt
afgewezen (Rb s-Gravenhage 23-2-2004, BJ 2004, 28).
Opmerking verdient dat de rechtbank met deze uitspraak in wezen ook vaststelt dat de
heropneming op basis van de immers opgeheven - voorlopige machtiging onrechtmatig
is geweest. Een forse schadevergoeding lijkt hiermee in het verschiet te liggen.
AB
VERHAAL CLIËNT
Naar het Tuchtcollege
De patiëntenvertrouwenspersoon ondersteunt niet alleen cliënten bij hun vragen en
klachten, maar kan ook de mentor van een cliënt bijstaan. Een mentor wordt door de
kantonrechter aangesteld op grond van de Wet mentorschap. Het is zijn taak om de belangen
van niet-vermogensrechtelijke aard waar te nemen. Hij doet dit als de betrokken cliënt
ten gevolge van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of blijvend niet in
staat is of bemoeilijkt wordt deze belangen zelf goed waar te nemen. Het kan dan ook gaan
om het nemen van beslissingen die de behandeling betreffen. Een man komt mijn kamer binnen
en stelt zich voor als Johan. Zijn vriend Jack is sinds enkele weken opgenomen. Johan
bezoekt zijn vriend dagelijks. Hij vraagt of ik Jack niet ken, maar ik heb hem nooit
gezien. Jack heeft veel problemen met zijn behandelaar, legt Johan uit. Ook hij zelf
ergert zich aan deze behandelaar. Jack kan zijn klachten niet zelf onder woorden brengen.
Johan vindt dat Jack er slecht aan toe is. Deze vindt dat zelf ook, zo heeft hij zijn
vriend duidelijk gemaakt. Met andere medicatie zou het een stuk beter gaan: Johan heeft
onderzoek gedaan naar de behandeling van mensen die dezelfde diagnose hebben als Jack. Hij
kwam erachter dat in een andere instelling heel andere medicatie wordt gegeven, met goede
resultaten. Johan had dit verteld aan de behandelaar, maar die wilde er, ondanks
aandringen van Johan, niet van weten. Dit frustreert Johan enorm. Een tweede klacht die
Johan en Jack hebben, gaat over de bejegening. De behandelaar gedraagt zich autoritair.
Hij had gezegd, dat de houding van Jack gevolgen kan hebben voor zijn
rechtspositie. Ook de houding van Johan kan nadelig zijn voor Jack, volgens de
behandelaar. Johan is erg boos hierover en laat het er niet bij zitten. Ten slotte wil
Jack een computer op zijn kamer, zodat hij kan mailen en chatten met familie en vrienden.
Ook dat wordt door de behandelaar geweigerd. Zij vragen zich af of een behandelaar dit mag
weigeren. Het is toch gewoon een moderne manier van communiceren, die je niet zomaar mag
tegenhouden? Als het ziekenhuis die computer nou zou moeten betalen, konden ze zich enige
bezwaren wel voorstellen, maar dat is ook niet het geval: Johan zou voor een computer
zorgen. Ik vertel dat het eventueel beperken van chatten niet in de wet is geregeld,
misschien zou een vergelijking met de regeling van het telefoonverkeer opgaan. Ik leg hem
uit wanneer dit beperkt mag worden, en dat dit ook nog alleen voor gedwongen opgenomen
cliënten geldt. Johan gaat het gesprek met de behandelaar van Jack hierover voeren. Hij
doet dit alleen.
Twee dagen na het gesprek komt Johan langs. Hij heeft Jack meegenomen voor een
wandeling en wil mij kennis met hem laten maken. Een vriendelijke man geeft mij een hand.
Tijdens het gesprek wordt mij duidelijk dat Jack zijn belangen niet zelf kan behartigen.
Johan legt uit dat het gesprek met de behandelaar van Jack niets heeft opgeleverd; over de
man pratend komt er bijna stoom uit zijn oren: Daar valt niet mee te overleggen.
Maar ik laat het er niet bij zitten, roept Johan vol vuur. Ik vertel hem, dat hij
het hogerop kan zoeken in de organisatie. De geneesheer-directeur is dan de aangewezen
persoon. Aan hem kan Johan een brief schrijven met al zijn klachten. Als dat niet naar
tevredenheid wordt beantwoord, is er nog de mogelijkheid van de klachtencommissie. Johan
wil meer weten over die klachtencommissie. Ik vertel hem, dat de klachtencommissie
gedeeltelijk onafhankelijk is: alleen de voorzitter en de vice-voorzitter zijn niet aan de
instelling verbonden. Johan fronst zijn wenkbrauwen. Ik leg verder uit hoe het bij de
klachtencommissie in zn werk gaat, en dat ik hem eventueel kan ondersteunen: de taak
van de pvp tijdens een zitting is ervoor te zorgen dat de belangen van de cliënt
voldoende aan bod komen. De klachtencommissie kan de klachten gegrond, ongegrond of
gedeeltelijk gegrond verklaren. Johan heeft mij aangehoord, maar hij vindt het maar niks
dat de klachtencommissie verder geen macht heeft om iets te doen. Hij wil dat de
behandelaar echt merkt dat wat hij gedaan heeft niet door de beugel kan. Hij moet op zijn
nummer worden gezet. De klachtencommissie vindt Johan geen goed idee. Ik vertel hem
vervolgens over het Medisch Tuchtcollege. Daar staat centraal of de behandelaar in strijd
heeft gehandeld met de zorg die hij behoorde te betrachten ten opzichte van de patiënt.
Het Medisch Tuchtcollege heeft de keuze uit een aantal uitspraken. Het kan een
waarschuwing of een berisping geven of een geldboete van maximaal 4500 euro opleggen. En
het College kan een behandelaar tijdelijk of voorgoed verbieden zijn beroep nog uit te
oefenen. Dit is wat Johan wil: naar het Tuchtcollege! Johan krijgt van mij het advies in
dat geval een goede advocaat in de arm te nemen. Dat zal hij doen. Ik geef hem twee namen.
Hij is tevreden met wat ik hem heb verteld, en hij belooft mij op de hoogte te houden.
Lange tijd hoor ik niets, maar ruim een jaar later belt Johan me op. Hij is naar het
Medisch Tuchtcollege geweest. Hij had een aantal klachten ingediend, maar kreeg niet op
alle punten gelijk. Wel concludeerde het College, dat de behandelaar was
tekortgeschoten in de zorg die hij als arts ten opzichte van de patiënt c.q. de klager
behoorde te betrachten. De behandelaar kreeg een waarschuwing. Ondertussen werkt de
behandelaar niet meer in hetzelfde ziekenhuis en is Jack overgeplaatst naar een andere
instelling. Johan vertelt dat het nu een stuk beter met Jack gaat en dat alle spanning van
het afgelopen jaar verdwenen is. (Jack en Johan zijn gefingeerde namen, ter bescherming
van de privacy van beiden.)
MF
|