pvp
Home Organisatie Cijfers Contact Medewerkers

Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg

 

14e jaargang nummer 3 najaar 2004

Inhoudsopgave


Voorwoord

Geachte lezer,

Een van de belangrijkste rechten als je hulp zoekt bij ziekte, en daarvoor soms opgenomen wordt in een ziekenhuis, is het recht op informatie. De Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst besteedt heel wat zinnen aan de verplichting die een hulpverlener heeft jou als cliënt op een duidelijke manier informatie te geven. En de modelregeling arts-patiënt van het KNMG schrijft hetzelfde nadrukkelijk voor. Welke informatie heb je dan nodig? Wat wil je weten als je bent opgenomen? Je wilt weten wat je mankeert, hoe je weer beter kunt worden, wat het ziekenhuis je te bieden heeft, wat je kunt verwachten, bij wie je terecht kunt, je wilt weten hoe lang het gaat duren… en nog heel veel meer… Als patiëntenvertrouwenspersoon merk ik in het ziekenhuis steeds weer dat heel veel klachten voortkomen uit het feit dat cliënten te weinig weten. En daardoor zich onzeker voelen, niet reële verwachtingen van hun opname hebben, te veel of juist te weinig van hun hulpverlener verwachten, niet voldoende gemotiveerd zijn om hun medicijnen te nemen, of ook niet snappen wat verpleegkundigen altijd in dat kantoortje zitten te doen. Soms weten cliënten zelfs niet eens waarom ze zijn opgenomen en wat ze voor behandeling krijgen; het komt voor dat een patiënt weken in het onzekere blijft over wie de behandelaar is of welke therapieën nodig zijn. Te weinig weten is niet bevorderlijk voor je gezondheid en ook is het niet bevorderlijk voor het contact tussen jou en je hulpverleners. Het kweekt onzekerheid en ontevredenheid. In deze PVP-krant wordt weer op diverse plekken aandacht besteed aan dit recht op informatie en de goede invloed die het op je heeft als je weet wat je kunt verwachten. Het artikel ‘Content versus consent’ belicht allerlei aspecten van het informatierecht. Ook in het openingsartikel ‘Kleien, kleuren en soms sporten’ gaat het, meer indirect, over de behoefte aan informatie: wat is de standaard voor verantwoorde zorg? Hoeveel activiteiten mag je van het ziekenhuis verwachten? Waar dienen die activiteiten voor, is het ziekenhuis verantwoordelijk voor jouw dagbesteding? ‘Dossierperikelen’ op pagina 6 gaat over het weten wat er over je wordt opgeschreven in je dossier en wat, soms zonder je toestemming, wordt doorgegeven aan anderen. Want naast het recht op informatie is je recht op privacy ook een groot goed!

Carla Andringa, eindredacteur en pvp in Groningen


Cliënten: activiteitenprogramma opnameafdeling sluit onvoldoende aan bij interesse

Kleien, kleuren en soms sporten

In instellingen wordt heel wat geplakt, geknipt, gekleurd, gesport en muziek gemaakt. Als je daar niet van houdt is de keuze beperkt. De helft van de cliënten vindt dat hun programma onvoldoende activiteiten heeft. Het sluit niet aan bij hun interesse of behoefte. En tijdens de vakantieperiode vallen de activiteiten meestal uit. “Soms loopt iedereen maar een beetje rond.”

Wij vroegen 103 cliënten van opnameafdelingen van meer dan 40 psychiatrische ziekenhuizen wat zij van het activiteitenprogramma in het ziekenhuis vonden. Hierbij werden de gerichte therapieën als creatieve therapie, psychomotorische of bewegingstherapie -gegeven door desbetreffende therapeuten- buiten beschouwing gelaten: het ging hier specifiek om het activiteitenprogramma, begeleid door activiteitenbegeleiders. Uit de beantwoording werd duidelijk dat in sommige ziekenhuizen niet zo’n scherp onderscheid werd gemaakt tussen activiteiten en therapie, en ook dat het activiteitenprogramma regelmatig onderdeel vormde van de behandeling.

Ervaringen van cliënten

Veel cliënten zijn tevreden met de kwaliteit en de omvang van het aanbod, zoals een cliënt die aangeeft: “Kralen rijgen, meer kan ik nu niet aan”. Andere cliënten zien graag veranderingen. De volgende reacties maken dit duidelijk: “Er zijn te weinig individuele mogelijkheden, het aanbod is van een te laag niveau. Dat plakken en knippen hier, ….. ik zit niet meer op de kleuterschool”. En: “Vooral ’s middags is er weinig te doen en ’s avonds is er helemaal geen programma. Ik verveel me! Ook is het heel vervelend dat als iets uitvalt er niets voor in de plaats komt: er is geen vervanger. De verpleegkundigen nemen ook niets over. Soms loopt iedereen maar een beetje rond.” Vijf van de 103 cliënten geven aan dat ze geen dagactiviteiten hebben. De dagactiviteiten van de andere cliënten bestaan overwegend uit creatief bezig zijn, tekenen, schilderen, sport en bewegen. Activiteiten als tuinieren en het volgen van een computer- of kookcursus worden minder vaak genoemd. ( 34 keer geven cliënten aan creatief bezig te zijn, en 19 keer dat zij activiteitentherapie te bezoeken; uit de beantwoording van de vragen werd niet duidelijk welk verschil cliënten, of de betreffende afdelingen hierin zagen, zodat deze categorieën wellicht bij elkaar genomen kunnen worden.)

Veel cliënten zijn blij met het activiteitenaanbod omdat ze dan iets te doen hebben. Toch zegt maar de helft van de cliënten dat het aanbod bij hun belangstelling aansluit. Sommige cliënten vinden de activiteiten saai, weinig creatief en altijd hetzelfde. In veel instellingen is er op de afdeling een ruim aanbod aan handvaardigheden, maar als je daar niet van houdt dan is de keuze beperkt. Gemiddeld genomen hebben de cliënten acht uur per week dagbesteding. De helft van de cliënten vindt dat hun programma onvoldoende activiteiten heeft. Hierdoor raken cliënten uit hun ritme, beginnen bijvoorbeeld weer met roken of geven aan zich slechter te gaan voelen tijdens de opname door de grote ‘leegte van de dagen’.

Activiteitenbegeleiders

Door heel Nederland is aan 45 activiteitenbegeleiders in psychiatrische ziekenhuizen gevraagd wat zij met de activiteiten op de opnameafdelingen beogen. Volgens veel activiteitenbegeleiders is het belangrijkste doel van de dagbesteding het bieden van structuur en dagvulling. Daarnaast worden ontspanning, het therapeutische effect, resocialisatie of observatie genoemd als doelstellingen van de activiteiten. Het is niet duidelijk waarom de ene activiteitenbegeleider meent dat een activiteit als kleien een therapeutisch doel heeft, terwijl de andere activiteitenbegeleider aangeeft dat het toch vooral een dagvulling is; dit kan te maken hebben met individuele verschillen tussen cliënten, of, weer, met een verschil in afgrenzing tussen activiteitenbegeleiding en creatieve therapie in de ziekenhuizen. Overigens moet volgens het Ministerie van VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) de dagbesteding die via een indicatie van het Regionaal Indicatie Orgaan (RIO) wordt aangeboden, gericht zijn op het bevorderen van de sociale participatie en het uitbreiden van persoonlijke vaardigheden.

Niet alleen cliënten klagen over het activiteitenaanbod, ook activiteitenbegeleiders zijn niet altijd tevreden. Maar liefst de helft van de activiteitenbegeleiders geeft aan dat ze niet altijd voldoende ruimte hebben om in te spelen op de vraag van cliënten. Een belangrijke oorzaak hiervan is dat activiteitenbegeleiders beperkt zijn in tijd, ruimte, personeel en financiën. Het aanbieden van groepsactiviteiten is altijd wel mogelijk. Maar er is vaak te weinig personeel om individuele activiteiten te begeleiden. Een activiteitenbegeleider meldt: “Het aanbod is toegenomen, mede door een enquête onder cliënten. We hebben nu vier in plaats van twee activiteitenbegeleiders waardoor we ook wat avonden en weekenden per week kunnen werken.”

‘Een keten van lege zondagen’

Activiteitenbegeleiders zijn mede afhankelijk van het budget dat het ziekenhuis ter beschikking heeft. Al in 1997 trok de toenmalige H.C. Rümkegroep (nu opgegaan in Altrecht) bij het Ministerie van VWS aan de bel over tekorten in de zorg. VWS en GGZ Nederland lieten het Trimbos-instituut de kwaliteit van de zorg voor langdurig zorgafhankelijken in kaart brengen. De bevindingen van dit onderzoek werden in 2001 beschreven in het rapport “Een keten van lege zondagen”. In dit Trimbos-onderzoek, onder chronische cliënten in algemeen psychiatrische ziekenhuizen, is het feitelijk zorggebruik en het feitelijke zorgaanbod vergeleken met een 'algemeen aanvaardbare standaard voor passende zorg'. Deze standaard was speciaal ten behoeve van dit onderzoek door een breed samengesteld panel van hulpverleners opgesteld. Voor dagactiviteiten was deze standaard bijvoorbeeld vijf tot tien uur per week. (In dit onderzoek werden dagactiviteiten duidelijk onderscheiden van het volgen van therapie: voor dit laatste werd de standaard op tachtig minuten gesteld.) Uit het Trimbos-onderzoek kwam onder meer naar voren dat in werkelijkheid slechts gemiddeld vijftig minuten per week aan dagactiviteiten werden aangeboden aan chronische cliënten. De zorg schoot op veel punten tekort, waaronder in de recreatiemogelijkheden. Veel mensen reageerden geschokt op de bevinding dat veel ziekenhuizen niet voldeden aan een algemeen aanvaarde standaard voor zorg. Verveling is in de psychiatrie geen onbekend verschijnsel: de 'keten van lege zondagen' staat voor het beeld van de patiënt voor wie elke dag vergelijkbaar is met zondag, waarop hij tot niet veel meer komt dan op bed liggen, eten, koffie drinken, roken en misschien een korte wandeling of het kijken naar tv. Diverse partijen, waaronder de toenmalige minister van VWS, mevrouw Borst, riepen de ziekenhuizen op om de situatie te verbeteren. De cliënten op opnameafdelingen die door de Stichting PVP gevraagd zijn naar hun ervaringen met het activiteitenprogramma, bevestigen de bevindingen in het rapport van het Trimbos-instituut deels: ook cliënten op deze afdelingen klagen over de ‘lege dagen’, het gebrek aan daginvulling en de uitwerking die dit op hen heeft.

Rommelmarkt

Na het verschijnen van ‘Een keten van lege zondagen’ kwam het aanbod van activiteiten weer op de agenda van de beleidsmakers in de ziekenhuizen en heeft het rapport veel aandacht in de media gehad. Samen met de oproep van de minister hebben deze feiten ertoe geleid dat nu vijftien van de ondervraagde activiteitenbegeleiders kunnen aangeven dat bij hen in de afgelopen jaren het aanbod van activiteiten is toegenomen. Zij krijgen hierdoor ook meer gelegenheid het aanbod af te stemmen op de individuele cliënt.

Altrecht is een van de ziekenhuizen die naar aanleiding van het Trimbos-rapport het beleid aanpasten. Het stelde in 2003 budget beschikbaar om de knelpunten die het rapport noemt, aan te pakken. Het activiteitenaanbod is, onder meer met de hulp van vrijwilligers, vergroot met uitstapjes, bioscoopbezoek, etentjes en het organiseren van een rommelmarkt. Toch zijn er tien activiteitenbegeleiders die melden dat er bij hen in het ziekenhuis juist op het activiteitenaanbod en het aantal uren begeleiding is bezuinigd. In één ziekenhuis zijn, mede na een signaal van de pvp, de bezuinigingen op het activiteitenaanbod teruggedraaid.

Opnameafdelingen

De door de Stichting PVP bevraagde cliënten op opnameafdelingen nemen gemiddeld acht uur per week deel aan een activiteitenprogramma. Dit lijkt veel in vergelijking met de gemiddelde vijftig minuten van de chronische patiënten, die in het rapport van het Trimbos-instituut worden genoemd. Het is echter de vraag of de ‘standaard voor passende zorg’ voor dagactiviteiten die voor chronische patiënten op vijf tot tien uur per week werd vastgesteld, vergelijkbaar is met wat cliënten van een opnameafdeling nodig hebben aan activiteiten. Deelname aan het activiteitenprogramma is hier ook vaker onderdeel van de behandeling, met als doel onder meer observatie, ontspanning en het beogen van een bepaald therapeutisch effect. Een standaard voor passende zorg is tot nu toe voor cliënten op opnameafdelingen niet net zo geformuleerd als voor chronische patiënten.

Een ander aandachtspunt is dat door de vermaatschappelijking van zorg er steeds minder mensen wonen op de instellingsterreinen. Dit heeft tot gevolg dat ook allerhande activiteitenaanbod gedecentraliseerd wordt en er dus minder aanbod op het terrein is. Dit is niet in het voordeel van de patiënten op opnameafdelingen; deze mogen immers niet altijd het ziekenhuisterrein verlaten en kunnen alleen daarom al niet aan bepaalde activiteiten deelnemen.

Individuele benadering

Minister Hoogervorst wil ruim baan voor nieuwe aanbieders van, onder andere, dagactiviteiten (ZorgVisie, december 2003). Volgens de minister sluit de huidige organisatie van de Geestelijke Gezondheidszorg onvoldoende aan op de hulpvraag van de cliënt. Een voorbeeld van hoe hierin verandering gebracht kan worden, is de samenwerking tussen GGNet en Stichting Radar. Radar streeft er naar om cliënten dagbesteding op maat aan te bieden. Ze wil af van handenarbeid die in instellingsverband gegeven wordt en streeft naar een zinvolle, op maat gesneden, dagbesteding. Naast de dagactiviteitencentra met een sociale en recreatieve functie, beheert Stichting Radar ook een divers aantal kleinschalige bedrijfjes en projecten zoals een fietsenmakerij en een muziekband. De omschakeling van een aanbodgerichte naar een individuele benadering in het begin onwennig voor de activiteitenbegeleiders, maar cliënten blijken nu tevredener.

Keten van lege vakantiedagen

Tijdens de vakantieperiodes vallen activiteiten vaak uit. Slechts zestien procent van de activiteitenbegeleiders geeft aan dat er tijdens de vakantieperiode een volledige vervanging is. In de meeste instellingen is in de vakantieperiode een beperkt activiteitenprogramma. Activiteiten worden overgenomen door de verpleging of alleen de groepstherapieën gaan door, terwijl de individuele begeleiding vervalt. In sommige instellingen vervalt het gehele activiteitenaanbod. In de vakantieperiode lijkt in veel instellingen dan ook sprake te zijn van 'een keten van lege vakantiedagen', soms afgewisseld met een enkele activiteit die wel doorgaat. Een cliënt over de vakantieperiode: “Ik heb recht op behandeling en dat is naast pillen ook activiteiten. De therapeuten hebben nu vakanties en dan vervallen vrijwel al mijn activiteiten. Ze kunnen me net zo goed naar huis sturen, daar kan ik ook tellen hoeveel auto’s er in een uur voorbij komen”.

‘Een keten van lege zondagen’, een onderzoek naar zorgverschraling, uitgevoerd in 2001. Aanvragen: GGZ Nederland, Postbus 8400, 3503 RK Utrecht. T 030 2873333
info@ggznederland.nl, o.v.v. publicatienummer 2001-162 (€ 9,—)

AvD/CvdB


Kabinetsstandpunt tweede evaluatie Wet Bopz bekend

De Wet Bopz onder de loep

Deze zomer werd het langverwachte Kabinetsstandpunt over de tweede evaluatie van de Wet Bopz naar buiten gebracht. Al in maart 2002 werd het evaluatierapport gepubliceerd; dit rapport hebben wij toen uitgebreid besproken in de PVP-krant van zomer 2002. De vijfendertig aanbevelingen die de begeleidingscommissie in dit rapport had gegeven, hadden wij daarin voor u samengevat. Bij het bepalen van het Kabinetsstandpunt is niet alleen het evaluatierapport meegenomen, maar ook het rapport Dementerenden en de Wet Bopz van de Algemene Rekenkamer van juni 2003, en het rapport Noodgedwongen, Zorg voor niet-opgenomen acute psychiatrische patiënten van de Gezondheidsraad, dat in mei 2004 werd uitgebracht. Aan het laatste rapport besteedden wij aandacht in de PVP-jaarkrant van 2004. Hieronder geven wij de hoofdconclusies van het Kabinet weer. De volledige tekst van het Kabinetsstandpunt is te downloaden van de website van het Ministerie van VWS: www.minvws.nl.

Verheldering van begrippen

Het Kabinet neemt de meeste aanbevelingen van de begeleidingscommissie over. Zo zullen de centrale begrippen van de Wet Bopz, waarover ook bij de tweede evaluatie weer veel verwarring bleek te bestaan, met behulp van richtlijnen worden uitgelegd en zal de voorlichting hierover worden geïntensiveerd. Het gaat daarbij met name over het gevaarscriterium en de begrippen "verzet" en "wilsonbekwaamheid", waarmee de praktijk moeilijk uit de voeten kan. Het Kabinet spreekt de hoop uit dat het uitbrengen van richtlijnen en meer voorlichting ertoe zullen leiden dat de wet in de praktijk beter wordt nageleefd en dat er beter gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die de wet nu al biedt.

Mogelijkheden tot dwangbehandeling

Het Kabinet is, meer naar aanleiding van het rapport van de Gezondheidsraad dan op basis van het evaluatierapport, van mening dat er reden is de mogelijkheden tot het toepassen van dwangbehandeling binnen de instelling uit te breiden. Daarbij wordt evenwel gesignaleerd dat dit fundamentele vragen met betrekking tot het recht op zelfbeschikking raakt. Daarom zal hierover eerst advies aan deskundigen worden gevraagd. Dit advies zal zich in eerste instantie richten op de vraag hoe en onder welke voorwaarden binnen de huidige wettelijke regeling een ruimer gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheden tot het toepassen van dwangbehandeling. Daarbij zal gekeken worden naar het effect van recente ontwikkelingen, zoals het invoeren van de voorwaardelijke machtiging en het schrappen van het woord "ernstig" uit artikel 38 lid 5 per 1 januari 2004. Vervolgens zal worden bezien of het nog nodig is om de Wet Bopz verder aan te passen of om een specifiek op behandeling gerichte wettelijke regeling in het leven te roepen. Het Kabinet wijst er overigens nog op dat dwangbehandeling niet in alle situaties een oplossing kan brengen. Niet alle stoornissen zijn immers behandelbaar, dwang kan ook een averechts effect hebben en het werkt slechts tijdelijk. Met betrekking tot dwangbehandeling buiten de instelling concludeert het Kabinet dat eerst het effect van de inwerkingtreding van de voorwaardelijke machtiging moet worden afgewacht.

Verloedering en overlast

Het Kabinet kondigt aan dat in het najaar van 2004 een plan van aanpak "verloedering en overlast" naar de Kamer zal worden gestuurd waarin, naast de voorgestelde aanpassingen van de Wet Bopz, concrete maatregelen zullen worden voorgesteld om gerichte zorg te verlenen aan een specifieke groep cliënten voor wie zichtbaar maatschappelijke teloorgang dreigt.

Geen bereidheid, geen bezwaar-groep

De begeleidingscommissie heeft in het evaluatierapport voorgesteld om de gehele groep cliënten die bereidheid noch bezwaar tonen ten aanzien van hun opneming uit de Wet Bopz te lichten en daarvoor een andere wettelijke regeling met afdoende rechtswaarborgen te ontwerpen. De begeleidingscommissie heeft als reden daarvoor aangevoerd dat de rechtsbescherming voor deze groep in de praktijk maar in zeer beperkte mate wordt gerealiseerd. In de huidige systematiek van de Wet Bopz kan vrijwillige opneming slechts plaatsvinden indien de patiënt daarvoor een 'informed consent' verleent. Het Kabinet neemt de aanbeveling van de begeleidingscommissie over voor wat betreft de sectoren psychogeriatrie en verstandelijk gehandicaptenzorg. Hiervoor zal een andere regeling worden ontworpen, waarbij vooralsnog in het midden wordt gelaten of deze al dan niet in de Wet Bopz zal worden ingepast. Het Kabinet is echter van mening dat voor de psychiatrie het bereidheidscriterium gehandhaafd moet blijven en dat er voor deze sector geen andere regeling in of in plaats van de Wet Bopz moet komen.

AB


Verhaal PVP

Dossierperikelen op de Helpdesk PVP

Veel vragen die wij op de Helpdesk PVP krijgen gaan over het dossier. Naast vragen over de inhoud (wat moet in een dossier staan?) gaat een groot aantal vragen over inzage, aanvulling, correctie en vernietiging. Cliënten lijken niet of onvoldoende op de hoogte van één van de meest absolute rechten die je als cliënt in de geestelijke gezondheidszorg hebt. Zo werd het Hans bijzonder moeilijk gemaakt om zijn dossier in te zien. Eerst moest hij wachten tot zijn behandelaar terug kwam van vakantie omdat inzage alleen in het bijzijn van de arts toegestaan was. Terug van vakantie gaf de behandelaar aan dat veel van wat in het dossier staat persoonlijke werkaantekeningen zijn die niet ter inzage zouden zijn. Hans vond de gang van zaken vreemd en belde de helpdesk voor advies en informatie. Ik heb na overleg met Hans telefonisch contact opgenomen met de behandelaar. Deze bleek in de stellige overtuiging dat de met de hand geschreven stukken in het dossier ‘persoonlijke werkaantekeningen’ zijn. Echter, persoonlijke werkaantekeningen horen niet in een dossier thuis. Alles wat (handgeschreven of getypt) in het dossier zit, komt voor inzage in aanmerking. De plicht dat inzage in aanwezigheid van de behandelaar moet gebeuren vond de behandelaar een teken van zorgvuldige hulpverlening. Immers, de inhoud van het dossier zou bij cliënt vragen kunnen oproepen of zelfs emotioneel belastend kunnen zijn. Uiteraard mag de aanwezigheid van een arts om uitleg te kunnen geven aangeboden worden maar een cliënt ertoe verplichten is volgens de regels niet toegestaan. Na dit telefonische overleg met de behandelaar kreeg Hans uiteindelijk inzage in het gehele dossier. Hans besloot zijn dossier alleen in te zien en kon zich in de inhoud grotendeels vinden.

Voor Angela was dit anders. Zij werd op een vreemde manier geconfronteerd met rapportage die over haar was geschreven. Angela ging verhuizen en moest op zoek naar een nieuwe huisarts. Zij verzocht haar huisarts om een afschrift van haar dossier, zodat ze op de hoogte was van de overdracht aan de nieuwe huisarts. Toen zij het afschrift kreeg werd zij onaangenaam verrast door een zeer uitgebreide ontslagbrief die vier jaar geleden door haar toenmalige Riagg-behandelaar aan de huisarts was gestuurd: een verslag van zeven A4’tjes met volgens Angela een zeer subjectief verhaal over haar levensloop en psychische situatie. Ineens werd haar duidelijk waarom ze door de huisarts bijna altijd naar huis gestuurd werd met de boodschap dat er niets aan de hand was. Lichamelijke klachten werden geweten aan stress en met een tijdje rustig aandoen zou ze er wel weer bovenop komen. Rugklachten kregen ook het etiket ‘psychisch’ en zo kon het gebeuren dat een hernia niet werd onderkend en Angela pas na maanden aandringen naar een specialist werd doorverwezen.

Angela belde de helpdesk met vele vragen: was het normaal dat een zo uitgebreid verslag zonder haar toestemming naar de huisarts werd gestuurd? Kon zij voorkomen dat haar nieuwe huisarts deze informatie kreeg zodat ze eindelijk met een schone lei kon beginnen? Is het misschien mogelijk om dit deel van haar dossier te laten vernietigen? Angela was blij met mijn informatie dat zij naast inzage ook het recht heeft om haar versie van het verhaal in het dossier te laten opnemen. Ook zou zij kunnen kiezen voor vernietiging van het dossier als ze echt een nieuwe start wil maken. (Angela is nooit gedwongen opgenomen geweest, het verzoek om vernietiging kan in dat geval pas 5 jaar na beëindiging van de gedwongen opname worden gehonoreerd –red.) Voor Angela was het voldoende te horen dat een dergelijk uitgebreid verslag niet zonder haar toestemming naar de huisarts had mogen worden verstuurd. Zij bleef wel nieuwsgierig naar de reden van de uitgebreide rapportage, maar vooralsnog wil ze daar niks mee doen.

Voor Margreet heeft de over haar vastgelegde informatie weer andere gevolgen. Na een langdurige opname in een instelling voor psychiatrie, gaat ze zelfstandig wonen. Zelfstandig wonen impliceert eigen verantwoordelijkheid en daar wordt dan ook een groot beroep op gedaan. Zo moet ze zelf haar financiën regelen, zelf het huishouden doen en is ze zelf verantwoordelijk voor haar lichamelijk en psychisch welbevinden. Logischerwijs ging ze ook zelf op zoek naar een huisarts in de buurt. Dit wordt haar echter onmogelijk gemaakt. Wanneer zij huisartsen in de omgeving belt, krijgt ze steevast na het noemen van haar naam te horen dat er geen plaats is in de betreffende huisartspraktijk. Ze krijgt argwaan en geeft een valse naam op. Ineens is in dezelfde praktijk wél ruimte. Margreet heeft sterk het vermoeden dat haar naam circuleert met bijbehorende privacygevoelige informatie over haar psychische toestand. Margreet vroeg mij wat ze met haar vermoeden kon doen. Omdat de stap van een instelling naar zelfstandig wonen groot is, valt mijns inziens ook het regelen van een eigen huisarts onder de nazorgverplichting van de instelling. Zeker in de situatie van Margreet waar haar psychiatrische verleden problemen veroorzaakt bij de weg naar zelfstandigheid. De informatie die over (ggz-)cliënten bij huisartsen circuleert is sowieso een punt van zorg. Het zou goed zijn als de betreffende cliënt op de hoogte gesteld wordt van deze informatie zodat bij specifieke afspraken de cliënt bezwaar kan maken.

Tenslotte het verzoek van Peter om inzage in het dossier van zijn overleden moeder. De geheimhoudingsplicht van de hulpverleners reikt tot over het graf. Peter is dus afhankelijk van de inschatting van de hulpverlener van zijn moeder. Wanneer de hulpverlener van mening is dat de moeder van Peter geen bezwaar zou hebben, dan kan uitgegaan worden van zogenoemde veronderstelde toestemming. Zo niet dan is inzage voor Peter heel moeilijk te bewerkstelligen. (De namen van de cliënten zijn om privacyredenen gefingeerd.)

FSC


Leidt het geven van informatie tot tevredenheid met medicatie?

Content versus consent

De Wgbo (Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst) beoogt met het zogeheten informed consent (letterlijk: geïnformeerde toestemming) dat een cliënt akkoord gaat met de behandeling en de medicatie, pas nadat de behandelaar alle informatie heeft gegeven die voor een goede afweging nodig is. In de vorige PVP-krant kon u een verslag lezen van wat 134 cliënten in de Geestelijke Gezondheidszorg vonden van de hoeveelheid informatie die zij gekregen hadden over hun medicatie en de eventuele bijwerkingen ervan. De mate waarin een cliënt instemt met de medicatie en er tevreden mee is, blijkt samen te hangen met hoe hij is geïnformeerd en of hij last heeft van bijwerkingen. In dit artikel gaat Ad Deenen-Meijer, onderzoeker bij de Stichting PVP, nader in op hoe instemming en tevredenheid van cliënten met hun medicatie samenhangen met de manier waarop en de mate waarin zij informatie hierover krijgen.

Beter informeren van cliënten

Artsen verschillen in hun visie op voorlichting en in de wijze waarop zij hun cliënten voorlichten. Lange tijd is de paternalistische werkwijze - de dokter weet wat het beste is - gemeengoed geweest. Deze aanpak moet langzamerhand plaatsmaken voor andere werkwijzen waarbij voorlichting belangrijk is, bijvoorbeeld een werkwijze waarbij de arts de patiënt helpt een keuze te maken die het best bij hem of haar past. Dr. C. van ’t Spijker beveelt in een artikel in Medisch Contact, artsen aan om informatie over de behandeling zowel mondeling als schriftelijk te verstrekken en om (later) na te gaan of de informatie is overgekomen of moet worden herhaald dan wel aangevuld. Door een stijgende werkdruk en onvoldoende communicatieve vaardigheden bij artsen neemt het aantal klachten over de communicatie toe. Van ’t Spijker concludeert dat er artsen zijn die hun cliënten (ongewild) aan hun lot overlaten. De arts zou de cliënt de volledige informatie moeten geven die de patiënt een plaats kan geven. Dat vereist training in communicatieve vaardigheden, zowel tijdens de opleiding als tijdens na- en bijscholing.

Ook in de psychiatrie wordt steeds meer verwacht dat cliënten goed worden geïnformeerd over de behandeling. De wet verwacht dat de informatie op het niveau van de cliënt wordt gegeven. Ook zou er op meerdere momenten moeten worden gecontroleerd of de informatie goed is aangekomen. De wet schrijft echter niet voor wanneer dat het geval is. In een advies aan het Ministerie van VWS stelt de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) dat patiënten betere informatie moeten krijgen. Volgens de RVZ houden artsen nog te weinig rekening met hun wensen en worden patiënten slecht geïnformeerd. Het Ministerie deelt de bezorgdheid en de mening van de RVZ. Op 1 april 2004 stuurden de bewindslieden van VWS hun uitvoerige standpunt op het RVZ-advies ‘Van Patiënt tot Klant’ naar de voorzitter van de Tweede Kamer. De centrale vraag was hoe zorgaanbieders aangezet kunnen worden tot meer cliënt- en vraaggericht werken. Volgens Kahn (1997) is er in de psychiatrie zelden een goede reden om iets voor de patiënt verborgen te houden. Zo zijn patiënten met schizofrenie bijvoorbeeld gebaat bij duidelijkheid, helderheid en eerlijkheid. Vaak zijn ze vanwege hun ziekte al achterdochtig. Dit wordt versterkt als de patiënt het gevoel heeft dat men dingen achterhoudt of niet eerlijk is.

Kennis over medicatie

Over de werking, bijwerking en langetermijneffecten van antipsychotica en antidepressiva is nog onvoldoende bekend. Verschillende medicijnen die bij psychiatrische ziekten worden gebruikt zijn tientallen jaren geleden, veelal bij toeval, ontdekt. De klassieke antipsychotica zijn goedkoop, maar hebben vaak ernstige bijwerkingen. Daarom wordt nieuwe medicatie met minder bijwerkingen ontwikkeld. Bij een manisch-depressieve stoornis worden reeds in toenemende mate medicijnen met minder bijwerkingen toegepast. Ook voor schizofrenie wordt nieuwe medicatie ontwikkeld. Toch aarzelen cliënten om medicijnen te gebruiken of te blijven gebruiken, ook als de behandeling van de stoornis daardoor onvoldoende zou zijn. Dit komt onder andere door de bijwerkingen die vooral oude, klassieke, antipsychotica opwekken. Nieuwe antipsychotica zijn soms nog niet als depotpreparaten beschikbaar en daardoor alleen geschikt voor cliënten die hun medicijnen niet vergeten in te nemen. Ook zijn bij een depot de bijwerkingen moeilijker te voorkomen dan bij pillen. Heldere informatie over dergelijke, soms onduidelijke en verwarrende, zaken maakt dat cliënten meer kennis krijgen over hun medicatie en betere afwegingen kunnen maken.

Vragen en klachten

Cliënten leggen steeds meer vragen en klachten over medicatie en dwangmedicatie aan hun patiëntenvertrouwenspersoon voor. In 2003 waren er 1.268 vragen en klachten over medicatie waarvan 418 over dwangmedicatie. Bij 60% van de vragen en klachten over medicatie en 75% van die over dwangmedicatie willen de cliënten aanpassing van de omstandigheden. Als cliënten met behulp van de pvp vragen om aanpassing van de medicatie, voldoet de ziekenhuismedewerker in veel gevallen geheel of deels aan de wensen van de cliënt, of komt de cliënt op een andere manier tegemoet. (Zie onderstaand overzicht uit de registratiegegevens van 2004, die hetzelfde beeld laten zien als het jaar daarvoor.)

Veel cliënten slikken klakkeloos wat ze krijgen voorgeschreven. Vaak beseffen cliënten pas later dat ze niet alles hebben gevraagd. Psychiaters hebben ook weinig tijd om overal uitgebreid op in te gaan (Schoemaker & Dam in Psy, 2004). Sommige ziekenhuizen stimuleren juist de interesse van cliënten voor de medicatie die ze gebruiken. Zo maakt Meerkanten (Ermelo) onder het motto ‘Weet wat u slikt’ cliënten ervan bewust dat ze niet allerlei pillen moeten slikken. Meerkanten is één van de eerste ggz-instellingen die, met het project Doorbraak, beoogt de kwaliteit van de voorlichting over medicatie te verbeteren. Ook voor behandelaars moet het stellen en beantwoorden van vragen over medicatie gewoon worden. Het nut van dit kwaliteitsproject is daar aangetoond; op de afdelingen schoot de waardering voor de voorlichting omhoog.

Instemming en tevredenheid

De wet beoogt met het informed consent-principe zoveel mogelijk instemming van de cliënt. In het begin van 2004 vroeg de Stichting PVP in een kleinschalig onderzoek in hoeverre cliënten ook daadwerkelijk met de medicatie instemmen; 134 cliënten gaven hun mening over de medicatie en de voorlichting over de medicatie. Het blijkt dat veel cliënten niet instemmen met de medicatie, er ontevreden mee zijn, en dat veel cliënten menen onvoldoende te zijn voorgelicht. (Zie voor een uitgebreide bespreking van de mening van deze cliënten de vorige PVP-krant, zomernummer 2004; hieronder volgen alleen de belangrijkste conclusies.) Veel cliënten die hebben meegedaan gebruiken al heel lang medicatie. De helft van de cliënten doet dat zelfs meer dan vijf jaar. Minder dan de helft van de cliënten meent voldoende informatie te hebben over de werking en de bijwerking van de medicatie. Opmerkelijk is dat een op de tien cliënten niet weet wat voor medicatie hij gebruikt. Er was maar één cliënt die aangaf niets te willen weten over zijn medicijnen. Opvallend is dat een groot deel van de cliënten aangeeft niet schriftelijk te zijn geïnformeerd. Enkele cliënten geven aan dat zij zelf om de bijsluiter hebben moeten vragen. Maar 15% van de cliënten zegt zowel mondeling als schriftelijk te zijn voorgelicht. In het oog springt dat de cliënten die aangeven (alleen of ook) schriftelijk te zijn voorgelicht veel minder bijwerkingen melden dan cliënten die aangeven niet of alleen mondeling te zijn voorgelicht. De cliënten die zowel mondeling als schriftelijk zijn voorgelicht, geven vrijwel allemaal aan dat dit voldoende was.

De instemming met de medicatie is het grootst onder cliënten die geen vervelende bijwerkingen hebben en die voldoende informatie over de werking en bijwerking hebben gehad; cliënten die antidepressiva voorgeschreven krijgen zijn meer tevreden met hun medicatie dan cliënten met antipsychotica. De meerderheid van de cliënten stemt met de medicatie in, maar nog niet de helft is er daadwerkelijk tevreden mee. Cliënten die aangeven dat hen de werking en bijwerking van de medicatie is uitgelegd, stemmen vaker in met de medicatie. Toch vindt een belangrijk deel van de cliënten waaraan de werking is uitgelegd, de gegeven informatie onvoldoende.

Meer onderzoek

In de praktijk loopt het proces van informatieoverdracht over en instemming met behandeling op verschillende plaatsen stroef. Daarbij is gebleken dat instemming met voorgestelde medicatie nog niet betekent dat cliënten tevreden met die medicatie zijn. Onderzoek zou die aspecten aan het licht moeten brengen die de kwaliteit van leven van cliënten vergroot. Hiervoor is het nodig dat niet alleen de werking van medicatie in een proefgroep wordt onderzocht, maar dat het hele proces van informatieoverdracht, medicatietoediening, bijwerkingen en beleving van cliënt beter in beeld worden gebracht. Onderzoek zou een antwoord moeten vinden op de volgende vragen: waarom vinden zoveel cliënten dat ze niet of onvolledig zijn voorgelicht, welke omstandigheden bepalen het aantal vervelende bijwerkingen, wat is het verschil tussen oraal, depot of een combinatie daarvan, wat maakt dat een bijwerking de kwaliteit van leven beperkt.

Geestkracht

Vanaf 2001 is 24 miljoen euro beschikbaar gekomen voor omvangrijk wetenschappelijk onderzoek op diverse terreinen in de geestelijke gezondheidszorg: ZonMw heeft in 2001 in opdracht van VWS en de NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) een ambitieus onderzoeksprogramma onder de naam Geestkracht van start laten gaan. In dit onderzoekprogramma worden in de loop van tien jaren duizenden cliënten in de geestelijke gezondheidszorg gevolgd waarbij ook allerlei aspecten van de behandeling van hun ziektebeeld aan de orde zullen komen, met als doel betere behandeling en preventie van psychische ziekten. In hoeverre de beleving, de instemming en de tevredenheid van cliënten hierin meegenomen worden, is echter niet in de beschrijving van het programma terug te vinden.

In het Maandblad voor Geestelijke Volksgezondheid (maart 2004) verbazen Stolker e.a. zich erover dat bij de studies naar interventies, zoals het verstrekken en toedienen van medicatie, nog veel te weinig naar de beleving van de cliënt wordt gevraagd. Zij vinden dat niet alleen de interventies zelf maar ook de wijze waarop cliënten deze ervaren, wetenschappelijk moeten worden onderzocht. Dergelijk onderzoek levert nieuwe informatie op, waarmee de arts en de patiënt betere keuzes kunnen maken. De bewuste instemming van de cliënt met de behandeling, het informed consent, is een belangrijk recht in de (geestelijke) gezondheidszorg, dat klakkeloos slikken van medicijnen tegengaat, en meewerkt aan grotere tevredenheid en waardering van cliënten. Dit gegeven rechtvaardigt de roep om meer onderzoek. En om navolging van initiatieven zoals in psychiatrisch ziekenhuis Meerkanten.

AD-M

Literatuur:

  • Kahn, R.S. (1997). Gids pillen en psychiatrie. Balans.
  • Van ’t Spijker, C. (2003). Ingenieur of priester. Medisch Contact, 58, 1, pp. 24-27.
  • Schoemaker, B., & C. Dam (2004). Voorkom klakkeloos slikken. Psy, 8, 4, pp.14-15.
  • Stolker, J.J., H. Nijman, P.H. Zwanikken (2004). Separatie: een noodzakelijk kwaad? Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 59, 3, pp.193-204.

Meer informatie over het onderzoeksprogramma Geestkracht is te vinden op de website van ZonMw: www.zonmw.nl, onder ‘programma’s’.


‘Ik hoorde het kraken in mijn pols’

Artikel over fysieke inperking krijgt reacties

In het voorjaarsnummer van de PVP-krant (nr.1, 2004) schreven wij over ‘Controle en Fysieke Beheersing’ (CFB) bij kinderen en de klachten over het ervaren van pijn en vernedering waarmee kinderen in 2003 naar de pvp zijn gestapt. Dit artikel heeft veel reacties losgemaakt. Verschillende kinderpvp’en konden vaststellen, dat de PVP-krant ook door de kinderen gelezen wordt. Een pvp schrijft: “Terwijl ik kom aanlopen, hoor ik op 100 meter afstand al het bekende: ´Hé, pvp!´, en daar staan ze voor me, drie kinderen van ongeveer 7 jaar oud, zichtbaar opgewonden. Ze praten door elkaar, en uit hun woordenstroom filter ik ‘ CFB’, ‘ontslag’ en ‘verboden’. Het wordt duidelijk, dat de kinderen het artikel over CFB-technieken in de laatste PVP-krant gelezen hebben. Ze praten over de foto, waarin een kind in een zogenaamd ‘bokkenpootje’ wordt gehouden. Ze hebben zelf ook ervaring met deze pijnlijke polsgreep en zijn ontzettend blij, dat dit niet meer mag.” Een andere pvp meldt, dat uit de reacties van kinderen blijkt, dat de groepsleiding zelf de kinderen de krant heeft laten lezen, en ook stukken van het artikel aan de jongere kinderen heeft voorgelezen. In een radioprogramma zei Andrée van Es, voorzitter van GGZ Nederland, dat het bokkenpootje “een vorm van kindermishandeling is, die gewoon niet kan.” Zij dringt bij de leden van GGZ Nederland erop aan, dat de richtlijn ‘Fysieke Inperking’ uit 2002 wordt nageleefd. (Bron: ZorgVisie, 9 april 2004)

CA


SIGNALEN

Soms komt een patiëntenvertrouwenspersoon tekortkomingen tegen in een ziekenhuis. Als deze tekortkomingen afbreuk doen aan de rechten van cliënten, vraagt de pvp mondeling of schriftelijk bij de desbetreffende afdeling en/of leidinggevende hier aandacht voor, in een zogenaamd ‘signaal’. De pvp vraagt daarin aan de instelling de situatie te verbeteren. Over een signaal heeft de pvp in het algemeen contact met de cliëntenraad. Kamertijden voor kinderen In een instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie klagen kinderen van alle afdelingen over het feit dat zij verplicht zijn om op bepaalde tijden op hun kamer te verblijven. Deze ‘kamertijden’ vallen vaak samen met de verpleegkundige overdracht maar kinderen moeten soms ook op andere tijden naar hun kamer.

De pvp schrijft aan de eerste geneeskundige dat het hier om een vrijheidsbeperkende maatregel gaat die overeenkomt met afzondering. Volgens de pvp kunnen kinderen, of ze nu vrijwillig of onvrijwillig zijn opgenomen, niet tegen hun wil naar hun kamer gestuurd worden. Dat kan slechts als dit in het kader van hun behandeling nodig is én als daarover in het individuele behandelingsplan afspraken zijn gemaakt. Daarnaast beschrijft de Wet Bopz, aldus de pvp, een aantal situaties waarin kinderen die gedwongen zijn opgenomen in hun vrijheden beperkt kunnen worden. Het kan dan gaan om het beperken van de bewegingsvrijheid in en rond de instelling (artikel 40, lid 3), de toepassing van middelen of maatregelen (artikel 39) en dwangbehandeling (artikel 38, lid 5). Pas als gedwongen opgenomen kinderen voldoen aan de voorwaarden voor het toepassen van deze artikelen zou de instelling over mogen gaan tot afzondering in hun kamer. Verder is de pvp van mening dat het niet zo behoort te zijn dat kinderen op hun kamer moeten verblijven vanwege het feit dat er op dat moment geen personeel op de afdeling aanwezig is: “Voor het inperken van vrijheden vanwege een dergelijke reden ontbreekt een juridische grond.” Tot slot stelt de pvp dat ook afdelingsregels, geschreven of ongeschreven, niet gebruikt kunnen worden om kinderen op vaste tijden op hun kamer te laten verblijven. Afdelingsregels dienen immers slechts voor het regelen van een ordelijke gang van zaken op de afdeling en zaken die een behandeldoel dienen horen daarin niet thuis. Het signaal van de pvp heeft effect. In een reactie laat de eerste geneeskundige weten dat kinderen voortaan “… alleen op individuele basis, indien geïndiceerd en vastgelegd in een behandelplan, op maat gesneden rusttijden (krijgen) toebedeeld.”

Drang en dwang bij medicatie

Verpleegkundigen gaan soms ver bij het overreden van cliënten om hun medicatie in te nemen. Zo krijgen cliënten op een gesloten afdeling te horen dat zij niet naar buiten kunnen als zij hun medicatie niet innemen, dat ze bij weigering veel langer moeten blijven of simpelweg dat ze hun medicatie móeten innemen. Verschillende cliënten klagen hierover bij de pvp want zij voelen zich geïntimideerd en ervaren het innemen van medicatie als dwang. De pvp is van mening dat de handelswijze van het personeel niet correct is, omdat bij geen van deze cliënten sprake is van formele dwangbehandeling. In zijn signaal wijst de pvp het unithoofd erop dat volgens de Wgbo en de Wet Bopz het behandelingsplan altijd het uitgangspunt is van de behandeling, zowel bij gedwongen als bij vrijwillig opgenomen cliënten. Onderhandeling over het behandelingsplan is een zaak van cliënt en behandelaar en als de cliënt niet instemt met het behandelingsplan, bijvoorbeeld als het gaat om medicatie, dan dient de verpleging te verwijzen naar de behandelaar. Het unithoofd beaamt dat de bestaande wetgeving altijd het uitgangspunt dient te zijn van de benadering van cliënten. Daarnaast denkt hij dat de toon waarop verpleegkundigen cliënten proberen te bewegen hun medicatie in te nemen een rol speelt. Hij zegt dan ook toe dit te bespreken in het team.

Geen vrijheden tijdens therapie

In de huisregels van een afdeling staat vermeld dat cliënten tijdens therapietijden geen gebruik kunnen maken van hun vrijheden: zij mogen niet van de afdeling af, niet naar buiten, ze mogen niet telefoneren, ze mogen maar een ding: naar therapie. Cliënten klagen hierover en de pvp stuurt de directie een signaal waarin hij betoogt dat er geen juridische grond is om deze regel toe te passen. Zowel vrijwillig als onvrijwillig opgenomen cliënten mogen niet middels huisregels beperkt worden in hun rechten, daar zijn huisregels immers niet voor. Van cliënten mag slechts verwacht worden dat zij aanwezig zijn bij die therapieonderdelen waarover met hen is afgesproken dat zij die in het kader van hun behandeling volgen. Dit dient vastgelegd te worden in het individuele behandelingsplan en de pvp wijst erop dat cliënten eenmaal gegeven toestemming voor uitvoering van dit behandelingsplan altijd in kunnen trekken. Gedwongen opgenomen cliënten kunnen in bepaalde gevallen beperkt worden in hun vrijheden maar dan moeten zij voldoen aan de criteria die de Wet Bopz hieraan stelt. Zowel de directie als de Raad van Bestuur van de instelling zijn het niet eens met de pvp. Kort gezegd is men van mening dat cliënten buiten de therapietijden voldoende gelegenheid hebben om de afdeling te verlaten. Ook vindt men dat als een vrijwillig opgenomen cliënt niet mee wil werken aan de behandeling maar tijdens therapietijden liever gaat wandelen, de uiterste consequentie zou kunnen zijn dat de behandeling gestaakt wordt en de cliënt met ontslag gaat.

Wat de pvp betreft gaat het hier om een principiële kwestie en hij legt het signaal voor aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg. De Inspecteur is het na rijp beraad eens met de pvp dat sancties (in dit geval het niet verlenen van vrijheden tijdens therapietijden) niet in huisregels thuishoren en adviseert de instelling de huisregels aan te passen aan het modelreglement huisregels van GGZ Nederland.

RH


(ON)GEGROND

(On)gegrond is een rubriek waarin u uitspraken van klachtencommissies van ggz-instellingen kunt lezen. Deze keer gaan de zaken waarin een uitspraak werd gedaan over het verlenen van goede zorg, over de wens van een cliënte haar dossier te laten vernietigen terwijl zij nog onder behandeling is, en over een protest tegen dwangbehandeling en separatie.

Verplaatsen therapieruimte 

Een cliënte dient een klacht in tegen het feit dat zij niet aan de creatieve therapie kan deelnemen die haar wel is voorgeschreven; zij zit in een rolstoel, en de therapieruimte is kortgeleden verplaatst naar de eerste verdieping, terwijl er geen lift in het gebouw aanwezig is. De instelling voert als verweer aan dat om organisatorische redenen, in feite om betere zorg te kunnen verlenen, de therapieruimte naar boven is verplaatst. Daarbij is de verplaatsing maar tijdelijk: als de nieuwbouw is gerealiseerd bestaat het probleem niet meer. Er is aan de klagende cliënt een individueel alternatief aangeboden, wat door de cliënt als onvoldoende is ervaren.

De pvp voert onder andere aan dat meerdere cliënten door de verplaatsing creatieve therapie moesten missen. Hij draagt ook de nodige alternatieve oplossingen aan. Verder beroept de pvp zich op de verplichting verantwoorde zorg te leveren (Artikel 2 en 3 van de Kwaliteitswet zorginstellingen) en de verplichting uit art 7:453 BW om de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen. Daarnaast vestigt hij de aandacht op de huisregel, waarin cliënten verplicht worden dat zij deelnemen aan alle therapieën. Een eventuele uitzondering wordt vermeld in de behandelingsovereenkomst. In het geval van cliënt is dit laatste niet gebeurd. 
De commissie komt tot de conclusie dat de creatieve therapie voor de cliënte onvoldoende beschikbaar is, er onvoldoende gehandeld is vanuit primair cliëntenbelang en dat er voor genoemd probleem onvoldoende is gezocht naar een oplossing van technische, ruimtelijke en organisatorische aard. De klacht wordt gegrond verklaard. Belangrijk argument voor de commissie was het gegeven dat het groepskarakter van de therapie niet door een individueel alternatief kon worden vervangen, en dit voor de cliënt het meest leerzaam was. De commissie adviseert de Raad van Bestuur een tussentijdse kwalitatieve oplossing te zoeken. 

Dossiervernietiging tijdens behandeling 

Een cliënte dient een klacht in omdat haar behandelaar, ondanks haar nadrukkelijk verzoek, haar dossier niet wil vernietigen. Opmerkelijk detail is, dat de cliënte haar dossier wil vernietigen, voor zover dat betrekking heeft op een periode lopend tot de datum, waarop het verzoek tot vernietiging is ingediend. Zij wil doorgaan met de ambulante psychiatrische zorg die zij ontvangt. De cliënte beroept zich op Art. 7:455 BW, waarin het recht op vernietiging van het dossier wordt geregeld. De pvp en cliënte voeren aan dat er geen aanmerkelijk belang is voor een ander dan de cliënte. Daarbij is de cliënte niet van zins een gerechtelijke procedure tegen de instelling te starten en is er geen sprake van een erfelijke ziekte waarover de gegevens van belang zouden kunnen zijn voor een nakomeling van cliënte. Als verweer voert de instelling een aantal argumenten aan. Ten eerste is het dossier van belang voor diagnostiek. Het dossier is daarnaast van belang voor de beoordeling bij de voortgang van de behandeling. Als derde en laatste kan het dossier van belang zijn in geval van juridische kwesties, die zich zouden kunnen voordoen. De instelling meldt verder dat er in literatuur over dossiervernietiging van uitgegaan wordt dat de behandelingsovereenkomst beëindigd is of dat de behandeling beëindigd dient te worden, als gevolg van het verzoek om vernietiging. De instelling zegt toe het dossier direct te vernietigen, zodra de behandeling wordt gestopt. 
De commissie oordeelt dat de klacht gegrond is. Zij wijst op het gegeven dat er in deze casus op geen enkele manier sprake is van de uitzonderingen, zoals in de wet genoemd, die vernietiging zouden verhinderen. De door de instelling aangevoerde stelling, dat zolang de behandeling loopt, er geen vernietiging plaats kan vinden van het dossier vindt volgens de commissie geen steun in de wet. Ook de aan literatuur ontleende stelling dat vragen om vernietiging van het dossier, een dringende reden kan zijn de behandelovereenkomst op te zeggen, laat volgens de commissie het recht op vernietiging van het dossier onverlet.

Dwangbehandeling na vermeende separatie

Een cliënte verblijft op een opnameafdeling. Volgens het team is zij dreigend aanwezig. Medecliënten en personeel mijden haar uit angst voor escalatie. Zij krijgt de keuze om vrijwillig medicatie te nemen of gesepareerd te worden. Medicatie weigert zij, waarop zij wordt overgeplaatst naar een gesloten afdeling; hier is de mogelijkheid om de leefruimte zodanig in te perken dat een cliënt alleen de beschikking heeft over een kleine huis- en slaapkamer. De cliënte vindt dat zij nu gesepareerd wordt. Na een incident belandt de cliënte in de separeercel en wordt er onder dwang medicatie toegediend. Dit wordt door de instelling als een noodmaatregel beschreven. Er wordt vervolgens dwangbehandeling aangevraagd, aangezien de cliënte medicatie blijft weigeren. De klacht bij de klachtencommissie gaat over de overplaatsing, de (vermeende) separatie na overplaatsing, de plaatsing in de separeerruimte met gedwongen toediening van medicatie en de voorgenomen dwangbehandeling. 
Na het horen van beide partijen verklaart de klachtencommissie alle klachten van de cliënte ongegrond. De commissie ondersteunt de juistheid van de beslissing van de behandelaar om de cliënte over te plaatsen naar een afdeling met separeermogelijkheid. Haar gedrag gaf hiertoe voldoende aanleiding. De commissie is het eens met de behandelaar, dat er geen sprake is geweest van separatie, maar van verblijf op een gesloten afdeling met beperkte vrijheden. De separatie die volgde op het incident met een medecliënt wordt eveneens als een gerechtvaardigde ingreep gezien, er is volgens de commissie voldaan aan de eisen der wet en het gevaar is voldoende aangetoond. Een opmerkelijk detail in de mening van de commissie is het feit dat zij vindt dat voldaan is aan de eis van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. De beslissing te separeren met toediening van medicatie voldoet aan de eis van subsidiariteit, omdat de cliënte op haar kamer vrijwillig medicatie had in kunnen nemen. Er was dus volgens de commissie een redelijk alternatief. Aan het feit dat cliënte, zodra dit mogelijk was, werd gemobiliseerd ziet de commissie een bewijs dat de maatregel voldoel aan de eisen van proportionaliteit en doelmatigheid. Als laatste wijst de commissie de klacht over dwangbehandeling af. Zij vindt dat voldaan is aan de gevaarscriteria en ziet geen andere mogelijkheden dan het gebruik van medicatie om het gevaar op te heffen.

RdK


RECHTSPRAAK

Na een half jaar ervaring in de praktijk

Problemen met de voorwaardelijke machtiging

Zoals wij in de PVP-krant van winter 2003 (nr. 4, p. 11) al aankondigden, is de voorwaardelijke machtiging met ingang van 1 januari jl. ingevoerd. Deze nieuwe machtigingsvariant, die erop gericht is gedwongen opneming te voorkomen, heeft inmiddels voor de nodige verwarring gezorgd en flink wat pennen in beweging gebracht. Alvorens enkele gerechtelijke uitspraken te behandelen, volgt hieronder een beknopte toelichting op de problemen waarvoor de voorwaardelijke machtiging de praktijk plaatst.

‘Paraplumachtiging’ vervangen

Ook voordat de voorwaardelijke machtiging werd ingevoerd, was het mogelijk om een patiënt met een rechterlijke machtiging gewoon thuis te laten wonen. Dit gebeurde door de patiënt voorwaardelijk ontslag te verlenen. Zolang de patiënt zich aan de voorwaarden hield, veelal gebruik van medicatie en het onderhouden van contact met een ambulante hulpverlener, kon hij buiten het ziekenhuis verblijven. De voorwaarden werden eenzijdig door de geneesheer-directeur opgelegd aan de patiënt. In de praktijk is uit het voorwaardelijk ontslag de zogenaamde ‘paraplumachtiging’ ontstaan, die erop neer kwam dat de patiënt van aanvang af met machtiging thuis verbleef. De machtiging fungeerde als stok achter de deur: bij niet naleving van door het ziekenhuis aangegeven voorwaarden kon opneming volgen. De constructie van het voorwaardelijk ontslag, die altijd al in de Wet Bopz was vastgelegd, is ook na het invoeren van de voorwaardelijke machtiging gewoon blijven bestaan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat het de bedoeling is dat de paraplumachtiging wordt vervangen door de voorwaardelijke machtiging en niet meer behoort te worden verleend. Voordeel van de voorwaardelijke machtiging is dat de rechter zich expliciet over de voorwaarden buigt; bij de paraplumachtiging werden die door de geneesheer-directeur bepaald.

Bereid tot naleving van de voorwaarden

Bij de voorwaardelijke machtiging is het de bedoeling om gedwongen opneming te voorkomen door voorwaarden te stellen aan het gedrag van de patiënt. Anders dan tot 1 januari 2004 bij het voorwaardelijk ontslag het geval was, moet de patiënt zich expliciet bereid verklaren tot naleving van de voorwaarden. Tegelijk met de invoering van de voorwaardelijke machtiging, is echter ook de regeling van het voorwaardelijk ontslag in de wet aangepast. Evenals bij de voorwaardelijke machtiging, moet de patiënt nu ook bij het voorwaardelijk ontslag zich bereid verklaren om de voorwaarden na te leven. Spoedig na de wetswijziging werd duidelijk dat een groep cliënten die onder de oude regeling gewoon thuis kon verblijven, buiten de boot dreigt te vallen en weer gedwongen in het ziekenhuis terecht dreigt te komen. Dit laatste omdat er geen voldoende bereidheid bij de patiënt zou zijn met betrekking tot de te stellen voorwaarden. Een onbedoeld neveneffect van nieuwe wetgeving, die juist een betere rechtsbescherming beoogde dan de paraplumachtiging kon bieden…

Kamervragen

Inmiddels zijn Kamervragen gesteld over het tussen de wal en het schip geraken van de cliënten die voorheen met een paraplumachtiging buiten het ziekenhuis konden verblijven, maar die in de huidige regeling niet voldoen aan de criteria voor een voorwaardelijke machtiging of voorwaardelijk ontslag, omdat zij niet expliciet de bereidheid tot naleving van de voorwaarden tonen. Uit de antwoorden van de Minister op de Kamervragen blijkt dat de oplossing gezocht moet worden in een ruime interpretatie van de bereidheid bij de patiënt tot het naleven van de voorwaarden. Voldoende is dat de rechter er vertrouwen in heeft dat de patiënt zich aan de voorwaarden zal houden, zodat het gevaar wordt afgewend. Daarvoor is niet vereist dat de patiënt instemt met het gehele behandelingsplan. Een voorbeeld van die ruime interpretatie wordt hieronder besproken (Rb Amsterdam). Maar ook zijn er uitspraken die minder toeschietelijk zijn (Rb Dordrecht), terwijl er ook nog nieuwe varianten opdoemen (Rb ’s-Hertogenbosch). Het wordt er al met al niet overzichtelijker op.

Geen instemming

De Rechtbank Amsterdam krijgt te oordelen over een voorwaardelijke machtiging voor een man, die tevoren het daarbij benodigde behandelingsplan voor akkoord heeft ondertekend. Echter, bij de zitting lijkt hij er anders over te denken en zegt hij de medicatie niet nodig te hebben. De advocaat van de man vindt dat het verzoek om die reden moet worden afgewezen. De rechtbank verleent de voorwaardelijke machtiging toch, daarbij overwegende dat het behandelingsplan wel met instemming van de patiënt is opgesteld en dat hij ook ter zitting heeft aangegeven dat hij de medicatie zal gebruiken als hij een machtiging krijgt. Op die gronden “vertrouwt de rechtbank er desondanks op dat betrokkene de voorwaarden wel zal naleven” (Rb Amsterdam 23-2-2004, BJ 2004, 18, m.nt. W. Dijkers).

Stok achter de deur

Voor een vrouw die met voorwaardelijk ontslag in een beschermde woonvorm verblijft, wordt een machtiging tot voortgezet verblijf verzocht. De vrouw heeft geen ziektebesef en vindt behandeling niet nodig, maar met de ‘stok achter de deur’ van de rechterlijke machtiging accepteerde zij toch de medicatie. Het ziekenhuis wil de bestaande constructie voortzetten en vraagt met dat doel verlenging van de machtiging aan. De rechtbank wijst het verlengingsverzoek af omdat paraplumachtigingen niet meer behoren te worden verleend nu de voorwaardelijke machtiging is ingevoerd. Bovendien, zo stelt de rechtbank, kan een ‘gewone’ machtiging evenmin worden verleend omdat het daarbij de bedoeling is om de patiënt op te nemen en er vooralsnog geen gevaar is dat opname noodzakelijk maakt. In de zijlijn merkt de rechtbank nog op dat ook een voorwaardelijke machtiging niet zou zijn verleend indien de officier van justitie daarom had verzocht, omdat de vrouw had verklaard dat zij de in het behandelingsplan opgenomen medicatie niet meer wilde slikken en bovendien de daarin aangewezen behandelaar afwees. De rechtbank onderkent weliswaar dat de vrouw de stok achter de deur van een rechterlijke machtiging nodig heeft en dat de constructie van het voorwaardelijk ontslag in haar geval goed bleek te werken, maar constateert dat er geen wettelijke mogelijkheid (meer) is om deze te verlenen (Rb Dordrecht 9-2-2004, BJ 2004, 10, m.nt. A. Blok). 

In een vergelijkbaar geval koos dezelfde rechtbank twee weken later voor een andere oplossing. Voor een patiënt die met een paraplumachtiging thuis verblijft, wordt primair een voorwaardelijke machtiging verzocht. Voor het geval de rechtbank deze niet verleent, wordt een machtiging tot voortgezet verblijf verzocht. De rechtbank wijst de voorwaardelijke machtiging af, omdat de patiënt weigert in te stemmen met het behandelingsplan. Ook heeft de patiënt aangegeven direct met de medicatie te zullen stoppen indien geen machtiging wordt verleend. De rechtbank overweegt vervolgens dat het niet mogelijk is om de paraplumachtiging te verlengen, maar verleent niettemin de machtiging tot voortgezet verblijf. De rechtbank geeft daarbij aan dat de patiënt dan wel opgenomen dient te worden, maar dat aan hem opnieuw voorwaardelijk ontslag kan worden verleend. Ook hier constateert de rechtbank dat de paraplumachtiging in dit geval een goede oplossing bood, maar dat “thans een wettelijke mogelijkheid voor de noodzakelijke behandeling onder drang die een opname voorkomt ontbreekt” (Rb Dordrecht 23-2-2004, BJ 2004, 21, m.nt. W. Dijkers).

Opschortende voorwaarde

De Rechtbank ’s-Hertogenbosch introduceert een geheel eigen variant van de voorwaardelijke machtiging. Voor een man wordt een voorwaardelijke machtiging verzocht, die de rechtbank verleent onder de opschortende voorwaarde dat de patiënt gevaar veroorzaakt dan wel dat hij zich niet houdt aan de in het behandel- en noodplan opgenomen behandeling en voorwaarden. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat de man zich onder behandeling dient te stellen van een psychiater (Rb ’s-Hertogenbosch 26-2-2004, BJ 2004, 22, m.nt. W. Dijkers). Vervolgens verleent dezelfde rechtbank voor een vrouw die met voorwaardelijk ontslag buiten het ziekenhuis verblijft een machtiging tot voortgezet verblijf onder de opschortende voorwaarden dat zij haar medicatie weigert, de afspraken met de behandelaars of de afspraken die gelden in haar woongroep niet nakomt of suïcidale uitspraken doet (Rechtbank ’s-Hertogenbosch 8-3-2004, BJ 2004, 23, m.nt. W. Dijkers).

Beide bovenstaande uitspraken van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch zijn opmerkelijk. Ten aanzien van de voorwaardelijke machtiging onder opschortende voorwaarde kan worden opgemerkt dat deze variant niet strookt met de bedoelingen van de wetgever. De voorwaardelijke machtiging is een feit vanaf het moment dat de rechtbank deze verleent: vanaf dat moment moet de patiënt immers de voorwaarden naleven. De machtiging tot voortgezet verblijf onder opschortende voorwaarden is in feite de “niet ten uitvoer te leggen machtiging” uit de beschikking van de Hoge Raad d.d. 6-10-2000 (kBJ 2000, 56), waaraan wij destijds aandacht besteedden in de PVP-krant van winter 2000 (nr. 3, p. 14/15). Inmiddels heeft de wetsgeschiedenis geleerd dat de wetgever zich distantieert van deze door de Hoge Raad geïntroduceerde variant en de voorwaardelijke machtiging daarvoor in de plaats wilde stellen. De geïnteresseerde lezer verwijzen wij naar de annotaties van Dijkers onder genoemde uitspraken in het tijdschrift Bopz Jurisprudentie (BJ).

(On)voorwaardelijk ontslag

Een man wordt met een inbewaringstelling opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Aansluitend wordt een voorlopige machtiging verleend. Ruim twee weken later wordt de man uit het ziekenhuis ontslagen. Er worden hem geen voorwaarden meegedeeld. Op de dag van zijn ontslag stuurt zijn advocaat een fax naar het ziekenhuis met de mededeling dat de machtiging als opgeheven wordt beschouwd. Het ziekenhuis reageert niet op de fax. Drie weken daarna ontvangt de man een geantedateerde brief van het ziekenhuis met voorwaarden met betrekking tot zijn ontslag. Zo’n drie maanden later wordt de man weer gedwongen opgenomen op grond van de (volgens hem en zijn advocaat niet meer bestaande) voorlopige machtiging. Het ziekenhuis verzoekt vervolgens een machtiging tot voortgezet verblijf. De man stelt bij de rechtbank dat dit niet kan, aangezien er helemaal geen voorlopige machtiging meer bestaat. Door hem met ontslag te laten gaan is immers de voorlopige machtiging opgeheven. Het ziekenhuis stelt dat destijds aan de man slechts voorwaardelijk ontslag is verleend en dat de voorlopige machtiging dus nog wel degelijk bestaat. De rechtbank overweegt dat de Wet Bopz een duidelijk onderscheid maakt tussen een ontslag met voorwaarden en een ontslag zonder voorwaarden. Een onvoorwaardelijk ontslag betekent dat er geen bemoeienis meer is met de patiënt; is bemoeienis nog wel nodig, dan dient het ziekenhuis voorwaardelijk ontslag te verlenen. In dit geval rest geen andere conclusie dan dat aan de man onvoorwaardelijk ontslag is verleend, aangezien vaststaat dat er bij zijn ontslag geen voorwaarden zijn besproken, noch op andere wijze aan hem is duidelijk gemaakt welk karakter aan het ontslag diende te worden toegekend. Bovendien is niet voldaan aan de verplichtingen van de geneesheer-directeur, waaronder het verstrekken van een schriftelijke verklaring dat (voorwaardelijk) ontslag is verleend. Het drie weken later nasturen van een brief met voorwaarden heft deze gebreken niet op. De rechtszekerheid verlangt dat personen waaraan ontslag wordt verleend niet in het ongewisse worden gelaten over de Bopz-maatregel die voor hen van toepassing is, aldus de rechtbank. In dit geval is dat wel gebeurd, hetgeen uitsluitend te wijten is aan de handelwijze van het ziekenhuis. Omdat door het ontslag van de man uit het ziekenhuis de voorlopige machtiging opgeheven is, kan er geen machtiging tot voortgezet verblijf verleend worden. Het verzoek wordt afgewezen (Rb ’s-Gravenhage 23-2-2004, BJ 2004, 28).

Opmerking verdient dat de rechtbank met deze uitspraak in wezen ook vaststelt dat de heropneming op basis van de – immers opgeheven - voorlopige machtiging onrechtmatig is geweest. Een forse schadevergoeding lijkt hiermee in het verschiet te liggen.

AB


VERHAAL CLIËNT

Naar het Tuchtcollege

De patiëntenvertrouwenspersoon ondersteunt niet alleen cliënten bij hun vragen en klachten, maar kan ook de mentor van een cliënt bijstaan. Een mentor wordt door de kantonrechter aangesteld op grond van de Wet mentorschap. Het is zijn taak om de belangen van niet-vermogensrechtelijke aard waar te nemen. Hij doet dit als de betrokken cliënt ten gevolge van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of blijvend niet in staat is of bemoeilijkt wordt deze belangen zelf goed waar te nemen. Het kan dan ook gaan om het nemen van beslissingen die de behandeling betreffen. Een man komt mijn kamer binnen en stelt zich voor als Johan. Zijn vriend Jack is sinds enkele weken opgenomen. Johan bezoekt zijn vriend dagelijks. Hij vraagt of ik Jack niet ken, maar ik heb hem nooit gezien. Jack heeft veel problemen met zijn behandelaar, legt Johan uit. Ook hij zelf ergert zich aan deze behandelaar. Jack kan zijn klachten niet zelf onder woorden brengen. Johan vindt dat Jack er slecht aan toe is. Deze vindt dat zelf ook, zo heeft hij zijn vriend duidelijk gemaakt. Met andere medicatie zou het een stuk beter gaan: Johan heeft onderzoek gedaan naar de behandeling van mensen die dezelfde diagnose hebben als Jack. Hij kwam erachter dat in een andere instelling heel andere medicatie wordt gegeven, met goede resultaten. Johan had dit verteld aan de behandelaar, maar die wilde er, ondanks aandringen van Johan, niet van weten. Dit frustreert Johan enorm. Een tweede klacht die Johan en Jack hebben, gaat over de bejegening. De behandelaar gedraagt zich autoritair. Hij had gezegd, dat ”de houding van Jack gevolgen kan hebben voor zijn rechtspositie”. Ook de houding van Johan kan nadelig zijn voor Jack, volgens de behandelaar. Johan is erg boos hierover en laat het er niet bij zitten. Ten slotte wil Jack een computer op zijn kamer, zodat hij kan mailen en chatten met familie en vrienden. Ook dat wordt door de behandelaar geweigerd. Zij vragen zich af of een behandelaar dit mag weigeren. Het is toch gewoon een moderne manier van communiceren, die je niet zomaar mag tegenhouden? Als het ziekenhuis die computer nou zou moeten betalen, konden ze zich enige bezwaren wel voorstellen, maar dat is ook niet het geval: Johan zou voor een computer zorgen. Ik vertel dat het eventueel beperken van chatten niet in de wet is geregeld, misschien zou een vergelijking met de regeling van het telefoonverkeer opgaan. Ik leg hem uit wanneer dit beperkt mag worden, en dat dit ook nog alleen voor gedwongen opgenomen cliënten geldt. Johan gaat het gesprek met de behandelaar van Jack hierover voeren. Hij doet dit alleen.

Twee dagen na het gesprek komt Johan langs. Hij heeft Jack meegenomen voor een wandeling en wil mij kennis met hem laten maken. Een vriendelijke man geeft mij een hand. Tijdens het gesprek wordt mij duidelijk dat Jack zijn belangen niet zelf kan behartigen. Johan legt uit dat het gesprek met de behandelaar van Jack niets heeft opgeleverd; over de man pratend komt er bijna stoom uit zijn oren: “Daar valt niet mee te overleggen. Maar ik laat het er niet bij zitten”, roept Johan vol vuur. Ik vertel hem, dat hij het hogerop kan zoeken in de organisatie. De geneesheer-directeur is dan de aangewezen persoon. Aan hem kan Johan een brief schrijven met al zijn klachten. Als dat niet naar tevredenheid wordt beantwoord, is er nog de mogelijkheid van de klachtencommissie. Johan wil meer weten over die klachtencommissie. Ik vertel hem, dat de klachtencommissie gedeeltelijk onafhankelijk is: alleen de voorzitter en de vice-voorzitter zijn niet aan de instelling verbonden. Johan fronst zijn wenkbrauwen. Ik leg verder uit hoe het bij de klachtencommissie in z’n werk gaat, en dat ik hem eventueel kan ondersteunen: de taak van de pvp tijdens een zitting is ervoor te zorgen dat de belangen van de cliënt voldoende aan bod komen. De klachtencommissie kan de klachten gegrond, ongegrond of gedeeltelijk gegrond verklaren. Johan heeft mij aangehoord, maar hij vindt het maar niks dat de klachtencommissie verder geen macht heeft om iets te doen. Hij wil dat de behandelaar echt merkt dat wat hij gedaan heeft niet door de beugel kan. Hij moet op zijn nummer worden gezet. De klachtencommissie vindt Johan geen goed idee. Ik vertel hem vervolgens over het Medisch Tuchtcollege. Daar staat centraal of de behandelaar in strijd heeft gehandeld met de zorg die hij behoorde te betrachten ten opzichte van de patiënt. Het Medisch Tuchtcollege heeft de keuze uit een aantal uitspraken. Het kan een waarschuwing of een berisping geven of een geldboete van maximaal 4500 euro opleggen. En het College kan een behandelaar tijdelijk of voorgoed verbieden zijn beroep nog uit te oefenen. Dit is wat Johan wil: naar het Tuchtcollege! Johan krijgt van mij het advies in dat geval een goede advocaat in de arm te nemen. Dat zal hij doen. Ik geef hem twee namen. Hij is tevreden met wat ik hem heb verteld, en hij belooft mij op de hoogte te houden. Lange tijd hoor ik niets, maar ruim een jaar later belt Johan me op. Hij is naar het Medisch Tuchtcollege geweest. Hij had een aantal klachten ingediend, maar kreeg niet op alle punten gelijk. Wel concludeerde het College, dat de behandelaar “was tekortgeschoten in de zorg die hij als arts ten opzichte van de patiënt c.q. de klager behoorde te betrachten.” De behandelaar kreeg een waarschuwing. Ondertussen werkt de behandelaar niet meer in hetzelfde ziekenhuis en is Jack overgeplaatst naar een andere instelling. Johan vertelt dat het nu een stuk beter met Jack gaat en dat alle spanning van het afgelopen jaar verdwenen is. (Jack en Johan zijn gefingeerde namen, ter bescherming van de privacy van beiden.)

MF