|
Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg
15e jaargang nummer 1 voorjaar 2005
Inhoudsopgave
Voorwoord
Geachte lezer,
Voor u ligt de eerste PVP-krant van 2005. Als u ons blad regelmatig leest, kent u de
thema's die ons na aan het hart liggen. Naast een thema als dwang en drang
waar u ook deze keer weer over kunt lezen, vragen wij vooral aandacht voor de ervaringen
van cliënten, ervaringen die vaak in contrast blijken te staan met protocollen en
richtlijnen. In dit voorjaarsnummer schrijven wij over de wachtlijsten voor mensen die in
afwachting zijn van een plek voor beschermd wonen. Er zijn normen gesteld door
zorgverzekeraars en zorgaanbieders: een maximaal aanvaardbare wachttijd van 13 weken. Een
termijn die in de praktijk bij één op de drie onderzochte instellingen ruim wordt
overschreden! Bijna tien jaar geleden trad de Kwaliteitswet zorginstellingen in werking.
Zo op het oog een klein wetje, dat nauwelijks twee A-viertjes omvat. Mogelijk dat dit een
oorzaak ervan was dat deze wet de eerste jaren aan de aandacht van veel zorginstellingen
ontsnapte. Brancheorganisatie GGZ Nederland spant zich er al jaren voor in dat haar leden
voldoen aan al dan niet wettelijk verplicht gestelde kwaliteitscriteria, onder andere
vanwege artikel vier van deze Kwaliteitswet. Dat heeft geleid tot de oprichting van de
Stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling Zorgsector (HKZ) in 2001. De Stichting heeft
een kwaliteitssysteem ontworpen dat voldoet aan internationale ISO-9001 normen: een
ISO-certificaat om de kwaliteit van zorg te meten. Op de HKZ-site staat dat een van de
doelstellingen van dit certificaat is, ervoor te zorgen dat de patiënt altijd centraal
staat. Dat is goed. Maar dat betekent niet dat wij achterover leunen. Voorlopig blijven
wij schrijven over onwaarschijnlijke zaken, die toch echt gebeurd zijn, zoals u kunt lezen
in het verhaal van de pvp. En we blíjven signalen schrijven zolang de verpleging nog te
vaak in het kantoor te vinden is. De pvp heeft binnenkort, naast alle wet- en regelgeving
waaraan hij kan refereren, nog méér in handen om de norm te spiegelen aan de praktijk:
het ISO-zorgcertificaat. We komen er op terug.
Arianne de Geus, pvp
Wachten op beschermd wonen
De verstopping van de psychiatrie
Cliënten in de geestelijke gezondheidszorg verblijven soms maanden tot jaren op een
afdeling waar ze niet meer thuishoren. Ze wachten op een plaats binnen de langdurige zorg
of het beschermd wonen. De lange wachttijden zijn ook veel ziekenhuismedewerkers een doorn
in het oog. Sommige cliënten wachten langer dan vier jaar. Uit een inventarisatie binnen
32 behandelafdelingen, blijkt dat een kwart van de patiënten op een wachtlijst staat.
Jan, een cliënt van 47 jaar, staat op de wachtlijst voor een beschermde woonvorm.
Ik sta al zo lang op de wachtlijst dat ik niet eens meer weet hoe lang zegt
hij vermoeid. Als je het wilt weten, bel je maar met mijn behandelaar. Vorig jaar
werd gezegd: het wordt uiterlijk februari, daarna werd gezegd: april, toen moest ik geduld
hebben tot juli, want er zijn veranderingen binnen de organisatie op komst, en daarna werd
het oktober. Ik geloof er nu niks meer van, want nu is het al 2005. Koppijn, koppijn,
krijg ik er van. Het wachten duurt zo lang, dat ik soms niet meer wachten wil
.
Wachttijden
Veel cliënten hebben te maken met de lange wachttijd. De Stichting PVP vroeg op
tweeëndertig afdelingen hoeveel cliënten op de wachtlijst voor langdurige zorg en
begeleid wonen staan. Maar liefst 24% van de 870 cliënten die op deze afdelingen
verblijven, wacht op doorplaatsing naar langdurige zorg of beschermd wonen. Ook de
gemiddelde wachttijd is lang. De wachttijden variëren per afdeling van gemiddeld één
maand tot achttien maanden. Bij een derde van de bezochte afdelingen wachten cliënten
gemiddeld meer dan een jaar op doorplaatsing. Er zijn zelfs cliënten die ruim vier jaar
wachten. Een pvp vertelt: Er zijn veel mensen die wachten op doorplaatsing naar een
woonvoorziening. Men doet veel moeite om mensen zelfstandig te laten wonen. Als blijkt dat
het zelfstandig wonen heel erg moeizaam gaat, worden cliënten op de wachtlijst voor
beschermd wonen gezet, en zo groeit van lieverlee de lijst. Er blijkt een groeiende vraag
te zijn waarin niet kan worden voorzien.
Beschermd wonen
Beschermd Wonen werd in 1984 officieel erkend als een nieuwe zorgvorm. Het biedt een
beschermende woonomgeving en begeleiding aan langdurig psychisch gehandicapten. Naast
ondersteuning bij het wonen, wordt er ook vaak steun geboden bij dagbesteding, toeleiding
naar de reguliere arbeidsmarkt en bij vrijetijdsbesteding. Over het hele land zijn
beschermde woonvormen. Deze woonvormen bevinden zich over het algemeen in een wijk van een
dorp of stad. Sommige woonvormen zijn onderdeel van een grotere ggz-instelling, andere
zijn zelfstandig en worden ook wel Regionale Instelling voor Beschermd Wonen (RIBW)
genoemd. Cliënten wonen vaak in kleine woongroepen (twee tot ongeveer vijftien personen).
Deze groepen verschillen in de mate van zelfstandigheid en begeleiding. Er zijn ook
woongroepen voor bijzondere doelgroepen, zoals onder andere voor mensen met Korsakov,
mensen met een dubbele handicap (psychisch en lichamelijk) en voor jongeren en
jongvolwassenen.
Normen
Zorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben normen opgesteld voor aanvaardbare
wachttijden. Voor beschermd wonen is de maximaal aanvaardbare wachttijd dertien weken.
Hierbij geldt dat 80 % van de cliënten al binnen acht weken bij de beschermde woonvorm
terecht zou moeten kunnen. Op de afdelingen die wij onderzochten, wordt deze aanvaardbare
wachttijd ruimschoots overschreden.
Marijke, 30 jaar: Ik sta ongeveer 10 maanden op de wachtlijst voor een RIBW. Ik
wil daar heel graag naar toe. Weet je, ik heb al eens in een RIBW gewoond, zegt zij
triomfantelijk. Maar, op een gegeven moment werd ik te onrustig en moest ik weer
worden opgenomen. De opname duurde te lang, dus ik raakte mijn plaats in de RIBW kwijt. Nu
sta ik dus weer op de wachtlijst voor een RIBW.
Geïndiceerde zorg
Goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorg op de persoon toegesneden is. Lange
wachttijden op verkeerde afdelingen betekent veelal dat cliënten niet de kwalitatieve
zorg ontvangen waar ze recht op hebben. De cliënten ontvangen tijdens hun wachttijd wel
zorg, maar niet die waarvoor ze geïndiceerd zijn. Deze problematiek is al langer bekend.
Uit een inventarisatie van GGZ Nederland blijkt dat op 1 januari 2003 driekwart van het
aantal wachtenden op een plaats in een beschermde woonvorm een vorm van extramurale of
intramurale zorg ontving. Behalve dat de cliënten moeten wachten op de geïndiceerde
zorg, houden zij ook een plaats voor anderen bezet. Dit levert ook voor
ziekenhuismedewerkers veel onvrede op.
Een hulpverlener vertelt: "Een cliënte staat al meer dan een jaar op de
wachtlijst voor langdurige zorg. Er is geen enkele beweging in de zorglijn. Zij is nu op
een afdeling voor crisisinterventie, waar eigenlijk alleen cliënten worden opgenomen voor
kortdurende zorg. Hierdoor kunnen we minder crisisopnames doen. De afdeling voor
langdurige zorg onderneemt geen actie om haar op te kunnen nemen, bijvoorbeeld door te
schuiven met bedden. Binnen de organisatie neemt niemand initiatief om dit probleem aan te
pakken en op te lossen."
De meeste ziekenhuismedewerkers die wij om hun mening vroegen, zijn bezorgd over de
trage doorstroom. De doelgroep blijkt in de afgelopen jaren flink te zijn gegroeid.
Verschillende medewerkers geven aan dat hun kliniek overvol is en dat de uitstroom naar
woonvormen stokt. Er is veel meer vraag naar het beschermd wonen dan aanbod. Veel
ziekenhuismedewerkers klagen er dan ook over dat zij weinig invloed kunnen uitoefenen op
de doorstroom van hun cliënten. Een enkel ziekenhuis start zelf nieuwe units voor
langdurige zorg. In ziekenhuizen waar dat niet mogelijk is bellen medewerkers constant
naar het beschermd wonen met de vraag of er al een plaats voor hun cliënten beschikbaar
is. Een medewerker: Na aanmelding blijf ik alert en vraag geregeld of er al een plek
vrijkomt, of dat men al een indicatie kan geven van de periode dat de patiënt moet
wachten. Kortom, ik houd het lijntje warm. Een andere medewerker stelt dat door de
golf van transmuralisering het aantal bedden voor langdurige zorg is afgebouwd. Nu komen
de mensen voor wie die transmuralisering niet haalbaar is gebleken weer terug. Deze
medewerker wil dat dit probleem sectorbreed aandacht krijgt in de hoop dat doorplaatsing
makkelijker wordt.
Verstopping
Hoewel de wachtlijstproblematiek in de meeste instellingen de aandacht heeft, hebben
zij grote moeite om de wachtlijsten te verminderen. Een hulpverlener vertelt: Er is
een volledige verstopping in de instelling. Er worden functie-indicaties voor cliënten
afgegeven, maar de instelling beschikt niet over die speciale woon- of zorgvorm of er zijn
geen bedden vrij. In onze regio zijn onvoldoende mogelijkheden om cliënten naar een RIBW
over te plaatsen. Er is wel overleg met de RIBW, maar het valt niet onder één bestuur en
daardoor is het moeilijker om het een en ander te beïnvloeden. Het Regionaal Indicatie
Orgaan (RIO) indiceert de cliënten, maar de ontvangers (RIBW, BW en Begeleid Zelfstandig
Wonen) laten het afweten. De enige mogelijkheid die wij hebben is wat sturen op je eigen
wachtlijst, maar dan is het meer van als jij die cliënt neemt, dan neem ik jouw
cliënt of cliënt Y is urgenter dan cliënt Z, die eigenlijk al iets langer
op de wachtlijst staat´. Er is ook geen samenwerking met de woningbouwverenigingen om
zelfstandige huisvesting te bespoedigen. Het aantal geschikte woningen is erg
beperkt.
Inventarisatie Wachtlijsten
De overheid krijgt groeiende aandacht voor het wachtlijstprobleem. In 2000 is door het
ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Zorgverzekeraars Nederland en GGZ
Nederland een plan van aanpak wachtlijsten ggz opgesteld. Als onderdeel van
dit plan van aanpak zijn de wachtlijsten en wachttijden in de ggz geïnventariseerd. Er
stonden op 1 januari 2004 in totaal 66.300 cliënten op een wachtlijst voor een
ggz-instelling. De gemiddelde wachttijd voor beschermde woonvormen bedroeg meer dan 20
weken. Volgens Minister Hoogervorst van VWS wordt de lange wachttijd bij het beschermd
wonen veroorzaakt door krapte op de woningmarkt. De Minister zegt de Tweede Kamer toe om
zich bij gemeenten en het Ministerie van VROM sterk te maken voor een evenredig aandeel
van woningen voor de beschermd wonen doelgroep. Staatssecretaris Ross-Van Dorp geeft in
een brief van 13 december 2004 gericht aan de Tweede Kamer aan, dat er naar schatting tot
en met 2010 behoefte is aan 16.600 extra plaatsen beschermd wonen. Het gaat hierbij niet
alleen om beschermd wonen voor mensen met psychische aandoeningen, maar ook om beschermd
wonen voor mensen die bijvoorbeeld verpleeghuis- of verzorgingshuiszorg nodig hebben. Om
dit te realiseren zijn er inmiddels bouwplannen ingediend die tot 2010 een groei van
16.000 plaatsen omvatten. Tot die tijd blijft het helaas voor veel cliënten wachten op
hun woonvorm.
AvD/CvdB
Minder separeren blijkt mogelijk!
Cultuuromslag binnen de psychiatrie?
De Wet Bopz (Bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen) bestond in 2004 tien
jaar. Een dubbel lustrum. Maar voor cliënten die met dwangmaatregelen te maken krijgen,
is dit nog geen reden tot feest. Het afgelopen jaar is er veel gediscussieerd over
toepassing van dwang en drang in de geestelijke gezondheidszorg en over wijziging van de
wet om meer mogelijkheden te hebben tot dwangopneming en dwangbehandeling. Uiterste
zorgvuldigheid is geboden bij het nemen van dwangmaatregelen: er is hier immers sprake van
een rechtstreekse inbreuk op de persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit. Op deze
paginas aandacht voor het project Dwang en drang in de psychiatrie. Eind
2004 werd dit project afgesloten met een congres, waarop vooral het dwangmiddel separatie
centraal stond. Het was een project met opmerkelijke en verheugende resultaten!
Bij de tweede evaluatie van de Wet Bopz in 2002 zijn tal van aanbevelingen gedaan
waaronder de aanbeveling dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg haar toezicht op de
naleving van de interne rechtspositieregeling moest intensiveren. Na deze evaluatie van de
Wet Bopz heeft de Inspectie in 2003 een onderzoek naar dwang en drang in de psychiatrie
gedaan en de resultaten in een rapport gepubliceerd. Veel aandacht was er in dit rapport
voor de preventie van dwang.
Landelijk project
Terwijl de Inspectie bezig was met haar onderzoek ging in 2002 het project Dwang
en Drang in de ggz van start. Twaalf ggz-instellingen in Nederland namen deel aan
dit tweejarig project dat als doel had het aantal dwangmaatregelen binnen de eigen
organisatie terug te dringen en de zorgvuldigheid in de toepassing ervan te vergroten. De
grote vraag die men zich stelde was: 'Hoe kan het gebruik van separeercellen worden
teruggebracht?
Kwaliteitscriteria
Om dwang - en met name separaties - terug te dringen zijn een achttal
kwaliteitscriteria ontwikkeld. Een voorbeeld van een kwaliteitscriterium is het
reflecteren op het gebruik van de verschillende soorten dwang om het juiste
dwangmiddel te kiezen in een noodsituatie. Daarnaast is vermindering van dwang door
bijvoorbeeld alternatieve vormen van bejegening ook onder de aandacht gebracht. Cliënten
leggen vooral de nadruk op het voorkomen van dwang. Dit zou kunnen door het aanbieden van
dagbestedingactiviteiten, het creëren van meer rust en sfeer op de afdeling en het meer
toegankelijk zijn van personeel. De belangrijkste conclusie na afloop van het project is,
dat dit terugdringen mogelijk blijkt te zijn: op sommige afdelingen is men erin geslaagd
het aantal dwangmaatregelen te verminderen met wel zeventig procent! Zo wist men op de
afdeling Siependaal van De Gelderse Roos het separeren zo goed als af te schaffen. Ook op
een aantal andere plaatsen boekte men indrukwekkende resultaten.
Vermindering separatie
De afgelopen drie jaar is het RPC in Zeist (onderdeel van Altrecht, een grote
ggz-instelling in de provincie Utrecht) een van de instellingen geweest die meegedaan
heeft aan het project. Het team van de gesloten opnameafdeling heeft kans gezien de
hoeveelheid separaties met veertig procent te verminderen. Over het project vertellen
verpleegkundigen Jean Vandeninden, Linda van Hengstum en Erik Smid en afdelingsmanager Ad
Koole. De eerste stap van het project was het in kaart brengen hoe er over separatie werd
gedacht op de afdeling. Conclusie was dat in de praktijk van alledag wordt overgegaan tot
separatie als er sprake is van een escalatie of onhanteerbare situatie op de afdeling,
bijvoorbeeld ten aanzien van gevaar voor de cliënt zelf of anderen, of als een cliënt
zichzelf uitput. Daarnaast keek RPC Zeist hoe de ons omringende landen met deze
problematiek omgaan. Duidelijk werd dat in Nederland relatief het vaakst gebruikt gemaakt
wordt van de separeer. Als gevolg van de discussie over het thema separeren veranderde de
visie van het team hierover. Separeren wordt nu in het team als een probleem gezien,
als iets dat we zo veel mogelijk dienen te voorkomen. Een belangrijke aanleiding hiervoor
is het feit dat patiënten vaak grote moeite met het verblijf in de separeer hebben.
Separeren heeft veelal een sterk negatieve invloed op de vertrouwensband tussen
verpleegkundigen en patiënten. Dat is absoluut niet in het belang van een goede
behandeling. Vermindering van de hoeveelheid separaties heeft het behandelklimaat op de
afdeling sterk verbeterd.
Alternatieven
Andere invalshoeken krijgen nu ook aandacht, zoals eerder en bewuster medicatie geven
of hand-in-hand begeleiding. Daarnaast is er aandacht en begrip voor de situatie waarin
patiënten zich bevinden op een gesloten opnameafdeling. Ook is er meer ruimte voor
patiënten om hun ongenoegen hierover te uiten. We gaan veel bewuster om met de
machtsverschillen die er zijn, erkennen die en spreken ze ook uit naar de patiënten. En
gedrag waar veel patiënten in de groep last van hebben, wordt eerder aangepakt. In
de praktische fase van het project werd er twee jaar lang één vroege en één late
dienst extra ingezet. Daarnaast werd er wekelijks een separeerbespreking gehouden, werd er
goede registratie bijgehouden en hebben medewerkers een cursus interactieve
vaardigheden gevolgd. In de separeerbespreking wordt kritisch teruggekeken
naar de separaties van de afgelopen week. Wat was de aanleiding van de separatie, welke
interventies werden toegepast om separatie te voorkomen en hoe verliep de mobilisatie. Van
deze bespreking worden notulen gemaakt, die ook naar de artsen gaan. Deze bespreking is
voor het verpleegkundig team heel belangrijk en inspirerend.
De cijfers
Er zijn een aantal zeer duidelijke ontwikkelingen te melden. In 2001 werden patiënten
uit de subregio Zeist 492 dagen gesepareerd, in 2004 was dat teruggelopen naar 295. Dat is
ongeveer 40 % minder. Een ander belangrijk effect is dat de duur van de separatie in drie
jaar tijd met 50 % is afgenomen; er wordt veel eerder gemobiliseerd. Hoewel men werkt met
standaard mobilisatieprogrammas is het team tegenwoordig zo goed op elkaar
ingespeeld, dat hiervan afgeweken wordt als de situatie van patiënt en afdeling dit
toelaten. Gevolg is dat patiënten veel minder tijd doorbrengen in de separeer.
Behandelklimaat
Het verschil is ook in de sfeer merkbaar. In het algemeen is er grote tevredenheid bij
zowel patiënten als personeel. Het aantal klachten over separatie en bejegening is fors
afgenomen. Toch zijn we ons ervan bewust dat we niet op onze lauweren kunnen gaan
rusten. Constante aandacht voor separatie en hier bewust mee omgaan is noodzakelijk. De
ontwikkeling gaat ook wel eens trager dan we willen of soms zelfs wat achteruit. Men
ziet het als een professionele uitdaging om het aantal separaties nog verder terug te
dringen, liefst tot nul.
Achttienduizend keer per jaar gesepareerd
Het congres dat als afsluiting van het project Dwang en Drang op 7 december
2004 in Ede werd gehouden, ging ook vooral over het separeren van psychiatrische
patiënten. Het waren de cijfers die voor de meeste ophef zorgden. Het is voor het eerst
dat er cijfers beschikbaar zijn over de aard en de omvang van dwangmaatregelen binnen de
psychiatrie. 25.000 dwangtoepassingen per jaar, waarvan er 18.000 keer per jaar iemand
wordt gesepareerd. Dat betekent: ruim 49 keer per dag wordt er in Nederland een patiënt
gesepareerd.
Verwarring
De pogingen tijdens het project tot het terugdringen van dwangtoepassingen leidde ook
tot bepaalde verwarring. Hoewel men in Roosenburg (Altrecht) er bijvoorbeeld goed in
slaagde het aantal separaties terug te dringen, hadden de separeercellen toch net zo vol
gezeten als voorgaande jaren, maar zo bleek: met patiënten van andere afdelingen. In GGZ
Noord-Holland Noord was de behandelaars op het hart gedrukt om in een eerder stadium
dwangmedicatie te overwegen. Dat leidde, zo vertelde men in een van de workshops tijdens
het congres, tot onzekere behandelaars, correspondentie met de klachtencommissie en
geruststelling van de Raad van Bestuur, dat men echt niet klachtwaardiger zou handelen.
Resultaat in deze instelling was: voor het gevoel was niet vaker dwangmedicatie gegeven,
en feitelijk was er wel minder gesepareerd. Als we naar de cijfers in Nederland kijken,
dan is er nog geen reden om te juichen. De Inspectie constateert dat het aantal
dwangtoepassingen in 2003 met 6,6 % is toegenomen ten opzichte van 2002 (cijfers over 2004
zijn nog niet bekend). Als we echter kijken naar de resultaten van de projecten die men
deze dag presenteerde, is er wel reden tot vreugde. Het kan wel degelijk, minder
separeren. Het is zaak dwang en drang zo min mogelijk toe te passen, en als het toch echt
nodig is, om dan de beslissing zo zorgvuldig mogelijk te nemen aan de hand van de
kwaliteitscriteria. Andrée van Es, voorzitter van GGZ Nederland, riep tijdens het congres
op tot terugdringing van het aantal separaties met 10 % per jaar: Dat kan door de
zorg voor patiënten met ernstige psychiatrische problemen onder te brengen in een
intensive-care omgeving." Gezien de stijging van de gedwongen opnames van de afgelopen
jaren en de bezuinigingen is dit een echte uitdaging.
Cultuuromslag
De toekomst van dergelijke projecten na afsluiting het project Dwang en Drang in
de ggz is echter onzeker: er dreigt geen geld meer voor beschikbaar te zijn.
Zon project staat of valt immers met de extra verpleegkundigen die met behulp van
dit geld kunnen worden ingezet. Er wordt daarom gezocht naar andere financiering. Zo is
men bijvoorbeeld in Altrecht in de provincie Utrecht bezig om het project organisatiebreed
te promoten. Het zou mooi zijn als dat lukte. Want de effecten van die grotere aandacht
voor preventie en alternatieven hebben geleid tot wat terecht een cultuuromslag te noemen
is: waar men eerst separatie een normale maatregel vond, wordt dit nu als een probleem
gezien. Het is eeuwig zonde als geldgebrek de oorzaak zou zijn terugvallen in oude
behandelgewoonten.
Boek
Tijdens het congres het boek Dwang en drang in de Psychiatrie; Kwaliteit van
vrijheidsbeperkende interventies' gepresenteerd. Dit boek is een bundeling van de
resultaten van het tweejarig project, met daarin een gedetailleerd verslag van de
verschillende activiteiten en resultaten. (Uitgeverij Lemma 2004, ISBN 90-5931-330-5.
Verkrijgbaar via de boekhandel.)
WW/AD/MF/FW/RdK
Verhaal PVP
Onwaarschijnlijke verhalen
Soms krijg ik als pvp een verhaal te horen dat me erg onwaarschijnlijk in de oren
klinkt. Het verhaal van Petra bijvoorbeeld kon ik moeilijk geloven. Het gaat als volgt.
Petra is opgenomen met een strafrechtelijke machtiging. Ze verblijft op een gesloten
afdeling en wordt sterk in haar vrijheid beperkt. Petra heeft het heel erg moeilijk met
deze beperkingen. Ik me kan voorstellen dat de beperkingen Petra zwaar vallen, maar lukt
het me niet over deze beperkingen voor haar te onderhandelen. Uit de gesprekken die ik in
de loop van de tijd met Petra heb, wordt duidelijk dat ze erg eenzaam is. Het enige
contact wat ze heeft is met haar moeder, die af en toe op bezoek komt. Op een dag heeft
moeder een attentie meegenomen. Snoepjes die ze speciaal heeft gekocht omdat ze uit het
geboorteland van Petras vader komen. Petras geliefde vader is twee jaar
geleden overleden en de snoepjes doen haar erg aan hem denken. Helaas zit in de snoepjes
rum en alle vormen van alcohol zijn op de afdeling verboden. De snoepjes worden in beslag
genomen. Petra vindt dit onredelijk. Het percentage alcohol in de snoepjes is heel klein
en je kan toch nauwelijks spreken over verboden voorwerpen - die volgens de
Wet Bopz onder bepaalde voorwaarden in beslag kunnen worden genomen. Ik vind dat Petra een
sterk argument heeft en denk de snoepjes voor haar wel terug te kunnen krijgen. Maar dit
is feitelijk onmogelijk. De snoepjes zijn namelijk door de verpleegkundigen tijdens de
overdracht opgegeten! Ik geloof mijn oren niet als dit mij wordt verteld door een
verpleegkundige die zichtbaar verlegen is met de situatie. Uiteraard krijgt Petra de
verzekering dat haar schade wordt vergoed. Maar wat is in een dergelijk geval een gepaste
vergoeding? De waarde voor Petra van deze speciale snoepjes, is moeilijk uit te drukken.
Verpleegkundigen in een ggz-instelling hebben ook een voorbeeldfunctie. Het in beslag
nemen van voorwerpen die als gevaarlijk worden aangemerkt is misschien
geoorloofd. Het vervolgens opeten van deze spullen - wat in deze situatie bovendien
inhoudt dat alcohol wordt genuttigd in werktijd - is absoluut onacceptabel.
In het geval van Amber vind ik de klacht heel onwaarschijnlijk klinken, omdat deze zo
botst met de professionaliteit en deskundigheid van hulpverleners waar ik als pvp in
eerste instantie altijd vanuit ga. Amber verblijft een aantal maanden in een therapeutisch
centrum als Geert op de afdeling komt werken. Geert is een vriendelijke sociotherapeut die
zichtbaar belangstelling heeft voor de cliënten. In eerste instantie niet vervelend,
Amber vindt het juist wel prettig dat ze met Geert gesprekken heeft. Het onderwerp van de
gesprekken verandert langzaam. Geert vraagt wel vaak door naar het privéleven van Amber.
De echte argwaan komt als Geert zijn privételefoonnummer geeft als Amber met
weekendverlof gaat. Hij zou het leuk vinden om iets met Amber te gaan drinken in het
weekend. Het gevoel van Amber is dubbel; ze voelt zich gevleid door de aandacht van Geert.
Tegelijkertijd voelt het niet goed, hij is tenslotte hulpverlener op de afdeling waar
Amber als cliënt verblijft. Ze bespreekt haar twijfel met groepsgenote Karin die tot haar
verbazing vertelt eenzelfde verzoek van Geert te hebben gekregen! De twijfel slaat daarop
om in woede en beide cliënten komen bij mij met hun verhaal. Ik ben blij dat de cliënten
een klacht in willen dienen en het resultaat is niet verassend. Geert wordt geschorst en
naar zijn handelen wordt een onderzoek ingesteld. Twee maanden later hoor ik via Amber dat
Geert is ontslagen. We mogen blij zijn met het resultaat maar zeker niet met een
professional die zo duidelijk over de grens gaat.
(De namen in bovenstaande stukken zijn verzonnen en de situatie iets gewijzigd om
herkenbaarheid te verkleinen)
FSC
Interview
"Jongens, blijf er voor gáán!"
De uitgangspunten van de huidige Wet Bopz onderschrijf ik eigenlijk nog steeds,
ook al is er altijd veel kritiek geweest op die wet. Dwanginterventies zouden onmogelijk
worden, zo zei men, maar dan vergeet men dat de Bopz dwangbehandeling juist mogelijk heeft
gemaakt. Het tegendeel is dus waar en ik heb het idee dat er vandaag de dag veel meer
dwangbehandeling wordt toegepast dan in het tijdperk van de Krankzinnigenwet.
Veranderingen
Ada Blok heeft als patiëntenvertrouwenspersoon én als jurist met een paar
onderbrekingen vele jaren bij de Stichting PVP gewerkt. In het begin, en dan heb ik
het over 1986, hadden we alleen maar de Krankzinnigenwet, waarin op het gebied van de
interne rechtspositie niets was geregeld. Daarnaast waren er de erkenningseisen voor
ziekenhuizen maar die hadden geen kracht van wet, en verder hadden we nog de
referentiekaders en richtlijnen van de Inspectie. Dat was ons gereedschap en
eigenlijk was dat heel beperkt. In de loop der jaren is daar ongelofelijk veel bijgekomen,
niet alleen de Bopz en de Wgbo maar ook de Kwaliteitswet en de Medezeggenschapswet,
enzovoorts. Voor het werkveld is het daardoor wel lastiger geworden, denk ik. Aan de
andere kant, benadrukt Ada, worden de mogelijkheden van de Bopz volop benut:
natuurlijk werd er in de tijd van de Krankzinnigenwet ook wel dwang toegepast maar
terugkijkend denk ik dat het vaker om Middelen en Maatregelen ging, kortdurende
interventies, dan om dwangbehandeling. Ik heb het idee dat er tegenwoordig al heel snel in
die richting wordt gedacht als een patiënt niks wil.
Jurist
Met ruime ervaring als patiëntenvertrouwenspersoon - van 1986 tot 1991 en van 1993 tot
1996 - begon Ada halverwege het jaar 2000 als jurist op het landelijk bureau in Utrecht.
In eerste instantie was ze aanspreekpunt voor de pvpen die haar telefonisch allerlei
zaken voor konden leggen en advies vroegen over schriftelijke stukken. Na verloop van tijd
werd die taak grotendeels overgedragen aan een nieuwe jurist en ging Ada zich vooral
richten op de scholing van nieuwe pvpen en bijscholing voor zittende pvpen.
Van pvpen heb ik vaak teruggehoord dat ze konden merken dat ik zelf ook in de
praktijk heb gestaan. De wet geeft natuurlijk in lang niet alle situaties antwoord, dat is
een beperking die ik ook heb meegemaakt in de instellingen waar ik heb gewerkt.
Tegelijkertijd heeft de psychiatrie zelf ook zijn beperkingen en de machteloosheid waar
men tegenaan loopt wordt dan vaak geprojecteerd op de juristen, want die zouden er
allemaal zo moeilijk over doen. In de praktijk probeerde ik als jurist een beetje
aansluiting te vinden bij iets wat er op lijkt maar in sommige situaties heb je gewoon
geen passend juridisch antwoord. Dan moet je maar onder ogen zien dat de wet iets niet kan
oplossen en dat het tobben blijft. Voor pvpen is dat natuurlijk de dagelijkse
praktijk. Het is ook een illusie om te denken dat je als jurist alle medische
dilemmas kunt oplossen. Je kunt hooguit proberen een beetje richting te geven en mee
te denken, maar oplossen kun je het natuurlijk ook niet. Rechtspraak kan in sommige
van dergelijke situaties een oplossing bieden, denkt Ada, ook al valt dan vaak het verwijt
van onnodige juridisering te horen.
Zorgen
Alles overziend is er veel verbeterd, maar is er ook reden tot zorg. Kijk maar
eens hoeveel klachten er jaarlijks voorgelegd worden aan de rechter. Dat zijn er erg
weinig, niet meer dan enkele tientallen. Maar als je kijkt naar de cijfers van de
Inspectie dan wordt er ongelofelijk veel dwang toegepast. In 2003 hebben er ruim 14.000
dwangopnemingen plaatsgevonden en bijna 5000 toepassingen van Middelen of Maatregelen. Een
kwart van de opgenomen patiënten krijgt op de een of andere manier te maken met dwang en
dat vind ik heel veel. Tegelijk bleek uit de laatste evaluatie van de Bopz dat juist het
informeren van patiënten over het klachtrecht een ondergeschoven kindje is, terwijl wel
degelijk in de Bopz is vastgelegd dat de instelling daartoe verplicht is. Ik denk dat voor
veel patiënten de drempel om naar een klachtencommissie te gaan nog steeds hoog is, laat
staan naar een rechtbank. Er zijn maar weinig patiënten die dat aan kunnen en daarbij
speelt zeker de afhankelijkheid van de instelling een rol. Je bent natuurlijk al niet op
je best als je daar zit en om dan ook nog eens zon stap naar een klachtencommissie
of rechtbank te zetten, dat vraagt nogal wat van mensen. Op papier is het allemaal
prachtig geregeld maar de vraag is of het in de praktijk wel allemaal tot zijn recht komt.
Zeker nu ik ook heb gemerkt dat ziekenhuizen steeds creatiever worden in het toepassen van
de regels en dat ze de mazen van de wet steeds meer weten te vinden. Terugkijkend vraag ik
me wel eens af of al die wetgeving nou wel zoveel verbetering heeft gebracht voor
patiënten.
Toekomst
Ik had een hartstikke leuke baan bij de Stichting maar het kriebelde toch wel dat
ik de advocatuur weer in wilde. Daar heb ik al eerder voor gekozen maar door allerlei
persoonlijke omstandigheden is het niet zo gelopen als ik me had voorgesteld. Dat zat me
nog altijd een beetje dwars. Nu is alles op orde en heb ik die ruimte weer. De
psychiatrie is dus nog niet van Ada af. Vanaf 1 januari 2005 doet zij als advocaat
strafrecht- en letselschadezaken maar veel vooral ook gezondheidsrecht. Ik heb nu al
weer een paar Bopz-zaken lopen, heerlijk!
RH
(On)gegrond
Een cliënt uit de langerdurende zorg heeft nu werkelijk genoeg van zijn depot: iedere
twee weken weer die injectie Risperdal. En hij voelt zich er helemaal niet goed bij; het
geeft veel bijwerkingen. Per keer dat hij zijn depot krijgt, neemt zijn irritatie en
frustratie toe. Zijn behandelaar heeft zijn toenemende agitatie wel in de gaten. Op een
gegeven moment raakt de cliënt zijn zelfbeheersing kwijt als ze weer met de spuit
aankomen: hij pakt in woede een stoel en smijt die richting verpleging. Hierop wordt hij
met behulp van politie gesepareerd en krijgt zijn depot alsnog. Twee weken later is het
weer tijd voor de volgende injectie. De cliënt heeft er nog steeds ontzettend veel moeite
mee. Hij zegt dat hij het depot niet wil accepteren, en als ze hem dwingen, dat hij dan
weer met stoelen gaat gooien. De verpleging besluit hier niet op te wachten en separeert
hem direct. In de separeer krijgt hij zijn depot toch nog, en hij mag er niet zomaar weer
uit; hij krijgt een strikt mobilisatieschema.
De cliënt is erg boos over deze gang van zaken en besluit een klacht bij de
klachtencommissie in te dienen. Oké, hij geeft toe, de eerste keer hadden ze gelijk dat
ze hem separeerden, want hij gooide toen daadwerkelijk met het meubilair en dat was
behoorlijk gevaarlijk. Maar deze tweede keer heeft hij alleen iets gezégd. Hij vindt het
niet terecht dat hij dan al gesepareerd wordt. Bovendien gaat zijn mobilisatie te
langzaam. De pvp, die hij om ondersteuning tijdens de klachtzitting had gevraagd, voegt
daaraan toe dat er niet geprobeerd is of andere maatregelen dan separatie de cliënt tot
bedaren hadden kunnen brengen. De cliënt had misschien in een afzonderingskamer kunnen
uitrazen, of ze hadden hem een gesprek kunnen aanbieden. Er is direct naar het zwaarste
middel gegrepen, en, betoogt de pvp, dit is niet in overeenstemming met het
subsidiariteitsbeginsel dat altijd het minst ingrijpende moet worden toegepast.
De psychiater voert in zijn verweer aan dat deze cliënt al lange tijd bekend is met
explosief en agressief gedrag. Hij heeft geen ziektebesef en als hij zo boos is, valt er
niet met hem te overleggen. Nu de cliënt in de separeer zit, spreekt hij regelmatig een
arts en de mobilisatie gaat als gewenst. In eerdere gevallen is gebleken dat dit schema
van mobilisatie goed bij deze cliënt past.
De commissie verklaart de klacht ongegrond. De afdeling heeft juist gehandeld,
vindt de commissie, met inachtneming van voorgaande gebeurtenissen, het gebrek aan
ziektebesef en in de separeer wordt er netjes met hem omgegaan volgens een vastgesteld
schema. De separatie heeft niet alleen de veiligheid van de afdeling gegarandeerd, maar
ook de cliënt tegen zichzelf beschermd.
Een jonge cliënt is voor de eerste keer in behandeling. Het gaat niet goed met hem.
Hij heeft last van stemmingswisselingen, snijdrang en eetproblemen. Wekelijks spreekt hij
een ambulante behandelaar. De behandeling gaat echter niet vooruit, vindt de cliënt. Hij
heeft het gevoel dat de behandelaar hem helemaal niet goed begrijpt. Ook zit hij met
allerlei vragen over zijn diagnose. Wat heeft hij nu eigenlijk? Hij probeert hierover te
praten met zijn behandelaar, maar krijgt geen duidelijke antwoorden. Er zijn zelfs een
paar gesprekken met de behandelaar waaruit de cliënt boos wegloopt. Op een gegeven moment
besluit hij dat het zo niks oplevert. Niet alleen kan hij het niet goed vinden met de
behandelaar, maar ook is deze therapie niet geschikt, hij zoekt iets gespecialiseerders.
Hij vraagt hulp hierbij van zijn behandelaar, maar krijgt die maar ten dele: weer, vindt
hij, is de informatie onduidelijk, blijft het vaag, en komt hij eigenlijk niet veel
verder. Ook komt de behandelaar steeds maar niet terug op het verzoek dat de cliënt een
paar weken daarvoor al had gedaan of hij een andere behandelaar kon krijgen. Uiteindelijk
wordt hij aangenomen voor behandeling bij de eetstoornissenafdeling. Hij krijgt een
behandelaar van die afdeling. En daar gaat het direct een stuk beter.
De cliënt besluit om alsnog een klacht bij de klachtencommissie in te dienen tegen
zijn vorige behandelaar. Want nu hij merkt hoe goed het kan gaan, zon therapeutisch
contact, snapt hij pas hoe slecht het daarvoor eigenlijk wel niet ging. Tijdens de zitting
licht de behandelaar toe dat hij naar zijn mening voldoende concreet is geweest. Er is
gesproken over diagnose, maar door de jonge leeftijd van de cliënt, was het moeilijk die
vast te stellen. Hij wilde uit zorgvuldigheid voorzichtig zijn daarmee. De cliënt klaagt
ook bij de commissie dat er van de behandelaar weinig ondersteuning en onduidelijk advies
kwam over wel of niet die eetstoornisbehandeling doen. Daarover zegt de behandelaar dat
hij daar zo duidelijk mogelijk over is geweest, maar dat hij het belangrijk vond om de
cliënt zijn eigen keus te laten maken. En het feit dat hij niet is ingegaan op het
verzoek om een andere behandelaar, is omdat er toen al een traject gaande was van intakes
bij andere afdelingen, en het niet zo zinvol was om op dat punt nog een nieuwe behandelaar
te krijgen. Dit laatste begrijpt de cliënt wel.
De commissie vindt dat de behandelaar zorgvuldig heeft gehandeld jegens deze cliënt.
Dat hij de cliënt zo vrij mogelijk heeft willen laten om keuzes te maken in behandelingen
en dat hij geen diagnose wilde opplakken die misschien niet juist was. De klacht wordt
daarom ongegrond verklaard. Wel ziet de commissie dat er in de communicatie tussen
cliënt en behandelaar dingen mis zijn gegaan. De commissie stelt dat de behandelaar
explicieter had kunnen zijn over zijn overwegingen om de diagnose niet te stellen, en over
het algemeen duidelijker zijn behandelvisie had moeten uitleggen.
WW
Signalen
Soms komt een patiëntenvertrouwenspersoon tekortkomingen tegen in een ziekenhuis. Als
die tekortkomingen afbreuk doen aan de rechten van cliënten, vraagt de pvp bij
desbetreffende afdeling en/of leidinggevende hier aandacht voor, in een zogenoemd
signaal: mondeling of schriftelijk verzoekt de pvp de situatie te verbeteren
en cliënten recht te doen.
Niet storen a.u.b.
Op een opnameafdeling bestaat al een tijdje onvrede over de manier, waarop de
verpleegkundigen omgaan met de patiënten. Als er een keuze gemaakt moet worden welk
tv-programma men gaat kijken, is er een meerderheid voor Spoorloos. Helaas
kunnen de patiënten dit programma niet zien, want de verpleegkundigen zijn meer
geïnteresseerd in de sport op een andere zender. Daarnaast wordt met name in het
weekeinde de krant door de verpleegkundigen zo uitvoerig gelezen, dat deze zeer verstoord
reageren als patiënten vragen stellen of op een andere manier de aandacht van de
verpleegkundigen nodig hebben. De patiënten ervaren dit als een vorm van
ongeïnteresseerdheid waar ze zich erg ongemakkelijk bij voelen. De pvp dient mondeling
een signaal hierover in bij de afdelingsleiding. Deze herkent in grote lijnen de
klachten van de patiënten en bespreekt dit met de verpleegkundigen. De verpleegkundigen
beloven hun gedrag te veranderen.
Verpleging? Die is op het kantoor
Een groep patiënten op een opnameafdeling heeft het idee er alleen voor te staan.
Naast de tijden van de overdracht zijn de verpleegkundigen het grootste gedeelte van de
dag in het kantoor te vinden. Veelal zijn zij dan bezig met computerspelletjes of met MSN
(dat is kletsen met elkaar via de computer). Veel patiënten vinden het moeilijk aandacht
te vragen, zeker als de deur van het kantoor dicht zit. Slechts bij de koffie en de
maaltijden zijn de verpleegkundigen aanwezig. De patiënten ervaren dit als een gebrek aan
betrokkenheid met hun situatie. Een van de nadelige gevolgen van deze houding is dat
patiënten die slechts onder begeleiding naar buiten mogen, nauwelijks buiten komen. De
pvp bespreekt dit probleem met de afdelingsleiding. Deze maakt nieuwe afspraken met de
verpleegkundigen. Het gevolg hiervan is dat patiënten minimaal tweemaal een half uur naar
buiten kunnen. Het personeel is meer aanwezig bij de patiënten en er komt een schrijven
op de deur van het kantoor, dat men beslist aandacht mag vragen, ook als de deur dicht is.
Dagbesteding? Dag Besteding!
Een instelling neemt het besluit de inloop voor patiënten in de ochtend te sluiten. De
pvp ter plaatse dient een schriftelijk signaal in om hiertegen te protesteren. In het
signaal verwijst de pvp naar de normen die door het werkveld zelf zijn vastgesteld. Deze
normen zijn destijds vastgelegd in het rapport Een keten van lege zondagen, en
beschrijft aan welke normen passende zorg voor langdurig opgenomen patiënten moet
voldoen. De pvp constateert dat vooral de meest kwetsbare groep patiënten door de
maatregel benadeeld wordt. Deze groep is niet meer in staat om toe te werken naar deelname
aan de maatschappij buiten de instelling en aangewezen op voorzieningen op het
ziekenhuisterrein. Gelukkig is de directie gevoelig voor de argumenten en het besluit
wordt teruggedraaid. Patiënten kunnen gelukkig weer de hele dag terecht bij de inloop op
het terrein.
Biertje?
Regelmatig staan er bepalingen in de huisregels die het gebruik van alcohol wat al te
resoluut aan banden leggen. Een instelling schrijft hierover het volgende: Het
gebruik en in bezit hebben van alcohol en drugs zijn niet toegestaan tijdens uw
behandeling in de kliniek omdat het uw behandeling en de goede orde op de afdeling kan
verstoren. De pvp constateert dat dit nogal afwijkt van datgene wat vermeld staat in
de voorbeeldhuisregels van GGZ Nederland. In deze regels wordt over alcohol het volgende
vermeld: Alcoholgebruik is toegestaan voor zover het de orde op de afdeling niet
verstoort en het niet strijdig is met de afspraken die hierover gemaakt zijn in uw
behandelplan. In de praktijk van alledag blijkt dat patiënten ook tijdens hun
weekendverlof geen alcohol mogen nuttigen.
Zij hebben hierover geklaagd bij de pvp. Deze verzoekt in een schriftelijk signaal om
de afdelingsregels aan te passen. De directie van de instelling gaat in haar antwoord
uitvoerig in op deze kwestie. Ten eerste blijkt dat de aangehaalde regel slechts geldt
voor één specifieke opnameafdeling, niet voor de hele instelling. Daarnaast stelt de
directie dat binnen de instelling de aard van de verschillende afdelingen zo divers is,
dat een categorisch afwijzen of toestaan van alcohol niet realistisch is en geen recht
doet aan de problemen waarmee de diverse patiëntengroepen kampen. De directie geeft aan
dat een verbod van alcoholgebruik tijdens verlof bij haar niet bekend is en vindt dit ook
te ver gaan. Slechts als alcoholgebruik tijdens verlof een risico op terugval betekent of
als patiënten onder invloed van alcohol terugkeren van verlof kan hiervan sprake zijn. De
directie ziet echter geen oplossing in het aanpassen van de huisregels om deze problemen
op te lossen. Nadat hierover nog van gedachte is gewisseld, betrekt de pvp de Inspectie
voor de Gezondheidszorg bij deze kwestie. De Inspectie adviseert de directie een
aanpassing van de huisregels, zoals voorgesteld door de pvp.
RdK
Rechtspraak
De PVP-krant zet in ieder nummer interessante rechtspraak in de psychiatrie op een rij.
Dit maal over een klacht van een mevrouw die te weinig informatie had gekregen over haar
dwangbehandeling; een onwettige termijnoverschrijding van een melding van dwangmedicatie
aan de inspectie, en een klacht die bij de Nationale ombudsman werd ingediend vanwege een
langdurig verblijf als passant in het huis van bewaring. En tenslotte een
uitzonderlijk geval waarin de rechtbank afziet van het horen van de patiënt.
Een vrouw verblijft sinds enkele maanden in een ggz-instelling, thans krachtens een
machtiging tot voortgezet verlijf. De behandelend psychiater deelt haar per brief mee dat
en waarom hij (dwang)medicatie met antipsychotica noodzakelijk vindt. Ook geeft hij in de
brief aan dat de behandeling over een week zal starten en dat zij dus nog een week kan
nadenken over vrijwillig oraal gebruik. De vrouw heeft over dit gebeuren geklaagd bij de
klachtencommissie. Nadat de commissie haar klacht ongegrond heeft verklaard, legt zij deze
aan de rechtbank voor. Als grond voor haar klacht noemt de vrouw dat zij vooraf
onvoldoende is geïnformeerd over de redenen voor dwangbehandeling, en dat vooral achteraf
een motivering is gegeven. De rechtbank vindt haar grief niet onbegrijpelijk en is van
mening dat explicieter had mogen worden vastgesteld dat met patiënte is ingegaan op de
noodzaak van behandeling. Toch acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat die
noodzaak met haar is besproken. Aangezien de rechtbank verder van oordeel is dat de
behandelaar op goede gronden is overgegaan tot toepassing van dwang, wordt de klacht
ongegrond verklaard (Rb Groningen 21-11-2003, BJ 2004, 58, m.nt. H.E. Bröring).
Opvallend aan deze uitspraak is dat de rechtbank inhoudelijk niet ingaat op de vraag in
hoeverre informatieverschaffing vooraf aan de patiënt noodzakelijk is voor de
legitimiteit van dwangtoepassing, noch op de vraag op welke wijze dergelijke
informatieverschaffing precies moet worden vastgelegd. Zij die geïnteresseerd zijn in de
bestuursrechtelijke kanten van deze zaak, worden verwezen naar de annotatie van Bröring
bij de uitspraak. In die annotatie wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds het niet
aan betrokkene kenbaar maken van een wel bestaande deugdelijke motivering (een relatief
minder ernstige vormfout) en anderzijds het gebrek aan een deugdelijke motivering
überhaupt.
Een onvrijwillig opgenomen man wordt onderworpen aan dwangbehandeling waaronder
separatie en medicatie. De dwangbehandeling duurt tien dagen. Binnen tien dagen na
beëindiging van de dwang klaagt de man tweemaal over de medicatie en over de door zijn
behandelend psychiater gestelde diagnose, welke klachten beide ongegrond worden verklaard
door de klachtencommissie. De dwangbehandeling blijkt ongeveer een maand na de start
(zon tien dagen na het indienen van de tweede klacht) ter kennis van de inspecteur
gebracht. De man stapt naar de rechtbank. Hij is van mening hij niet lijdt aan een
geestelijke stoornis, dat dwangmedicatie niet zinvol is vanwege een gebrek aan effect op
zijn geestestoestand, en dat er geen sprake meer is van gevaar. Bij de rechtbank wordt
tevens gewezen op het voorschrift van de Wet Bopz dat melding aan de Inspectie uiterlijk
bij het begin van de dwangbehandeling moet worden gedaan. De rechtbank overweegt in dit
verband dat de controlerende taak van de inspecteur betrekking heeft op een verantwoorde
behandeling, verpleging, verzorging en bejegening van personen met geestesstoornis. In het
geval van de man heeft een dergelijke controle niet eerder dan een maand na aanvang van de
dwang kunnen plaatsvinden. De rechtbank acht een dergelijke overschrijding in strijd met
de geest van de Wet Bopz. Als gevolg hiervan heeft de inspecteur onvoldoende vorm kunnen
geven aan zijn controlerende taak bij deze verstrekkende maatregel. Mede in het licht van
het onvermogen van de man om zijn diagnose te onderschrijven, verklaart de rechtbank de
klacht gegrond (Rb Zutphen 13-11- 2003, BJ 2004, 61, m.nt. R.H. Zuijderhoudt).
De verwijzing naar de geest van de wet in deze uitspraak is interessant.
Het lijkt erop dat een overschrijding van een in de Wet Bopz genoemde termijn op zichzelf
niet tot een gegrondverklaring van de klacht hoeft te leiden. De overwegingen van de
rechtbank wijzen er mogelijk op dat termijnen bij mínder ingrijpende maatregelen of ten
aanzien van patiënten mét ziekte-inzicht minder serieus te nemen zijn. De vraag is dan
overigens of van hulpverleners verlangd kan worden dat zij de relevantie van formele
juridische vereisten beoordelen in het licht van de geest der wet. Een dergelijke
beoordeling veronderstelt zowel kennis van de formele bepalingen als begrip van de
strekking van de wet. Dat dit wellicht niet steeds reëel is, blijkt uit de opmerking van
Zuijderhoudt in zijn noot dat dokters (
) vaak niet zoveel idee (hebben) welke
bepalingen wel, en welke minder van belang zijn voor de rechtspositie van de
patiënt.
Maximering passantenverblijf in huis van bewaring
Wegens ontoerekeningsvatbaarheid voor een gepleegd delict krijgt een man een
strafrechtelijke last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. De bedoeling van die
maatregel is dat snel een psychiatrische dwangopneming volgt, maar in dit geval gebeurt
dat niet. De man brengt namelijk de gehele duur van de maatregel, te weten een jaar, als
passant in huizen van bewaring door. De man klaagt vervolgens bij de Nationale
ombudsman over de rol van het Openbaar Ministerie bij de tenuitvoerlegging van het vonnis.
De man wijst erop dat de officier van justitie heeft nagelaten een psychiatrisch
ziekenhuis te bevelen tot opneming over te gaan. De Nationale ombudsman oordeelt dat
zon bevel slechts kan worden gegeven wanneer een ziekenhuis voldoende toegerust is
voor de patiënt in kwestie, en bovendien plaats heeft. Aan een van beide voorwaarden was
in dit geval steeds niet voldaan. De Nationale ombudsman oordeelt echter tevens dat het
langdurige verblijf in het huis van bewaring onrechtmatig was. De overplaatsing naar een
psychiatrisch ziekenhuis zou in beginsel binnen twee maanden na het onherroepelijk worden
van het vonnis plaats moeten vinden. De Nationale ombudsman beveelt de minister van
Justitie aan om een plan van aanpak op te stellen, zodat tijdige plaatsingen mogelijk
worden (Nationale ombudsman 17-8-2004, BJ 2004, 64, m.nt. T.P. Widdershoven).
De Rechtbank Den Bosch wordt verzocht een machtiging tot voortzetting van de
inbewaringstelling te verlenen. De patiënt blijkt de dag voor de behandeling van de zaak
door de rechtbank te zijn gesepareerd, nadat hij zich met veel geweld en schade een weg
naar buiten had gebaand. Ondanks toegediende noodmedicatie heeft de verpleging het nog
niet aangedurfd de separeerruimte binnen te gaan. De rechtbank vindt het onverantwoord de
patiënt te horen, dit mede gezien de opvattingen van de advocaat en van de behandelend
arts. Het psychiatrisch ziekenhuis blijkt niet ingericht voor de behandeling van
gewelddadige patiënten, en het plan is om de patiënt zo gauw mogelijk over te plaatsen
naar een ander ziekenhuis. De rechtbank overweegt dat uit het optreden van de man
voldoende is gebleken dat hij het verblijf in het ziekenhuis niet wenst. Voorts is de
verwachting de situatie zich over enkele dagen zal stabiliseren. De rechtbank is van
mening dat onder deze uitzonderlijke omstandigheden afgezien kan worden van het horen van
de patiënt, maar dat dan wel de looptijd van de machtiging beperkt moet worden tot één
week (normaal drie weken), zodat bij een mogelijke volgende rechterlijke beoordeling de
man relatief snel alsnog kan worden gehoord (Rb s-Hertogenbosch 23-8-2004, BJ 2004,
60, m.nt. red.).
Door de duur van de maatregel te beperken van drie weken tot één week, ontstaat de
indruk dat de rechtbank de patiënt tegemoet komt; maar ook zou kunnen worden gezegd dat
op deze wijze het horen van betrokkene met meer dan een week is uitgesteld. Opmerkelijk is
daarbij dat niet duidelijk blijkt waarom de rechtbank het achterwege laten van het horen
gerechtvaardigd vindt.
Een vrouw is in bewaring gesteld. Een verzoek van de officier van justitie tot het
verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt door de
rechtbank afgewezen, omdat van onmiddellijk dreigend gevaar onvoldoende is gebleken. Op
dezelfde dag wordt opnieuw een geneeskundige verklaring opgemaakt, die woordelijk gelijk
is aan de eerdere, zij het dat eraan toegevoegd wordt dat de echtgenoot er dit keer van
overtuigd is dat terugkeer van patiënte naar huis volstrekt gecontra-indiceerd is. Voor
de tweede maal geeft de burgemeester een inbewaringstelling. Drie dagen later wordt
opnieuw het verzoek tot voortzetting van de maatregel afgewezen. De rechtbank oordeelt dat
zich sinds de vorige beslissing geen nieuwe feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan
(Rb Zutphen 14-5-2004, BJ 2004, 62, m.nt. red.).
SW
Verhaal cliënt
Vrijheden of pillen
Morgen mag ik voor het eerst weer naar buiten. Samen met een verpleegkundige ga ik naar
het winkeltje op het terrein om shag halen. Hoe zal het zijn om weer buiten te lopen? Hoe
zal het zijn om weer zelf iets te kopen? Volgens mij verkopen ze daar ook snoep en
frisdrank. Misschien koop ik dat ook wel. Drop daar heb ik zin in. Of een Twix. Die heb ik
ook al maanden niet gehad. Hoe dat komt? Drie maanden geleden, vlak voor Sinterklaas, viel
de buitendeur van de afdeling achter mij dicht. Sindsdien zit ik hier vast op de
opnameafdeling. Waarom? Een rechter vond dat ik gestoord ben in mijn geestvermogens. Al
drie maanden ben ik niet buiten geweest. Goed, af en toe een luchtje scheppen in de
binnentuin van de afdeling, dat mocht. Maar de binnentuin, dat voelt niet echt als buiten.
Daar voel ik mij net zo opgesloten. Zo groot is die tuin hier niet en aan alle kanten zijn
muren.
Ze vonden dat het niet goed met mij ging. Mijn behandelaar zag het niet zitten mij een
wandeling te laten maken: Nee, het is echt onverantwoord om jou naar buiten te laten
gaan. Ik maak mij grote zorgen. En ik niet alleen. Je familie maakt zich ook ongerust. Ze
zijn bang dat het nooit meer goed met je komt. Johan, zo heet mijn behandelaar, vond
dat ik medicatie moest gaan gebruiken Als ik dat zou doen, dan zou het wel weer goed
komen. Ik wilde geen medicatie. Nog steeds niet trouwens. Ik vind het niet nodig. Een half
jaartje rust, een tijdje niet blowen en kunnen praten over
mijn liefdesverdriet, dat
zie ik als oplossing. Mijn behandelaar wilde daar niet aan. Hij bleef aandringen om toch
medicatie te gaan gebruiken. En hij niet alleen. Ook mijn persoonlijke begeleider bleef
maar bezig over die medicatie. Hij zei op een gegeven moment: Als je het nou neemt,
dan zal je zien dat je heel snel weer naar buiten kunt. Het is chantage, maar het
klonk toch verleidelijk. Ik geloof best dat ze denken mij te kunnen helpen met die pillen.
Het zal allemaal wel met de beste bedoelingen voorgesteld worden, maar ik wil het gewoon
niet. Punt uit. Ik ben drie weken geleden maar eens met de pvp gaan praten. Je weet nooit
of zo iemand iets voor je kan betekenen. Samen met die pvp ben ik met Johan gaan praten
over mijn vrijheden. Het was best een vriendelijk gesprek, maar ik mocht daarna nog steeds
niet naar buiten.
Johan vertelde over mijn buren en dat hij bang was dat ik die op ga zoeken als ik
alleen naar buiten mag. Daarom wilde hij mij niet laten gaan. Ik kan honderd keer zeggen
dat ik ze niet zal opzoeken. En dat ik mijn lesje wel geleerd heb en dat ze anders de
politie maar in moeten schakelen. De pvp vroeg wat er moest gebeuren voordat ik wel alleen
naar buiten zou mogen. Daar kwam geen duidelijk antwoord op. Het team moest er eerst
voldoende vertrouwen in hebben dat ik niet zou weglopen en naar mijn buren zou gaan.
Zoiets was het geloof ik. Geen idee wat ik moet doen om dat vertrouwen te krijgen. Ik doe
alles wat ze van mij vragen. Ik ga naar de therapieën. Ik doe mijn corveetaken. Alleen
slik ik geen pillen Ze hebben zeker pas vertrouwen in mij als ik dat wel ga doen. Na het
gesprek met Johan vertelde de pvp dat ik mijn klacht ook nog voor kon leggen aan de
klachtencommissie. Ach, waarom niet, dacht ik. Ik heb toch niks beters te doen en je weet
nooit of zon commissie het probleem kan oplossen. Samen met de pvp heb ik mijn
klacht op papier gezet en opgestuurd naar die commissie.
Vorige week was het dan zover: een hoorzitting. Dat was best een officiële toestand.
En er zaten een hoop mensen op die dure stoelen aan die mooie tafels. Wie dat allemaal
waren? Ik was er dan en de pvp. Johan, mn behandelaar, die was er ook. En dan die
commissie: twee mannen en een vrouw. Netjes gekleed, maar best aardige mensen vond ik. De
pvp had een heel verhaal op papier gezet en daar had ik ook een kopie van gekregen. Dat
had die man best aardig gedaan. Dat viel mij helemaal niet tegen. Pleitnota stond er met
grote letters boven. Hier heb ik het. Moet je horen wat er staat ergens halverwege de
eerste pagina: Beperkingen in het recht op bewegingsvrijheid in en rond het
ziekenhuis kunnen alleen worden opgelegd indien naar het oordeel van de voor de
behandeling verantwoordelijke persoon van de uitoefening van dit recht ernstige nadelige
gevolgen moeten worden gevreesd voor de gezondheidstoestand van de patiënt, dan wel dit
ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis, zoals die in de huisregels is
beschreven, of ter voorkoming van strafbare feiten noodzakelijk is. Ik snap het niet
helemaal, maar het klinkt wel goed. Lekker juridisch.
De klachtencommissie heeft mijn klacht gegrond verklaard. Dat stond in een stuk
van wel drie kantjes. Ze schreven te begrijpen dat mijn behandelaar met de beste
bedoelingen handelde, maar dat het beperken van mijn vrijheden voor zon lange
periode buiten proportie is. Ook schreven ze begrip te hebben voor zijn handelwijze. Ze
kunnen begrijpen dat Johan wil voorkomen dat ik naar mijn buren ga, maar ze vonden dat
onvoldoende reden om mij nog langer binnen te houden en mij te verbieden naar het
winkeltje te gaan. En nu mag ik wel. Ik mag zelfs alleen, maar ik vind het de eerste keer
wel prettig als er iemand met mij mee gaat.
AdM
|