De Rekenkamer heeft de uitvoering van
de Kwaliteitswet zorginstellingen onderzocht. Er is gekeken hoe
instellingen omgaan met de principes achter de Kwaliteitswet:
zelfregulering en toezicht op toezicht. Conclusie is dat de zorg
het zeer slecht doet.
Zorgsectoren zijn onvoldoende in staat gebleken om op eigen
kracht normen te ontwikkelen voor de kwaliteit van zorg. Volgens
de wet zijn de zorgaanbieders zelf verantwoordelijk om te
bepalen wat goede en verantwoorde zorg is en hoe deze
systematisch bewaakt en verbeterd kan worden. Na dertien jaar
voldoen de zorgsectoren niet aan deze wettelijke eis. Gezien
deze situatie kan de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ) niet
volstaan met beperkt toezicht. De nadruk die de minister van
Volksgezondheid in de afgelopen zeven jaar legt op meer
transparantie kan de noodzaak van voldoende kwaliteitswaarborgen
niet vervangen. Het valt te betwijfelen of elke burger over twee
jaar via de website www.kiesbeter.nl een betrouwbaar inzicht
krijgt in het aanbod en de kwaliteit van de hele zorg.
Conclusie
De belangrijkste conclusie van de
Rekenkamer is dat de zelfregulering binnen de zorgsectoren niet
tot het beoogde resultaat heeft geleid. De zorgaanbieders,
zorgverzekeraars en cliënten zijn er tussen 1996 en 2006
onvoldoende in geslaagd een gedeelde visie (kwaliteitskaders met
indicatoren en normen) te ontwikkelen over wat moet worden
verstaan onder verantwoorde zorg. Daarnaast heeft de
zelfregulering in die periode niet bij alle zorgaanbieders
geleid tot goed functionerende kwaliteitssystemen.
De Rekenkamer heeft niet kunnen vaststellen wat de stand van
zaken is van de kwaliteitssystemen. Wel hebben wij kunnen
vaststellen dat het aantal certificaten en accreditaties is
toegenomen, vaak onder druk van de zorgverzekeraars. Die stellen
het certificeren van kwaliteitssystemen in hun contracten met de
zorgaanbieders verplicht. Veel zorgaanbieders voldoen overigens
aan de eis van certificeren omdat zij anders financieel gekort
worden. Zij hebben echter zelf de nodige scepsis over de
(veronderstelde) relatie tussen certificeren en de kwaliteit van
de zorg. Hoewel de minister certificeren belangrijk vindt, heeft
hij het niet willen verplichten. Wij stellen vast dat nu een
onduidelijke situatie is ontstaan over nut en noodzaak van
certificeren.
Een veronderstelling omtrent systeemtoezicht is dat deze vorm
van toezicht minder capaciteit vergt. Volgens ons zal in ieder
geval in de aanloopfase naar systeemtoezicht extra capaciteit
bij IGZ noodzakelijk zijn, omdat IGZ zich per instelling een
oordeel zal moeten vormen over de opzet en de werking van de
kwaliteitsborging alsmede van de mate waarin er sprake is van
good governance. We hebben de uitvoering van dit gefaseerde
toezicht onderzocht in de intramurale ouderenzorg en de
gehandicaptenzorg. Aan drie voorwaarden voor goed gefaseerd
toezicht wordt in deze sectoren niet voldaan. Daardoor is het
niet zeker dat de risicoanalyse, nodig voor de eerste fase, goed
functioneert.
Aanbevelingen
De minister heeft als doel geformuleerd
dat in 2011 iedereen inzicht moet kunnen krijgen in het aanbod
en de kwaliteit van (bijna) de gehele zorg. Wij bevelen de
minister aan deze doelstelling concreet, specifiek en meetbaar
te formuleren. Daarnaast bevelen wij aan een plan van aanpak op
te stellen waaruit blijkt welke prestaties de stakeholders
moeten leveren en op welk moment. Tenslotte bevelen wij de
minister aan duidelijk te maken welke maatregelen hij treft
indien de beoogde prestaties en doelstellingen niet worden
gerealiseerd.
Wij bevelen de minister verder aan onderzoek te laten doen naar
de mate waarin zorgaanbieders beschikken over goed werkende
kwaliteitssystemen en op basis daarvan een beleid te formuleren
met betrekking tot het niet nakomen van de Kwaliteitswet.
Daarnaast bevelen wij aan wetenschappelijk onderzoek te laten
doen naar de relatie tussen certificatie van kwaliteitssystemen
en de kwaliteit van de zorg.
Wij bevelen de minister aan IGZ een plan van aanpak op te laten
stellen waarin wordt uitgewerkt op welke wijze het
systeemtoezicht vorm en inhoud kan krijgen, welke voorwaarden
daarvoor op welke termijn moeten worden gerealiseerd, en welke
middelen IGZ daarvoor nodig heeft. Wij bevelen de minister ten
slotte aan zich een oordeel te vormen over de benodigde
capaciteit van IGZ.